thema:

Introductie Daniel Falb – ’N ik, ’n wereld, ’n esthetica

Gent, Poëziecentrum – 8 mei 2014

’n ik

‘ik betrad het landenpaviljoen en kwam er als uitgebreide familie weer uit. ik transplanteerde in 1967 het eerste menselijke hart, in een tweeling.’ – dit zijn regels In uit ‘New Zork’ van Daniel Falb (*1977). Ze komen uit de bundel Bancor uit 2009 (verschenen bij de spannende toonaangevendeuitgeverij kookbooks als deel 16 in de Reihe Lyrik). Die fraai uitgegeven serie, met nieuwe dichters die naam krijgen en verworven hebben, was in 2003 gestart met de debuutbundel van Daniel Falb: die räumung dieser parks. De geciteerde regels lijken te botsen met een scherpe waarneming van Gerhard Falkner die van Falbs dichtregels zei dat ze een uitstraling ontwikkelen ‘van koele, nuchtere zakelijkheid zodra ze terechtkomen in een reeks’ – dus opzettelijk niet ‘zodra ze aaneengeschakeld worden’, maar zodra ze na elkaar blijken te staan, als het ware bij toeval. Een scherpe waarneming, want het prompte en onverwachte schakelen is iets dat opvalt en typeert.

Falkner ziet ook dat er zo ‘een hard, laboratoriumachtig licht ontstaat dat op de observaties valt of zelfs ervan lijkt uit te gaan. Het zijn waarnemingen van uiterste tijdprecisie, van poëtische stiptheid, exact op het moment dat het heden binnenkomt of de persoonlijke plaats des onheils geraakt wordt’. Waarmee we nogmaals belanden bij de geciteerde regels waarin het persoonlijke vertegenwoordigt wordt door een ik: ‘ik betrad het landenpaviljoen en kwam er als uitgebreide familie weer uit. ik transplanteerde in 1967 het eerste menselijke hart, in een tweeling.’ Falb zegt nauwelijks ik (echt: ik), ontboezeming wordt niet waargenomen maar beleefd, en zijn ik is eerder representant, deel van ‘de kudde […] die, op haar trek, andere lijven begint af te grazen’. Als hij ik zegt is hij ik én de Zuidafrikaanse arts Christian Barnard, en even later ook meteen jeugddelinquent, een vrouw die haar lippenstift controleert, ‘honderden partners’, ‘een menigte kijklustigen die zich al wachtende zelf bekijkt’, een vliegtuigcrew die met z’n allen ‘een lichaam’ vormen.

 

 

’n wereld

Het persoonlijke verglijdt bij Daniel Falb ook vaak naar objecten, naar modellen, stadsconglomeraten. Ik is ook even gemakkelijk een ding, een erwt, een vertrekschema, ‘een serie van eieren en vleugels als de atlasvlinder verpopt in zee valt’. Dat wil zeggen, denk ik, dat er in zijn gedichten een wereld wordt geschapen waarin naar en vanuit een geheel gekeken wordt, zowel ruimtelijk als in tijd. De overleden Barnard kan dan een open hartoperatie uitvoeren in het jaar 2014; geldautomaten kunnen elementen vertonen van een volksdans, je bent op een bedrijvencomplex waarin tegelijkertijd en al evenzeer de bosbrand wordt herkend als ‘het grondwater eronder’. Steeds wordt er door deze dichter breed en omvattend waargenomen, worden persoonlijke verhoudingen uitvergroot naar grotere verbanden, naar generaties die elkaar opvolgen. Hoe de wereld er volgens Falb uitziet is dus een belangrijke vraag – of liever gezegd: niet volgens Falb maar volgens zijn gedichten, volgens New  Zork, toch de naam van een heel specifieke poëtische wereld. De wetten van het geld gelden er, als er landschap is is het dat van een industrieterrein, dat van de metropool, dat van de wetenschap, economie en techniek. Het zijn die ‘systemen’ de mens bepalen – ‘de sociologisch-biologische gedetermineerdheid van het individu, aldus dichter Hendrik Jackson[1], ‘wordt uitgespeeld tegen het zoeken naar om verlossing smeken zin’ (geen transcendentie maar feitelijkheid).

 

 

’n esthetica

New Zork is een aparte wereld tegen de achtergrond van een oud adventure-computergame dat Zork heet en waarvan de eerste versies louter uit tekst bestonden. Zork betekende oorspronkelijk niet veel meer dan ‘dinges’. De wereld, uitwisselbaar, is door de game en de al dan niet grafische verbeelding ook een ontworpen wereld – een waarin de gelaagdheid van een gedicht blijkt, zeker omdat er veel aan andere esthetische ontwerpen gerefereerd wordt – een kunstwerk van Damien Hirst, A Thousand Years (die glazen kooi waarin vliegen rond de kop van een koe zwermen), de animatiefilm Anywhere Out of the World met een mangapersonage in de hoofdrol, een schilderij van Francis Bacon. Verder legt Falb zijn gedichten aan tegen de gedichten van anderen (Emily Dickinson bijvoorbeeld), tegen andere teksten uit andere genres, teksten die uit de wereld in flarden tot ons komen en als citaat of als economische, sociologische of industrietechnische vaktaal door Falb worden opgenomen in zijn aaneengeschakelde stelsel. Zo komt Falb uit in zijn gestructureerde collageblokken waar de hedendaagse wereld die ons omringt en die in ons is, als taal terugkeert – strikt geordend, als afgerond blok neergezet, intrigerend door de ondoorzichtige en onverklaarde manier waarop alles met elkaar te maken heeft. Falb is een dichter die voordenkt, voor ons denkt, zicht biedt op de wereld die we menen te kennen maar waarin ons van alles ontgaat.

daniel-falb


[1] Ann Cotten, Daniel Falb, Hendrik Jackson, Steffen Popp und Monika Rinck: Helm aus Phlox. Zur Theorie des schlechten Werkzeugs. Merve Verlag, Berlin 2011.

Van Daniel Falb verscheen in vertaling van Ton Naaijkens de fraai verzorgde bibliofiele uitgave New Zork bij uitgeverij Zegwerk van Danny Dobbelaere in Gent, met fotografie van Heike Dobbelaere. De oplage is gedrukt in 50 genummerde exemplaren. Zie http://zegwerk.wordpress.com/

Vier vertaalde gedichten uit New Zork werden voorgepubliceerd in Terras #05 Maken en breken. Een van de vier gedichten staat hier.

Over de auteur:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.