thema:

Brussel

Ambrosia, wat vloeit mij aan als ik door Brussel loop?
      Puur gif, mijn schat. Bezoek ons Schumanplein! Het hart van Europa! Wie zei daar hart? Een hart klopt, een hart bonst, het stuwt warm bloed door de aderen. Dit hart klopt nooit. Gooi weg dat woord. De diepvrieskist van Europa dan maar? Te veel eer. Uit een diepvrieskist kun je lekkere dingen halen. Een diepvrieskist is veel efficiënter dan de instellingen die hier hokken. Dit is de nulgraad van architectuur en stad. Sinds enkele maanden is het ook het absolute nulpunt van de politiek.
      Dit is het diepste zwart van alle zwarte plekken die Brussel ontsieren en dat zijn er veel.
      Een halve eeuw geleden hebben biefstuksocialisten hun dorre zerk opgericht op de plaats waar de tempel van een vurig geloof prijkte, de weelderige tempel die heette: Volkshuis.
      Telkens als ik het Noordstation uit kom en het zinledige spiegelen van reuzenspiegels in reuzenspiegels aanschouw, wil ik me afwenden.
      Als ik door woestenijen bij het Zuidstation trek, verlang ik naar de geborgenheid van de tombe.
      En het houdt niet op. 

De argeloze buitenlander zal niet gauw merken dat deze stad, die haar straten en stenen met masochistische systematiek verminkt, niet enkel haar eigen stenen maar ook nog eens haar eigen woorden heeft willen uitroeien. De triomfalistische minachting die daarbij destijds aan de dag werd gelegd, zou menig ander oord in een uitzichtloze burgeroorlog hebben gestort. Niet Brussel en dat is een klein mirakel.

Qu’est-ce que j’irais faire avec mon Vloms van in ’t strotsje? Ik heb het gehoord als kleine jongen, het staat in mijn geheugen gegrift. In die ene zin zijn tientallen jaren vernedering, verachting, miskenning, verbanning van de oeroude Brabantse volkstaal samengeperst, de taal die eeuwen lang algemeen gangbaar was in deze stad. Schaam je je niet, werd de kleine man en vooral ook de kleine vrouw toegebeten zodra ze halfluid hun Brabantse Nederlands lieten horen. De slopersbeul ertegen, weg uit de geschiedenis. Wis alle sporen uit. Die taal was achterlijk. Was vuil. Was lelijk. Moche. Fatsoenlijke lieden spraken Frans, alleen met Frans kwam een mens vooruit in het leven, Frans was de taal van de toekomst, de stralende toekomst. Je wilt toch niet in je strotsje, in dat morsige steegje van je blijven zitten rotten. Nou dan. Spreek Frans. Speak white.
Vandaag is die logica achterhaald. De Brusselaar weet dat, onderschat hem niet. Zijn taal hebben ze hem misschien kunnen afpakken, maar niet zijn vrolijke realisme. Intussen hadden hijzelf en zijn ouders en zijn grootouders wel tegen heug en meug dikke brokken Frans doorgeslikt en half verteerd.
      Maar sporen uitwissen is nog zo makkelijk niet. Het nieuwe Frans en het oude Brabantse Nederlands begonnen een nieuw leven te leiden. Het Frans in het openbaar, maar met gewaagde klankverschuivingen en revolutionaire spraakkunstige constructies die zelfs de wildste Parijse dadaïst niet vermocht te dromen. C’est un peu peu. Elle sait la contre. Ouvre tes blaffetures. Ça veut just lukke que je te vois. Tu vois ça d’ici. En stoemelings. Het Brabants overleefde het Franse geweld in de schemerzone van kroeg en keuken, onder het grijzige licht dat de zwans nodig heeft om open te bloeien.
      De wát?
      De zwans. Haha. Alleen voor ons. De zwans is de humor van de kleine man en de kleine vrouw die weet dat zijn/haar taal geen recht van spreken heeft. Vandaar dat de zwans zoveel zelfspot bevat, precies zoals de joodse witz overigens. Vandaar dat wordt uitgeweken naar het absurde. Wij zeggen in onze twee stadstalen nee misschien / non peut-être en het betekent: ja. Probeer dat niet uit te leggen aan een noordelijke calvinist of een zuidelijke cartesiaan.
      Bovendien is de zwans privé, alleen voor ons, Brusseleirs onderien, Brusselaars onder elkaar.
      Een subliem voorbeeld is het taalgebruik in de Kuifjesalbums van Hergé. Telkens opnieuw schatten biografen dat volkomen verkeerd in, niet gehinderd door enige kennis van zaken. Hergé laat Amazone-indianen, Syldaviërs en andere bizarre volkeren uit eigenwijze gewesten puur Brussels dialect spreken.
      Alleen wij weten dat. Wij alleen kunnen moeiteloos ontcijferen wat er staat. Nogal logisch, het is onze dagelijkse taal. Verzamelaars van oude Kuifjesboeken in San Francisco, Oxford of Barcelona gaan zich te buiten aan bloedernstige semiotische analyses. Wij, Brusselaars, komen niet meer bij van het lachen. Het is de wraak van de provinciaal op de boze, grote wereld buiten. Dankzij het planetaire succes van Hergé. 

Brussel is provinciaal én kosmopolitisch, zoals het Frans is én Nederlands, zoals het een van de mooiste pleinen van Europa én het gruwzaamste plein van ons continent bevat. Ik heb toch wel wat rondgereisd in de wereld, maar nergens hoorde ik een meisje aan de kassa van de supermarkt binnen vijf minuten vier talen spreken. Behalve in Brussel. Menig eurocraat kan daar een punt aan zuigen. Velen van hen spreken geen woord Frans of Nederlands. Onheilsprofeten kondigen een nieuwe volksverhuizing aan, reusachtig van omvang en verwoestend. Brussel is al decennia één grote volksverhuizing. Sinds diep in de twintigste eeuw omarmt Brussel de chaos van de eenentwintigste eeuw.

Achthonderd jaar heeft Brussel Nederlands gesproken – en geschreven. Jan van Ruusbroec is een mysticus van Europees formaat. Hij schreef in het Brabantse Nederlands van Brussel. Zowat tweehonderd jaar geleden is daar het Frans bijgekomen, een brutale vlerk, een opdringerige mooiprater. Maar goed, het Frans woont hier nu, het Frans is voor de Brusselaar een tweede natuur geworden, het is niet meer weg te denken, veeleer heeft het de neiging andere talen weg te denken, maar steeds minder slaagt het daarin.
      De wet bepaalt dat Brussel van hoog tot laag tweetalig is. Kijk, reiziger, naar de straatnaamborden, bezoek de negentien gemeentehuizen, besef dat er twee volledig onafhankelijke schoolnetten zijn, één voor elke taal, en trek conclusies. Ja, Brussel is tweetalig, het lukt niet overal, het lukt niet altijd, er zijn notoire en zelfs schandelijke uitzonderingen – sommige ziekenhuizen – maar toch, reiziger, zul je met mij moeten toegeven: een stad die openlijk plaats ruimt voor twee talen, hoe verschillend ook, zoiets kan bestaan.
      Bedenk daarbij dat Brussel zowat de laatste grote Europese stad is die het koppig volhoudt elke dag opnieuw meer dan één taal te erkennen. Er is, geloof ik, nog Helsinki, en wellicht ook Barcelona. Vroeger waren ze veel talrijker, Praag, Bratislava, Vilnius, Czernowitz – de geboortestad van Paul Celan. Al die steden – en het waren er nog veel meer – zijn pas monochroom ééntalig geworden als gevolg van bloedige, monsterachtige moordpartijen.
      Czernowitz was een schitterend voorbeeld. Tijdens de Oostenrijkse Dubbelmonarchie erkende het stadsbestuur drie officiële talen: Duits, Oekraïens, Roemeens. In feite werden er meer gesproken, tenminste nog Jiddisch en Pools, ik vergeet er vast enkele. Niet voor niets droeg Czernowitz trots de bijnaam heimliche Hauptstadt Europas. Nostalgie is mij vreemd. Mij gaat het om het harde besef dat je culturele bloei en tolerantie willens en wetens naar de verdommenis kunt helpen. Als je maar genoeg moordt.

Vandaag heet de hoofdstad van Europa Brussel. Brussel erkent twee talen maar het is in het dagelijkse leven een oerwoud van idiomen, tongvallen en dialecten: Frans en Nederlands in alle denkbare schakeringen, en vervolgens Berber, Turks, Koerdisch, Arabisch, Albanees, Italiaans, Spaans, Portugees, Grieks, Engels, Lingala. Meer. Meer. Meer. Ieder jaar meer.
      Doe volgende oefening, ze kost bijna niets, de prijs van één tramkaartje. Neem de metro van station Stokkel naar het Weststation, van rijk naar arm, en tel de talen. Voor je het eind van de rit bereikt, kom je vingers tekort. En tenen. Neem dus potlood en notitieboekje mee of gebruik een of andere foon. Je zult reizen door een linguïstische doorsnede waarin de taallagen even duidelijk naast elkaar liggen als de aardlagen in een geologisch bodemprofiel. Vergeet nooit: taal hangt samen met sociale klasse, taalgrens is klassengrens. Bij de talen ondergronds horen boven de grond arme of rijke mensen, herenhuizen, kantoren, stedelijk verval.
      Probeer ook de talen te benoemen. In het begin is dat niet al te moeilijk. Frans en Nederlands, uiteraard, maar ook Euroduits, Eurospaans en alle mogelijke brokstukken steenkolenengels. Boven de grond, brede lanen, schaduwrijke parken. Na station Schuman (ga niet naar boven, zelfs een kort verblijf op het Schumanplein beschadigt onomkeerbaar de hersens, dat hebben we bij de onderhandelingen eerder dit jaar gemerkt) krijgen de twee nationale talen van België weer even de overhand, maar dat neemt snel af, zodra de ministeriewijk achter de rug ligt. We naderen station Zwarte Vijvers. Bovengronds, gaten in het wegdek, vuilnis op straat, maar ook nijver klein bedrijf. De stemmen klinken steeds jonger en duiken steeds dieper de kelen in. Arabisch. Berber. Geen Turks, dat is voor een andere lijn, voor andere krotten.
      De donkere jongens en meisjes die de toekomst van Brussel zijn, verven de nationale talen met nieuwe kleuren, maar tegelijk spreken ze ook bij uitstek Belgisch. Hun Frans is niet dat van de Parijse banlieue, hun Nederlands is niet dat van het Amsterdamse Betondorp. Voortdurend duiken nieuwe talen op. Hongaars. Tsjechisch. Roemeens. Pools klinkt al vertrouwd, met zijn dozijn sis-klanken en zijn licht verongelijkte toon. En dan zijn er de talen die je niet zomaar thuis kunt brengen. Steeds meer.

Je hoort expats vaak klagen. Brussel is chaotisch. Niemand voelt zich verantwoordelijk voor de stad. Brussel is een rimboe. Ik spreek hen niet tegen. Daar staat tegenover: Brussel is vrijheid.
      Al vanouds verafschuwt Brussel de ene grote lijn waarvan je niet mag afwijken. Van details echter kan Brussel maar niet genoeg krijgen. Een woord, een gevelsteen, een balkon, een bijnaam.
      Duizenden tonnen baksteen werden tegen de grond gegooid en toch blijven duizenden ingetogen pralende panden overeind. In het bouwen is Brussel, zoals in zijn talen en in zijn bestuur, een principiële bastaard. We verkondigen daar geen ingewikkelde theorieën over, het is gewoon zo. We zijn zinnekes, de bastaardhondjes die alles overleven, en we zijn daar nog trots op ook. Tweejaarlijks trekt de Zinnekeparade dwars door de stad, een jolige explosie van alles wat in Brussel springt, zingt, toetert, danst.

Lees hier het hele stuk

Over de auteur:

Geert van Istendael (Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven. Werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening. Van 1978 tot 1993 was hij journalist bij de televisie-nieuwsdienst van de BRTN (nu VRT). Sedert 1993 is hij zelfstandig schrijver. Hij woont in Brussel en verzint daar verhalen, gedichten, sprookjes, romans en schotschriften.