thema:

Ivar Ch’vavar: Blik op de werkelijkheid

Ivar Ch’vavar (1951) is de spin in een web van 111 heteroniemen. Een spin met zes poten: ch’vavar betekent ‘de krab’ in het Picardische dialect. Een spin die ook zelf een heteroniem is van een naamgever wiens bestaansrecht gereduceerd is tot de ambtelijke molens. Als een ondergronds eenmansdichterscollectief schrijft Ch’vavar in het Frans en het Picardisch, vertaalt hij Franse- en wereldliteratuur (Emily Dickinson, Shakespeare, het Mattheüsevangelie…) in zijn dialect en geeft hij literaire tijdschriften uit die hij met zijn heteroniemen en verwante geesten (zoals Lucien Suel) volschrijft.

Een van zijn belangrijkste publicaties is de bloemlezing Cadavre grand m’a raconté : la poésie des fous et des crétins dans le nord et la Picardie, een kleurrijke, wemelende verzameling literaire ‘art brut’ die met tradities en conventies aan de haal gaat, verwachtingspatronen overboord gooit, en ondanks de vaak tragische biografische notities van de erin opgenomen ‘gekken en idioten’ een enorme dosis humor bevat. Het boek verscheen voor het eerst in 1986, werd in 2005 heruitgegeven, en vorig jaar verscheen een vermeerderde uitgave van maar liefst 528 bladzijden (éd. Le corridor bleu). Dat de auteursnaam op de omslag ‘Ivar Ch’vavar et camarades’ luidt, zou de lezer aan het denken moeten zetten…

Wat men in het Nederlands nogal prozaïsch ‘literaire vervalsing’ noemt heet in het Frans mystification. Het betekent hetzelfde, maar in dit geval dekt deze laatste term de lading toch veel beter, omdat het er niet zozeer om gaat de schrijver aan ons oog te onttrekken, als wel om een heel nieuwe werkelijkheid in het leven te roepen, een wereld die op de site van de uitgever ‘Grande Picardie Mentale’ wordt gedoopt, ‘gefantaseerd tot de hoogste werkelijkheid’. Zelf zegt Ivar Ch’vavar over zijn relatie tot de werkelijkheid:

 

‘De werkelijkheid wordt nooit waargenomen, of heel zelden dan toch… door mij dan! Misschien dat de anderen, of anderen in elk geval, meer geluk hebben dan ik. – Ik heb het hier dus alleen over mijn eigen ervaring.
Als je je in aanwezigheid van de werkelijkheid bevindt, weet je dat. Er is geen twijfel mogelijk. Het is daar, en daardoor ben jij dan ook daar, erin.
Er is niets van plaats veranderd, het is geen andere wereld die zich blootgeeft. Wat zich blootgeeft was er al, maar je zag het niet, niet op die manier, totaal niet op die manier. – Er was een soort slijmerig scherm voor die wereld, dat bestond uit onze manier van denken, onze ideologieën, onze manier van dromen, onze fantasmagorieën (dat komt op hetzelfde neer).
Dat valt allemaal weg, en dan zie je wat er is zoals het is, en dat is veel mooier, veel complexer, veel dieper… dan alles wat we in onze gedachten of onze dromen kunnen verzinnen. En het hangt samen: er is een verbijsterende harmonie van de delen, een magische verbondenheid. Vooral dat valt op.’[1]

 

Die maximale aanwezigheid van de werkelijkheid overheerst ook in Hölderlin au mirador (Hölderlin in de uitkijktoren, Le corridor bleu 2004). Het is een soort epos in zangen, met als bijzonderheid dat het geschreven is in ‘hendeconymische verzen’ (net als Lucien Suel speelt Ivar Ch’vavar graag met formele beperkingen): verzen van elf woorden. Hoewel dat net zo goed woorden van een letter als van zes lettergrepen kunnen zijn, en er dus geen sprake is van regelmaat, wordt de lezer geleidelijk meegesleept in een bezwerend ritme. Nu eens drijven korte woorden en een wat telegrafische stijl de snelheid op, dan weer treedt in meer lyrische passages een contemplatieve vertraging op.

De tekst neemt ons mee met een groepje plattelandsjongens die er in de avondschemer op uitgaan, de (nabije) wereld verkennen, aan seks en meisjes denken, maar ook aan poëzie. De nadruk op zintuiglijke ervaringen – er wordt veel gekeken, gehoord, gevoeld – staat in het teken van een zoeken naar de ruimte van het volledig leven, maar aan het einde van deze proloog blijkt het welslagen van die onderneming allesbehalve zeker:

 

we vinden niet genoeg dwaasheid, we komen er niet achter
of we poëzie hebben gezien, we kunnen ons niet meer herinneren
of we – de werkelijkheid – de materie hebben gezien

 

De wat magische of mystieke sfeer doet denken aan die in De grote Meaulnes, de coming of age klassieker van Alain-Fournier waarin een jonge verteller zijn vriendschap met de wat oudere Meaulnes beschrijft. Dat dit geen toeval is, blijkt uit de passage ‘ik doe mijn “Grand-Meaulnes” vest aan’. Net als de roman van Alain-Fournier laat de tekst van Ch’vavar zich lezen als een avonturenroman, een jongensboek over vriendschap en adolescentie. De rol van Meaulnes wordt hier gespeeld door Wastable, die in het vertaalde fragment een keer genoemd wordt (en wiens naam geen enkel verband heeft met het Nederlandse ‘wastafel’, dit terzijde). Het vervolg van de bundel ontwikkelt zich meer in de richting van een poëtisch-filosofische reflectie. Het verband met Hölderlin zit ‘m in diens Wozu Dichter in dürftiger Zeit? Waarvoor? Ongetwijfeld om ons voor onze televisie met wormmouwen weg te slepen, mee de uitkijktoren op, en ons een goede blik op de werkelijkheid te gunnen.

[1] http://www.terreaciel.net/Ivar-Ch-Vavar-et-la-question#.V8LYNRLQ_cs

Over de auteur:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.