thema:

De kamer in het midden, reeks 1, 2 en 3

Vertaling:

De zwarte 403 rijdt naar het witte huis.

Na de brug waar de oudere kinderen de rivier induiken zetten we het op een schreeuwen.

1.
Het is het terrein van hun gezin, maar het is mijn territorium. Of misschien ligt mijn territorium op hun terrein.

Het zijn mijn bomen mijn dieren de insecten de hagedis. ’s Nachts zoek ik zonder maan met een kaars naar de pad.

De vader van de moeder zegt dat ik blind word als hij in mijn gezicht pist terwijl ik hem aankijk.

Ik kan het kleverige lijfje van de pad goed zien. Ik weet dat hij glibberig is me aankijkt dat hij snel wegspringt.

Ik ben op mijn hoede.

De wijnstokken in de tuin zijn hoger dan wij blauw vol sulfaat niet ver van de rijen bosaardbeien.

De perzikbomen zijn er de tomaten de boontjes de rode en gele pruimen de kersen de kakiboom de zwarte en witte vijgen.

Als ik de vader zie of hem vanuit die auto met de ramen dicht roep.

Wat ik op dat moment op mijn hurken in het gras zogenaamd aan het doen ben lijkt niemand belangrijk en er is niemand die op me let.

De moeder laat de bloeduitstorting zien die van het hoofd naar de lies naar de enkel loopt. Maar de schedel van de vader heeft niet helemaal open gelegen. Dat geloof ik.

De blauwe Ami 6 van de dokter rijdt weg.

Het is te laat om vast te stellen dat er een ander kind is gestorven. Om nog te stoppen met bang zijn dat dat gebeurt.

Ik mag dan behendig zijn je kunt er niet van uitgaan dat ik sterk genoeg ben.

Ik herinner me niet dat ik in deze kelder heb gewacht.

Tante Angèle draagt een netje over het permanent in haar dunne grijs met blauwe haar.

Elke operatie is een keizersnee.

Net als jij eet ik een halve grapefruit met poedersuiker. Terwijl ik best weet dat ik daar niet van hou.

Het huis van mijn dromen ontploft niet.

In het gemeentezwembad besef ik niet dat je kunt zien dat ik naakt ben.

De oude dame redt me niet.

Ze geeft me wat van het rauwe deeg dat ze tussen haar vingers tot slierten rolt voor de strepen op de appeltaart.

Ik weet niet meer of de koelkast tegenover de deur staat of dat ik met mijn rug naar het raam zit.

De avond dat de vader met zijn vuist tegen het beige formica kastdeurtje slaat kruip ik nog.

Of ik begin net te lopen.

Plat op mijn buik lik ik de zwart-witte tegelvloer in het licht van de krassen in de keukendeur.

’s Ochtends lik ik de ouders om ze te troosten.

De zon verwarmt de vloer op dezelfde plek op hetzelfde tijdstip dus als ik wakker ben ga ik er om dezelfde reden zitten met dezelfde onverstoorbare rust.

Ik voel me schuldig over het litteken van weet ik veel wat in het formica. Dat het deels hol was deels bobbelig dat je het niet meer kon zien.

De kast tegen deze muur staat tegenover de deur of tegen de andere muur tegenover het raam.

Misschien kunnen we het geluid van botten helemaal niet horen.

Ik reageer anders dan anders. We houden het schilderij verkeerd om.

De donkere broer in de armen van de moeder lijkt niet op mij maar hij is wees. Zonder het te weten steken we dezelfde weg over.

2.
Met de auto op het breedste punt van Frankrijk van de ene kant naar de andere is de langste enkele reis die er is.

Ik slaap met het eindeloze geluid van de motor op de achtergrond.

We reizen heel vaak heen en terug van het onderste naar het bovenste punt van Frankrijk. De vader huilt op het perron van een van de stations. Jean-Pierre in de trein.

Ik niet.

Ik zie de moeder lachen om zichzelf op wie ze eigenlijk verzot is.

Heel duidelijk met het geluid van de trein op de achtergrond.

We nemen het vliegtuig. Met het mapje dat om onze hals op onze borst hangt lijken we net twee pakketjes.

Ik kruip door de gangen door het gras onder de tafels. In stilte zie ik alles wat voor mij verborgen is.

Op de dag van de begrafenis hoor ik alles wat er wordt gezegd in het huis waarvan het dak boven mijn doodskist wordt voltooid.

De mensen die er waren zijn vandaag goeddeels zelf dood.

Ik heb ze niet anders gekend dan oud.

Met moeite komen ze uit hun nieuwe auto’s het grind op gestapt dat knerpt onder hun schoenen.

Ik ren er op blote voeten heen om zeker te weten dat hun komst een teleurstelling is.

Ze eten allerlei zoete dingen die ze hebben meegebracht die wij niet lekker vinden: kruidkoekjes sinaasappelbiscuitjes zachte fruitsnoepjes kattentongen.

Ze soppen ze in hun koffie en eten rood vlees.

Hun stemmen worden harder en raken vervormd naarmate ze meer drinken.

Ik kan me voeden met de wormen en trek geen vies gezicht bij de naaktslakken. Boven me groeit de wijnstok.

De sperziebonen uit de tuin gaan van het bakje in de saladeschaal. De topjes blijven achter op de opgevouwen pagina’s van La Marseillaise naast de schillen van de knoflook die in de olijfolie is uitgeperst.

Het grootmoedertje staat gebogen over de sperzieboonbedden in de zon.

3.
Met mijn billen in het grind splijt ik met een steen de abrikozenpitten en de amandel eet ik op.

De amandelen uit de perzikpitten zijn juist giftig. Ik weet niet waarom.

Ik buig voorover of de vader buigt voorover uit het raampje om iets van het crèmewitte portier te poetsen. Ik buig net als hij voorover om te kijken.

Ik verstop me achter hem hij weet niet dat ik bang ben.

De dronken man met zijn schipperstrui in de deuropening praat hard. Hij zou ons onmiddellijk moeten vermoorden.

Hij zal ons komen vermoorden. Ik gooi de indeling om zodat ik vanuit het raam alle verdiepingen naar beneden kan klimmen.

Ik heb met één arm alles weggeveegd wat op mijn bureau lag.

Onder de dekens hang ik keer op keer het touw op dat ik niet heb. Ik verzin pijpen vensterbanken waar je aan kunt hangen om op de grond te komen.

Hoe ren ik over het grind?

Ik schreeuw mijn longen uit mijn lijf in de berging waar niemand de lamp aandoet of de deur openmaakt.

De vader van de moeder neemt me in zijn bed in zijn armen. Of het is mijn broer weer die niet donker is of dood.

Door de muur tussen die kamer en de berging heen kan niemand me horen.

Ik loop op blote voeten over het grind. Het zal het begin van de lente zijn. Deze kleurenfoto is genomen door iemand die je niet kunt zien.

Hij ziet niet alles.

Met mijn dubbelganger ren ik rondjes over de speelplaats. De juffrouw geeft ons zomaar snoepjes waar we op goed geluk om vragen. Samen lachen we.

Ik slaap tijdens de langste reis.

Het hele bezoek van de juffrouwen lang blijf ik onder het rieten bankje achter hun benen zitten. Ik ben zes jaar oud.

Over de auteur:

Anne Parian (1964) woont en werkt als kunstenaar en psycholoog in Parijs. Haar werk is zeer divers, ze schrijft gedichten en prozaïsche teksten, maar werkt ook veel met video en geluid. Vanaf 1994 heeft ze diverse titels bij diverse uitgeverijen uitgebracht, waarin doorgaans veel geëxperimenteerd wordt met vorm en stijl.

Over de vertaler:

Eva Wissenburg (1990) koestert een diepe liefde voor taal, literatuur en filosofie. Ze studeerde Frans en Literair Vertalen in Utrecht en is sinds 2014 werkzaam als literair vertaler. Het liefst vertaalt ze teksten die zich op het snijvlak van literatuur en filosofie bevinden en daarnaast laat ze zich graag verrassen door het experiment.