thema:

De kegel – deel I

Vertaling:

De avond was warm en nevelig, de hemel roodgerand van de dralende, midzomerse zonsondergang. Ze zaten aan het open venster in de verbeelding dat de lucht daar koeler was. De donkere gestalten van de bomen en heesters stonden stram in de tuin; erachter, op de rijweg, brandde een gaslantaarn fel oranje tegen het heiige nachtblauw. Verder weg lichtten de drie lampen van het spoorsein op tegen het krimpende uitspansel. De man en vrouw praatten met elkaar op gedempte toon.
‘Hij vermoedt niets?’ vroeg de man lichtelijk nerveus.
‘Hij niet,’ zei ze verongelijkt, alsof ook dat haar irriteerde. ‘Hij denkt aan niets
anders dan de fabriek en de brandstofprijzen. Hij heeft geen fantasie, geen poëzie.’

‘Geen van de ijzermannen heeft dat,’ zei hij hoogdravend. ‘Ze hebben geen hart.’
‘Híj heeft geen hart,’ zei ze. Ze draaide haar ontevreden gezicht naar het raam.
Het bulderende geraas in de verte kwam dichterbij en nam in volume toe; het huis trilde; je hoorde het metalige ratelen van de tender. Bij het passeren van de trein scheen er een felle gloed boven de holle weg en dreef er een rookwolk langs; een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht zwarte rechthoeken – acht vrachtwagons – passeerden over het doffe grijs van het talud en verdwenen één voor één in de mond van de tunnel, die trein, rook en geluid in één abrupte gulp opslokte, tot en met de laatste wagon.
‘Ooit was het landschap hier zo ongerept en mooi,’ zei hij, ‘en nu… Gehenna. Die kant op… niets dan fabrieken en schoorstenen die rook en roet de hemel in braken… Maar wat doet het ertoe? Het einde is in zicht, er komt een eind aan al dit geweld… m-o-r-g-e-n.’ Het laatste woord sprak hij op fluistertoon uit.
‘M-o-r-g-e-n,’ fluisterde ook zij, nog altijd met haar blik buiten het raam.
‘Lieveling!’ zei hij, en hij legde zijn hand op de hare.
Geschrokken draaide ze zich naar hem toe, hun ogen zochten elkaar. Haar blik verzachtte toen ze de zijne ontmoette. ‘Mijn liefste!’ zei ze, en toen: ‘Het is zo onwerkelijk… dat jij zomaar in mijn leven gekomen bent… om voor mij…’ Ze zweeg.
‘Om voor jou…?’
‘Deze prachtige wereld…,’ ze aarzelde even en zei toen op nog zachtere toon: ‘deze prachtige wereld van liefde te openen.’
Op dat moment viel plotseling de deur met een klik dicht. Allebei draaiden ze hun hoofd om en hij deinsde achteruit. In de schaduw van de kamer stond een rijzige schim, zonder iets te zeggen. Vaag ontwaarden ze in het schemerlicht het gezicht, de uitdrukkingsloze donkere vlekken onder de gebogen wenkbrauwen. Op slag was elke spier
in Rauts lichaam gespannen. Wanneer kon de deur zijn opengegaan? Wat had hij gehoord? Had hij alles gehoord? Wat had hij gezien? Een wirwar van vragen.

Na een stilte die oneindig leek te duren klonk eindelijk de stem van de nieuwkomer.
‘Ja?’ vroeg hij.
‘Ik was al bang dat ik u was misgelopen, Horrocks,’ zei de man bij het raam, terwijl
zijn hand steun zocht bij de vensterbank. Zijn stem klonk onvast.

De lompe gestalte van Horrocks stapte uit de schaduw tevoorschijn. Hij reageerde niet
op Rauts opmerking. Even torende hij boven hen uit.

De vrouw voelde haar hart verijzen. ‘Ik vertelde meneer Raut juist dat je misschien nog even terug zou komen,’ sprak ze zonder ook maar de geringste trilling in haar stem.
Zwijgend plofte Horrocks neer in de stoel naast haar naaitafeltje. Zijn grote handen
waren tot vuisten gebald; onder de schaduw van zijn wenkbrauwen kon je zijn ogen nu zien vonken. Hij probeerde rustig te ademen. Zijn ogen gleden van de vrouw die hij had vertrouwd naar de vriend die hij had vertrouwd en toen weer terug naar
de vrouw.

Intussen en voor even begrepen ze elkaar half. Toch durfden ze geen van drieën iets te zeggen om de verstikkende spanning te temperen.
Het was de stem van de echtgenoot die ten slotte de stilte verbrak.
‘U kwam voor mij?’ vroeg hij Raut.
Raut schrok onwillekeurig. ‘Ik kwam voor u,’ beaamde hij, vastbesloten de leugen tot
het einde toe vol te houden.

‘Ja,’ zei Horrocks.
‘U had beloofd,’ zei Raut, ‘mij de mooie effecten van maanlicht en rook te laten zien.’
‘Ik had beloofd u de mooie effecten van maanlicht en rook te laten zien,’ herhaalde
Horrocks toonloos.

‘En ik hoopte u vanavond voor uw vertrek naar de fabriek nog te treffen,’ vervolgde
Raut, ‘zodat ik met u mee kon.’

Weer viel er een stilte. Was de man voornemens het kalm op te vatten? Was hij er
eindelijk achtergekomen? Hoelang was hij al in de kamer? Maar zelfs toen ze de deur hoorden was hun houding…

Horrocks keek even naar het profiel van de vrouw, ontdaan van kleur in het halflicht.
Toen keek hij naar Raut en leek hij zich plotseling te vermannen. ‘Dat is waar ook,’ zei hij, ‘ik had beloofd u de fabriek te laten zien onder de meest dramatische omstandigheden. Vreemd dat dat me ontschoten was.’

‘Als het u niet schikt…’ begon Raut.
Horrocks veerde op. Plotseling schitterde er iets in de broeierige melancholie van
zijn ogen. ‘Integendeel,’ zei hij.

‘Had je meneer Raut verteld over de contrastwerking tussen vlam en schaduw die je zo mooi vindt?’ vroeg de vrouw met een stem die net een halve noot hoger was dan normaal. Nu haar zelfvertrouwen langzaam terugkroop, durfde ze haar man voor het eerst aan te kijken. ‘Die afschuwelijke theorie van je dat machines mooi zijn en al het andere in de wereld lelijk. Ik dacht al dat hij u ermee zou lastigvallen, meneer Raut. Het is zijn grote theorie, zijn enige ontdekking in de kunsten.’

‘Ik ben nogal traag in mijn ontdekkingen,’ zei Horrocks grimmig om haar de mond te snoeren. ‘Maar als ik iets ontdek…’ Hij maakte zijn zin niet af.
‘Ja?’ vroeg ze.
‘Laat maar.’ En abrupt kwam hij overeind uit zijn stoel.
‘Ik had beloofd u de fabriek te laten zien,’ zei hij tegen Raut terwijl hij zijn grote
plompe hand op de schouder van zijn vriend legde. ‘Bent u klaar om te gaan?’

‘Jazeker,’ zei Raut, en hij stond ook op.
Weer viel er een stilte. Ieder tuurden ze door het duister van de schemering naar de
andere twee. Horrocks’ hand rustte nog op Rauts schouder. Raut beeldde zich nog half in dat het voorval onbeduidend was. Maar mevrouw Horrocks kende haar man beter, kende die grimmige kalmte in zijn stem, en tot haar verwarring drong de gedachte aan lichamelijk onheil zich op. ‘Goed dan,’ zei Horrocks, en hij liet zijn hand vallen en liep naar de deur.

‘Mijn hoed?’ Raut keek om zich heen in het schemerdonker.
‘Dat is mijn naaimandje,’ zei mevrouw Horrocks met een hysterisch uitschietende lach. Hun handen kwamen samen op de rugleuning van de stoel. ‘Hier is-ie!’ zei hij. Ze voelde een aandrang hem op gedempte toon te waarschuwen, maar ze kon niet verzinnen hoe. Ze aarzelde tussen ‘Ga niet!’ en ‘Wees op je hoede!’ en de gelegenheid was voorbij.
‘Hebt u ’m?’ zei Horrocks, met de deur al halfopen.
Raut zette een stap in zijn richting. ‘Vergeet niet mevrouw Horrocks gedag te zeggen,’
zei de ijzerfabrikant, op nog grimmiger en kalmer toon dan eerst.

Raut bleef staan en draaide zich om. ‘Goedenavond, mevrouw Horrocks,’ zei hij, en hun handen raakten elkaar aan.
Horrocks hield de deur open met een voor hem jegens mannen ongewone hoffelijkheid. Raut verliet de kamer, gevolgd door haar man, die haar eerst nog zwijgend een blik toewierp. Roerloos bleef ze staan terwijl Rauts lichtere stap en de zware tred van haar man zich samen, als een bas en een sopraan, door de gang verwijderden. Met een dreun sloeg de voordeur dicht. Ze liep met langzame pas naar het raam en bleef daar staan kijken – licht voorover geleund. Even waren de twee mannen zichtbaar bij de poort aan de straat, toen liepen ze onder de straatlantaarn door en verdwenen achter de zwarte massa van het struikgewas. Een kort moment viel het lantaarnlicht op hun gezichten, maar daarop waren slechts betekenisloze lichte vlekken te zien, niets van wat zij nog steeds vreesde, dat haar vertwijfelde en dat ze vergeefs verlangde te weten. Toen liet ze zich in de grote leunstoel zakken, dook in elkaar en staarde met haar ogen wijd open naar het rode schijnsel van de smeltovens dat aan de hemel flikkerde. Een uur later zat ze er nog, haar houding was amper veranderd. (wordt vervolgd)

Over de auteur:

Herbert George Wells (1866-1946) was een Britse schrijver van sciencefictionverhalen en sciencefictionromans. Hij publiceerde onder meer The Time Machine (1895), The Island of Doctor Moreau (1896),The War of the Worlds (1898) en The Invisible Man (1897), The First Men in the Moon (1901) en The Sleeper Awakes (1910).

Over de vertaler:

Caroline Meijer (1962) is vertaler en redacteur. Zij vertaalde romans en verhalen van onder meer Patrick deWitt, Siri Hustvedt, John O’Hara, Rebecca Lee, Miroslav Penkov, Dara Horn, Elisa Albert en Susan Steinberg.