thema:

De kegel – deel II

Vertaling:

De benauwende stilte van de avond drukte zwaar op Raut. Zij aan zij liepen ze zwijgend
over de weg en zwijgend sloegen ze de zijweg van sintels in die weldra uitzicht
zou bieden op het dal.
Een blauwe nevelsluier, half stof, half mist, gaf het langgerekte dal een mysterieus
aanzien. Aan het eind ervan tekenden zich vaag de grijze, donkere contouren van de
stadjes Hanley en Etruria af, met schaarse gouden stippels van straatlantaarns en hier
en daar een door een gaslamp verlicht venster of de gele gloed van een drukbezochte
pub of van een fabriek die op dit late uur nog in bedrijf was. Uit de contouren stak,
goed waarneembaar en slank tegen de avondhemel, een veelheid van lange fabrieksschoor-
stenenomhoog, de meeste stinkend, enkele zonder rook omdat het werk door
stakingen plat lag. Hier en daar gaven vage vlekken en spookachtige bijenkorfvormen
de plaats aan van een porseleinfabriek, of markeerde een wiel, dat zwart en scherp
afstak tegen de gloed boven de horizon, een kolenmijn waar de regenboogkleurige
kolen van de regio aan de oppervlakte werden gebracht. Dichterbij was de brede
spoorbaan, waarover half onzichtbare treinen heen en weer pendelden – een doorlopend
gepuf en gerammel, want elke rit ging met een galmende dreun gepaard en met
een ritmische reeks stoten, waarbij met tussenpozen witte wolkjes stoom opstegen en
langzaam wegdreven in het brede zichtveld. En links, tussen het spoor en de donkere
massa van de lage heuvel erachter, werd het panorama overheerst door de kolossale
cilinders van de Jeddah Company Hoogovens – inktzwart en bekroond door rook en
grillige vlammen –, de belangrijkste bouwwerken van de grote ijzerfabriek waarvan
Horrocks directeur was. Zwaar en dreigend stonden ze daar, tot de nok toe gevuld
met een zee van vlammen en ziedend gesmolten ijzer. Aan de voet ervan ratelden de
walsstraten en sloeg de stoomhamer zwaar waardoor witte ijzervonken herwaarts
en derwaarts spatten. Juist op dat moment werd een lading brandstof in een van de
kolossen gestort; de rode vlammen laaiden op en een wirwar van rook en roet wolkte
hemelwaarts.

‘Uw smeltovens zorgen inderdaad voor prachtige kleureffecten,’ zei Raut, en hij
onderbrak daarmee een stilte die intussen ongemakkelijk geworden was.

Horrocks bromde. Met zijn handen in zijn zakken en een frons op zijn voorhoofd
stond hij naar het zwakjes dampende spoor en de bedrijvige ijzerfabriek erachter te
kijken, met een frons alsof hij een ingewikkeld probleem overdacht.

Raut wierp een blik op hem en keek toen weer weg. ‘Al is uw maanlichteffect op dit
moment nog nauwelijks voldragen te noemen,’ vervolgde hij met een blik omhoog.
‘Het maanlicht verfletst nog in de laatste restjes daglicht.’

Horrocks staarde hem aan met de uitdrukking van iemand die plotseling wakker
geworden is. ‘Laatste restjes daglicht? … Ach ja, natuurlijk.’ Ook hij keek op naar de
maan, die nog wat bleekjes aan de midzomerhemel stond. ‘Kom mee,’ zei hij abrupt,
en hij greep Raut bij de arm en trok hem mee naar het pad dat vlak voor hen omlaag
leidde naar het spoor.

Raut verzette zich. Hun ogen ontmoetten elkaar en zagen in een flits duizend dingen
die ze als het ware al uitdrukten. Horrocks verstevigde zijn greep en ontspande
toen zijn hand. Hij liet los, en voordat Raut er erg in had, liepen ze arm in arm over het
pad omlaag, zij het een van beiden tegen zijn zin.

‘U moet het mooie effect van de spoorseinen in de richting van Burslem nog zien,’
zei Horrocks ineens gemoedelijk, en hij zette er flink de pas in terwijl hij ondertussen
zijn arm steviger tegen zich aan klemde. ‘Allemaal kleine groene lichtjes en rode en
witte lampen die oplichten in de mist. U hebt oog voor effect, Raut. Het is een mooi
effect. En moet u die smeltovens van me zien, hoe ze voor ons opdoemen nu we de
heuvel af lopen. De rechter is mijn oogappel – met zijn ruim twintig meter. Ik heb hem
zelf volgestouwd en hij kookt al vijf lange jaren vrolijk door met ijzer in zijn binnenste.
Ik heb er een bijzondere voorliefde voor. Die rode streep daar – een prachtig warm
oranje zou u het noemen, Raut – dat zijn de puddelovens, en daar, in dat felle licht,
drie zwarte vormen – zag u zo-even de witte vonken van de stoomhamer? – dat is de
walserij. Kom mee! Kleng, kletter, hoe dat over de vloer davert! Dun als een laken,
Raut – wonderbaarlijk spul. Spiegelglas is er niets bij als dat spul uit de walserij komt.
En bam! – daar slaat de hamer weer. Kom mee!’

Hij moest ophouden met praten om op adem te komen. Zijn arm zat zo strak om die
van Raut gehaakt dat hij hem niet meer voelde. Hij was als een bezetene het zwarte
pad naar het spoor afgedaald.

Raut had geen woord gezegd, had zich eenvoudig met alle macht verzet tegen
Horrocks poging hem mee te trekken.

‘Zeg, Horrocks,’ zei hij nu nerveus lachend maar met een lichte sneer in zijn stem,
‘waarom in vredesnaam knijpt u mijn arm af en sleurt u me zo mee?’

Eindelijk liet Horrocks hem los. Weer veranderde zijn houding. ‘Kneep ik uw arm
af?’ zei hij. ‘Excuses. Nota bene bent u degene van wie ik die vriendschappelijke
manier van lopen heb geleerd.’

‘Dan moet u zich nog bekwamen in de finesses ervan,’ zei Raut, en hij lachte geforceerd.
‘Goeie god! Ik ben bont en blauw.’

Horrocks verontschuldigde zich verder niet. Ze waren bijna aan de voet van de
heuvel gekomen, vlak bij het hek langs het spoor. Nu ze er dichter in de buurt stonden
leek de ijzerfabriek veel groter en uitgestrekter. Ze keken tegen de blaasovens op in
plaats van erop neer; Etruria en Hanley waren uit zicht verdwenen toen ze de heuvel
afdaalden. Vóór hen, naast de overstap over het hek, stond een bord met daarop, half
verscholen onder roetige modderspatten, de nauwelijks leesbare woorden: ‘Pas op!
Treinen!’

‘Mooie effecten,’ zei Horrocks, en hij spreidde zijn arm. ‘Daar nadert een trein.
Wolkjes stoom, oranje gloed, het ronde oog van de koplamp, het melodieuze voortdenderen.
Mooie effecten! Maar die ovens van mij waren vroeger veel mooier, voordat we kegels
in hun monden propten om de gasuitstoot te beperken.’

‘Hoe dan?’ vroeg Raut. ‘Kegels?’
‘Kegels, beste man, kegels. Ik zal u er van dichtbij een laten zien. Vroeger sloegen
de vlammen eruit, enorme – hoe zal ik het zeggen? – wolkenkolommen van rode en
zwarte rook overdag en vuurkolommen ’s nachts. Nu voeren we het gas af door pijpen,
we verbranden het om de oven te verhitten en de bovenkant is afgesloten met een
kegel. Die kegel zal je interesseren.’

‘Toch verschijnt er zo nu en dan een stoot vuur en rook daarboven,’ merkte Raut op.
‘De kegel zit niet vast, hij hangt met een ketting aan een hefboom en wordt in balans
gehouden door een tegengewicht. Van dichterbij zult u het wel zien. Anders zou er
uiteraard ook geen brandstof kunnen worden toegevoegd. Af en toe wordt de kegel
even neergelaten en dan slaan die vlammen naar buiten.’

‘Ik snap het,’ zei Raut. Hij keek over zijn schouder. ‘De maan schijnt al feller.’
‘Kom,’ zei Horrocks kortaf, en hij pakte hem weer bij zijn schouder en trok hem
haastig mee naar de spoorwegovergang. En toen gebeurde er iets dat zo onverwacht
en heftig was maar zo snel verliep dat je er in vertwijfeling achteraf nog van duizelt.
Halverwege de oversteek klemde Horrocks’ hand hem plotseling als een handschroef
vast en drukte hem in een halve draai achterover, zodat hij recht over de rails keek.
Een lange stoet verlichte wagonraampjes die op hen af stoof schoof snel in elkaar, de
rode en gele lampen van de locomotief werden groter en groter en joegen op hen af.
Terwijl tot hem doordrong wat dit betekende, draaide hij zijn gezicht naar Horrocks
en probeerde zich met al zijn kracht te ontworstelen aan de arm die hem tussen de
rails hield. Het gevecht duurde maar een flits van een seconde. Zo zeker als het was
dat Horrocks hem daar had neergedrukt, zo zeker was het dat hij met geweld buiten
gevaar was gesleurd.

‘Aan de kant,’ zei Horrocks met stokkende adem. De trein denderde langs terwijl
ze hijgend voor de fabriekspoort stonden.

‘Ik zag hem niet aankomen,’ zei Raut, die in weerwil van zijn eigen voorgevoel zijn
best deed om de schijn van een normale omgang op te houden.

Horrocks antwoordde met een grom. ‘De kegel,’ zei hij, en vervolgens, als iemand
die zelf bijkomt van een schok, ‘ik dacht al dat u hem niet hoorde aankomen.’

‘Ik hoorde hem inderdaad niet,’ zei Raut.
‘Ik had u voor geen goud willen laten overrijden,’ zei Horrocks.
‘Ik schrok me dood,’ zei Raut.
Horrocks bleef een lang ogenblik staan, draaide zich vervolgens abrupt om naar
de ijzerfabriek. ‘Zie hoe prachtig ze erbij liggen in het donker, mijn grote hopen, de
slakkenbergen! Die vulwagen verderop, daarboven! Omhoog gaat die en kiept de
sinter uit. Moet u de zinderende rode massa van de helling zien glijden. Zodra we er
dichterbij zijn, is de hoop zo hoog dat de ovens erachter verdwijnen. Zie het sidderen
boven de grootste. Niet die kant op! Hierlangs, tussen de hopen door. Dat is de weg
naar de puddelovens, maar ik wil u eerst het kanaal laten zien.’ Hij stapte naar Raut
toe en pakte hem bij de elleboog, en dus liepen ze weer zij aan zij. Raut reageerde
afwezig op Horrocks. Wat, vroeg hij zich af, was er nu precies op het spoor gebeurd?
Maakte hij zichzelf iets wijs en waren het waanideeën of had Horrocks echt geprobeerd
hem in de baan van de trein vast te pinnen? Had het maar een haar gescheeld
of was hij vermoord?

Over de auteur:

Herbert George Wells (1866-1946) was een Britse schrijver van sciencefictionverhalen en sciencefictionromans. Hij publiceerde onder meer The Time Machine (1895), The Island of Doctor Moreau (1896),The War of the Worlds (1898) en The Invisible Man (1897), The First Men in the Moon (1901) en The Sleeper Awakes (1910).

Over de vertaler:

Caroline Meijer (1962) is vertaler en redacteur. Zij vertaalde romans en verhalen van onder meer Patrick deWitt, Siri Hustvedt, John O’Hara, Rebecca Lee, Miroslav Penkov, Dara Horn, Elisa Albert en Susan Steinberg.