thema:

De kegel – deel III

Vertaling:

Stel je voor dat dit gluiperige monster met zijn chagrijnige smoel wel degelijk iets
doorhad? Een lang moment vreesde Raut werkelijk voor zijn leven, maar hij dwong
zichzelf rationeel te blijven en de angst ebde weg. Tenslotte had Horrocks misschien
helemaal niets opgevangen. Hoe het ook zij, hij had hem op tijd van de spoorbaan
getrokken. Zijn vreemde gedrag kwam wellicht louter voort uit een vaag gevoel van
jaloezie waarvan hij al eerder blijk had gegeven. Hij had het nu over de ashopen en
het kanaal. ‘En?’ vroeg Horrocks.

‘Wat? Nou en of!’ zei Raut. ‘Die nevel in het maanlicht. Mooi!’
‘Ons kanaal,’ zei Horrocks, en hij hield zijn pas in. ‘Ons kanaal bij maanlicht en
de gloed van de vlammen geeft een heel mooi effect. Nooit aanschouwd? Niet te
geloven! U brengt te veel van uw avonden op vrijersvoeten door daar in Newcastle. Ik
zal u zeggen, voor echt opvallende effecten… Maar u zult wel zien. Kokend water…’

Toen ze het labyrint van slakkenhopen en bergen steenkool en erts achter zich lieten,
werden ze overvallen door het luide kabaal van de walserij, vlakbij en oorverdovend.
Drie schimmige werkmannen liepen voorbij en tikten aan hun pet om Horrocks
te groeten. Hun gezichten waren in de duisternis niet te onderscheiden. Raut voelde
een loze impuls hen aan te spreken, maar voordat hij een zin had kunnen formuleren,
waren ze al in de schaduwen verdwenen. Horrocks wees naar het kanaal dat nu
vlak voor hen lag: het zag er griezelig uit, met de bloedrode weerspiegeling van de
ovens. Het water waarmee de windleidingen waren gekoeld kwam erin uit, zo’n vijftig
meter verderop – een woelige, bijna kokende stroom, waaruit in stille witte kringels
en slierten stoom opsteeg, die dampig om hen heen sloeg, als een doorlopende stoet
spoken die uit de zwarte en rode mistwervelingen tevoorschijn trad, een witte revolte
die het hoofd deed duizelen. Verderop rees de glimmend zwarte toren van de grootste
hoogoven op uit de mist en vulde hun oren met zijn keiharde kabaal. Raut bleef uit de
buurt van de waterrand en hield Horrocks scherp in de gaten.

‘Hier is hij rood,’ zei Horrocks, ‘bloedrode damp zo rood en heet als de zonde,
maar een eindje verder, waar het maanlicht erop valt en hij over de slakkenhopen
drijft, is hij wit als de dood.’

Raut keek even opzij maar draaide snel zijn hoofd terug om Horrocks in de gaten
te houden. ‘Kom mee naar de walsstraten,’ zei Horrocks. Zijn dwingende greep was
op dat moment wat minder nadrukkelijk en Raut voelde zich enigszins gerustgesteld.
Maar toch, wat bedoelde Horrocks in vredesnaam met ‘wit als de dood’ en ‘rood als
de zonde?’ Toeval, misschien?

Ze liepen langs de puddelaars, waar ze een poosje bleven kijken, en toen door
de walsstraat, waar onder onophoudelijk gedreun de stoomhamer gestaag het sap
uit het vochtrijke ijzer stampte en zwarte, halfnaakte titanen de kneedbare plakken
als hete zegelwas door de rollers joegen. ‘Kom mee,’ schreeuwde Horrocks in Rauts
oor, en ze liepen tot achter de blaaspijpen, gluurden door het kijkglaasje en zagen
de kolkende vlammen onderin de hoogoven zieden. Het maakte je voor even blind
aan één oog. Terwijl er groene en blauwe vlekken door het donker dansten, liepen ze
vervolgens naar de lift die de vulwagens met erts, brandstof en kalk omhoog transporteerde
naar de mond van de grote cilinder.

Eenmaal op de smalle reling boven de oven werd Raut opnieuw bevangen door
twijfel. Was het verstandig hier te zijn? Als Horrocks iets wist – alles wist! Hoe hij zijn
best ook deed, hij kon een ernstig beven niet bedwingen. Loodrecht naar beneden
gaapte een diepte van meer dan twintig meter. Het was hier levensgevaarlijk. Ze
moesten zich langs een vulwagen wringen om het topbordes te bereiken. De stank van
de oven, een zwavelige damp doorstreept met een scherpe, bittere zweem, leek de
heuvel boven Hanley in de verte te doen trillen. Half boven de einder, waar de glooiende
bosrijke contouren van Newcastle zichtbaar waren, kwam de maan nu vanachter
een wolkenmassa tevoorschijn. In de diepte stroomde het dampende kanaal onder
een moeilijk te onderscheiden brug bij hen vandaan en verdween in de schimmige
nevel boven de vlakke velden richting Burslem.

‘Dit is de kegel waarover ik u vertelde,’ schreeuwde Horrocks, ‘met daaronder een
kolom van twintig meter vuur en gesmolten metaal, waar de lucht uit de windleiding
doorheen borrelt als gasbellen in sodawater.’

Raut hield zich stevig aan de leuning vast en keek omlaag naar de kegel. De hitte
was intens. Horrocks’ stem werd donderend begeleid door het kokende ijzer en het
kabaal van de luchttoevoer. Maar er was nu geen weg meer terug. Misschien dat…

‘In de kern,’ brulde Horrocks, ‘is de temperatuur bijna duizend graden. Als ú erin
geworpen zou worden… zou u vlam vatten als een snufje buskruit dat in een kaarsvlam wordt
gegooid. Steek uw hand uit en voel die hete adem. Stel je voor, zelfs hierboven heb ik het
regenwater kokend van de vulwagens zien sissen. En die kegel daar. Die is echt te heet om
een broodje boven te roosteren. Aan de bovenkant is hij meer dan driehonderd graden.’

‘Driehonderd graden?’ herhaalde Raut.
‘Let wel, driehonderd Celsius!’ zei Horrocks. ‘Binnen de kortste keren is het bloed
uit je lijf gekookt.’

‘Eh?’ zei Raut, en hij draaide zich om.
‘Kookt het bloed binnen in je lijf… Nee, waag het niet!’
‘Laat me los!’ riep Raut. ‘Laat mijn arm los!’
Met één hand greep hij zich vast aan de leuning, toen met beide handen. Heel even
stonden beide mannen te wankelen. Toen ineens had Horrocks hem met een harde
ruk van zijn houvast losgetrokken. Hij graaide naar de man maar greep mis, zijn voet
gleed achterwaarts het luchtledige in; halverwege zijn vrije val wentelde hij zich nog
om en toen raakten wang en schouder en knie tegelijkertijd de hete kegel.

Hij klampte zich vast aan de ketting waaraan de kegel bevestigd was en het gevaarte
zakte een fractie van een centimeter omlaag. Een kring gloeiend rood opende
zich onder hem en een vlammentong die aan de vuurzee daaronder ontsnapte flakkerde
naar hem op. Een vlijmende pijn schoot door zijn knieën en hij kon het verschroeien
van zijn handen ruiken. Hij krabbelde overeind en probeerde langs de ketting omhoog te
klimmen, en toen sloeg er iets tegen zijn hoofd. Zwart en stralend in de maneschijn rees
de wand van de oven rondom hem omhoog.

Horrocks, zag hij, stond boven hem naast een van de vulwagens met brandstof op
de reling. De gebarende gestalte, helder en wit in het maanlicht, schreeuwde: ‘Brand,
dwaas die je bent! Brand, vrouwenjager! Vurig hondsvot! Kook! kook! kook!’

Toen schepte hij een handvol kolen uit de vulwagen en smeet ze een voor een naar
Raut.

‘Horrocks!’ gilde Raut. ‘Horrocks!’
Jammerend hing hij aan de ketting en probeerde zich boven de gloeiend hete
kegel op te trekken. Elk projectiel dat Horrocks hem toesmeet was raak. Zijn kleren
schroeiden en smeulden en terwijl hij vocht voor zijn leven, zakte de kegel omlaag
en bulkte er een wolk zengend heet verstikkend gas naar buiten die hem rondom verbrandde
als een razendsnelle vlammenadem.

Hij verloor zijn menselijke gestalte. Toen het kortstondige rood voorbij was, zag
Horrocks een verschroeide, verkoolde gestalte, het hoofd gestreept met bloed, die
zich nog steeds graaiend aan de ketting vastklampte, kronkelend van pijn – een sintelachtig
wezen, een onmens, een monsterlijk gedrocht dat snikkend een hortende gil slaakte.

De aanblik deed de woede van de ijzerfabrikant op slag verdwijnen. Een gruwelijke
misselijkheid maakte zich van hem meester. De wrange geur van brandend vlees
drong zijn neusgaten binnen. Zijn gezond verstand keerde in hem terug.

‘God, heb mededogen met mij!’ riep hij. ‘O God! Wat heb ik gedaan?’
Hij wist dat het ding daar beneden, al bewoog het nog en had het nog gevoelens,
al een dode man was – dat het bloed van de arme stakker in zijn aderen aan het koken
was. Een intens besef van die marteling drong tot hem door en overheerste alle andere
gevoelens. Een kort moment bleef hij besluiteloos staan, toen draaide hij zich om naar
de vulwagen, kiepte de inhoud ervan haastig over het worstelende ding dat ooit een
man geweest was. De massa viel met een plof neer en rolde uit over de kegel. Met de
plof kwam er een eind aan het gillen en een ziedende wirwar van rook, stof en vlammen
wolkte naar hem op. Toen die vervlogen was, zag hij de lege bovenkant van de kegel weer.

Vervolgens wankelde hij achteruit, klampte zich met beide handen aan de leuning
vast en bleef daar trillend staan. Zijn lippen bewogen, maar ze brachten geen woorden
voort.

Van beneden klonk het geluid van stemmen en rennende voetstappen. Het kletteren
van de walsen in de loods brak plotseling af.

Over de auteur:

Herbert George Wells (1866-1946) was een Britse schrijver van sciencefictionverhalen en sciencefictionromans. Hij publiceerde onder meer The Time Machine (1895), The Island of Doctor Moreau (1896),The War of the Worlds (1898) en The Invisible Man (1897), The First Men in the Moon (1901) en The Sleeper Awakes (1910).

Over de vertaler:

Caroline Meijer (1962) is vertaler en redacteur. Zij vertaalde romans en verhalen van onder meer Patrick deWitt, Siri Hustvedt, John O’Hara, Rebecca Lee, Miroslav Penkov, Dara Horn, Elisa Albert en Susan Steinberg.