thema:

Kleine encyclopedie van een dode

Hij had het halflange, opstandige haar van een man die altijd jongen gebleven is en opgroeide in een tijd waarin je zo’n wilde bos haar niet meer met een hoornen kam en brillantine plat hoefde te krijgen, wat de norm was in de jaren voor de oorlog, zoals op de foto’s van zijn stropdas en halsboord dragende vader valt te zien. Zijn blik is peinzend en melancholiek. Een goede zanger was hij, net als James Joyce, en een charmeur. ‘Op jouw foto zie ik eruit als Sophia Loren’, riep hij de fotografe van zijn bekendste auteursportret toe. Hij had een lichte inkeping in zijn kin en een boksersneus. Vaker dan aan zijn bureau, met in zijn rug de witte Olympia typemachine, zie je hem op foto’s aan een rond Parijs bistrotafeltje zitten, of anders aan een vierkante Joegoslavische terrastafel van formica. Pratend, rokend, koffie drinkend, voor zich uit starend – de verhalen overdenkend die hij op had kunnen schrijven, als hij dat had gewild, als hij daar de tijd voor had genomen. Zijn definitie van geluk: aan een cafétafel zitten met een drankje onder handbereik.

 

*

 

Danilo Kiš zag het levenslicht in 1935, in Subotica, een stadje dat in de loop van eeuwen onder Turks, Oostenrijks en Joegoslavisch bewind viel en vandaag de dag in Servië ligt. Zijn vader was een Hongaarse Jood, zijn moeder Montenegrijns en christen. Vier jaar na zijn geboorte werd de jongen, samen met zijn oudere zus Danica, volgens de riten van het orthodoxe geloof gedoopt. Zijn ouders hoopten dat de kinderen zo gevrijwaard zouden blijven voor het opflakkerende antisemitisme. Na de pogrom van Novi Sad, in 1942, verhuisde het gezin naar de geboortestreek van de vader in het zuidwesten van Hongarije, in een volgende poging aan het volksgeweld te ontkomen. Dat lukte, ten dele. De kinderen en de moeder overleefden de oorlog, maar Eduard, de vader van de jonge Kiš, werd  in 1944 weggevoerd en in Auschwitz vermoord.

Beginnend bij de brief die zijn vader kort voor zijn deportatie aan zijn zus verstuurde, schreef Kiš Zandloper (1972), een roman over de vaderfiguur – een sappelende spoorwegambtenaar in het bezit van een gezonde eetlust en een melancholische geilheid; deze man zou een neef van Leopold Bloom kunnen zijn. Het verhaal reconstrueert het leven van de vader in de maanden voorafgaand aan zijn verdwijning. Er worden vragen gesteld en antwoorden gegeven, zoals dat gebeurt in hoofdstuk zeventien van Ulysses. Zandloper heeft een joyceaans oog voor menselijke nietigheden: observaties, ongecensureerde gedachten, fantasieën en het volwassen verlangen naar een beter bestaan. Als het slot van het boek neemt Kiš de brief uit 1944 op. De wanhopige Eduard concludeert dat het beter is te behoren tot de vervolgden dan tot de vervolgers,  en spreekt vervolgens de hoop uit dat zijn overpeinzingen ooit door zijn zoon wereldkundig zullen worden gemaakt.

1944 is het jaar waarin de negenjarige Danilo begint met  schrijven. Het zijn in het Hongaars opgeschreven gedichten, het ene gaat over honger, het andere over de liefde.

In zijn eerste roman Tuin, as (1965) probeert Kiš zijn kindertijd leven in te blazen. In vergelijking met zijn latere werk is de vorm van die roman relatief conventioneel: een zoektocht naar de verloren tijd, verteld vanuit het perspectief van een jongen die Andi Sam heet. Andi wil ’s avonds in bed de Engel van de Slaap betrappen, door net vóór het moment van indommelen een beweging met zijn hoofd te maken. Wanneer het hem lukt de Engel aan het werk te zien, zal hij in staat zijn ook het gevecht met de dood aan te gaan.

De jonge Andi koestert een hevige begeerte naar Júlia, het slimste meisje van de klas. Hij besluit haar te veroveren, puttend uit de schat van woorden die hij leert in de bioscoop en die hij tegenkomt in de rij van verboden boeken die bij zijn oom in de kast staan. Tijdens het verstoppertje spelen, wanneer ze samen in de hooiberg liggen, overtuigt hij het meisje van haar ‘volledige onwetendheid’ over het leven dat ze leidt. Het is een pure bluf, dat weet hij best, maar ze lijkt er geloof aan te willen hechten. Zijn woorden werken! De twee ontmoetten elkaar steeds vaker, en kleden zich in elkaars gezelschap uit, bekijken elkaar met de grondigheid waarmee ze naar anatomische afbeeldingen in medische atlassen gluren. ‘Bedekt met gouden donshaartjes als een perzik, nog zonder de donkere haren van de volwassenheid, stonden we, naakt als gepelde sinaasappels, tegenover elkaar in het paradijs waaruit we spoedig zouden worden verdreven.’

Er wordt kwaadgesproken over de twee kinderen in het dorp, en er komt een definitief einde aan hun prille verkering als Andi in een afschuwelijke droom een duivels wezen aanschouwt dat stralend van licht vanuit een helle wolk op hem neerkijkt. Is dit een teken van God? Hij besluit zijn leven te beteren en een heilige te worden, maar een plek als misdienaar wordt hem door de plaatselijke, sceptische priester niet gegund. Hij doet aan zelfkastijding, laat zijn favoriete boeken staan en begint boete te doen door een oersaaie jeugdroman te lezen die zijn ouders hem al jaren opdringen. Van al die onthouding gaat hij bleek zien.

In Kinderleed (1984), een verhalenbundel van twintig jaar later, met als ondertitel ‘Voor kinderen en gevoelige mensen’, zal Kiš nogmaals naar zijn jongste jeugd op zoek gaan. Hier geen doorlopend verhaal, maar een serie korte prozaschetsen in een verraderlijk eenvoudige, haast kinderlijke taal. Opnieuw handelt een hoofdstuk over de mooie Júlia, ofschoon de jongen die verliefd op haar wordt ditmaal niet een bluffende kleine macho is, maar een onzeker ventje dat blind tastend zijn eerste kus geeft: ‘Ze lagen dicht tegen elkaar aan. Zij kneep haar ogen dicht. Hij kuste haar. Ze had een kuiltje in haar wang en een sproetig wipneusje. Ze rook naar wilde klaver.’

Het verleden is het paradijs, maar ook een tijd van onbegrepen dreiging en van uitbarstend geweld.  In ‘De pogrom’ vertelt een kind over een mensenoploop in zijn buurt waarvan hij de betekenis niet snapt, waarvoor hem de woorden nog ontbreken. Hij wordt in een hoek gedrukt, krijgt van een vrouw, uit medelijden dan wel woede, een blik spaghetti à la milanese in handen gedrukt, en ziet de belastingambtenaar op een vat staan en confetti over de menigte uit strooien. Als dit een feest is, waarom is hij dan zo bang?

Na de oorlog emigreert het gezin Kiš – moeder, zoon en dochter – naar de geboortestreek van de moeder, naar het stadje Cetinje in Montenegro. De jongen gaat er naar het plaatselijke gymnasium en wordt gepest vanwege zijn Hongaarse accent, tot hij op een dag een van zijn kwelgeesten een harde stomp uitdeelt. Het gevoel van bevrijding dat die klap hem oplevert, zal hij nooit vergeten. Algauw leert hij leert zijn moedertaal, het Servo-Kroatisch, weer vloeiend spreken en schrijft hij korte teksten in die taal. In de avonduren leert hij zichzelf gitaarspelen, zodat hij ’s nachts  serenades kan brengen, staand in de tuin van de meisjes van zijn klas, zoals zijn zus hem dat heeft geleerd.

In de prozaschets ‘A en B (The Magical Place)’, uit de postume bundel De luit en de littekens, onthult Kiš de mooiste plek op aarde. Die bevindt zich in de baai van Kotor, niet ver van Cetinje. Met één blik kan men daar vanaf de rotsen bij zonsopkomst beslag leggen op de hemel, de bergen en de zee. Witte wolken drijven als wattige olifanten over het hoofd. We moeten er letten op het getsjirp van krekels (‘als het opwinden van een miljoen polshorloges’) en de geur van de alsem langs de kant van de weg. Maar willen we echt kunnen zien wat dit allemaal betekent, voegt Kiš toe, dan hebben we een vader nodig die ooit hetzelfde uitzicht bewonderde.

Danilo Kiš is negentien wanneer hij naar Belgrado vertrekt en zich daar inschrijft voor de pas opgerichte opleiding Vergelijkende Literatuurwetenschap. Hij werkt hard, schrijft opstellen over Cervantes, Camus en Nietzsche, en is met zijn vrienden en gitaar een graag geziene gast in de hoofdstedelijke bars. Hij is een kettingroker – twee pakjes per dag – en arm als een kerkrat. In de winter stopt hij kranten in zijn schoenen en onder zijn vest om zich de snijdende kou van het lijf te houden. Vaak blijft hij overnachten bij bekenden of in het redactielokaal van het literaire tijdschrift Vidici, waarvan hij de meest getalenteerde medewerker is. Een professor van de opleiding zal decennia later studenten nog voorhouden dat zijn beste leerling ooit de hoogste cijfers haalde ondanks het feit dat hij geregeld onder de brug sliep, daar konden ze allemaal een voorbeeld aan nemen.

In het laatste jaren van zijn studie krijgt Kiš de beschikking over een slaapplaats in het centrum, in huis bij een Russisch echtpaar dat in de jaren twintig voor Stalins staatsterreur naar Belgrado is gevlucht. De jonge student bezit niet meer dan wat kleren en een gitaar, en hij houdt van twee vrouwen tegelijk. Wat moet hij doen? De Russische echtgenoot geeft hem het advies niets te doen waar hij spijt van krijgt.

In 1962 trouwt Danilo Kiš met zijn medestudente Mirjana Miočinović. Kiš was op een ‘complexe en paradoxale manier betrokken bij zijn huwelijk, net als bij zijn proza,’ schrijft Mark Thompson in de biografie Birth Certificate. Met andere woorden: Mirjana is steun en toeverlaat voor de schrijver, zelf gaat hij nogal eens vreemd. Het jonge stel profiteert van de relatief open houding van Joegoslavië ten opzichte van het Westen, voornamelijk op cultureel gebied. Er verschijnen vertalingen in het Servokroatisch van de grote modernisten, van Faulkner en Broch en Nabokov, die aftrek vinden bij een groep van hoog opgeleide lezers. De kranten publiceren voornamelijk inwisselbare rommel en worden hevig gecensureerd.

Kiš vertrekt naar het buitenland en gaat als docent Servo-Kroatisch werken aan de universiteit van Straatsburg. Van zijn pen kan hij niet leven. Hij vertaalt uit het Frans, Hongaars, Russisch en Engels, al was het maar om het heimwee naar zijn moedertaal tegen te gaan. Wanneer hij in 1973 als docent in Bordeaux aan de slag gaat, maakt hij al de eerste les indruk op de eerstejaars. De nieuwe docent heeft een blauw oog, naar eigen zeggen opgelopen tijdens een vechtpartij in Belgrado.

In 1976 publiceert Kiš Een grafmonument voor Boris Davidovitsj, dat zijn doorbraak als auteur in Frankrijk betekent. In een land waar de Moskou-getrouwe communistische partij massa’s kiezers trekt, baart een onderkoelde afrekening met het stalinisme opzien. De schrijver verhuist terug naar Joegoslavië, naar Novi Sad, en hij neemt uit Bordeaux Pascale Delpech mee, een studente met wie hij een affaire heeft. Zijn vrouw Mirjana helpt de jonge Française om een woning te vinden in de nieuwe stad, maar tot een gelukkige menage à trois ontwikkelt de verhouding zich niet. Kiš en zijn vrouw besluiten tot een scheiding, waarna hij met Delpech naar Parijs trekt, waar ze elk apart een klein appartement, niet ver van elkaar, bewonen. De breuk met  Mirjana laat littekens na, in ieder geval bij haar. De dag dat de scheiding wordt uitgesproken, in de hete zomer van 1981, zal zij alle liefdesbrieven van Kiš verbranden.

De bundel Encyclopedie van de doden (1983) eindigt met een verhaal waarin Kiš de rollen binnen de relatie, als is die dan officieel verbroken, nog eens bevestigt. ‘De rode postzegels met de beeltenis van Stalin’ is geschreven in de vorm van een brief; de schrijfster van die brief is de voormalige minnares van de beroemde Jiddische dichter Mendel Osipovitsj, die samen met de andere leden van de Jiddische schrijversbond op bevel van Stalin is vermoord. De vrouw richt zich tot een vermaarde Osipovitsj-biograaf en weerlegt verschillende vergezochte (freudiaanse) interpretaties van zijn werk; de sleutelregels in het oeuvre blijken allemaal terug te slaan op de verzengende liefde die zij en de dichter beleefden. Zij memoreert in steekwoorden de onderwerpen waarover ze elkaar schreven en deelt ten slotte mee dat de brieven zelf vernietigd zijn. Ze heeft ze in stukken geknipt nadat ze ontdekte dat haar geliefde over zijn gedichten met een andere vrouw had gecorrespondeerd. Lichamelijke ontrouw had ze kunnen vergeven, maar dit verraad van hun zielsverwantschap niet: ‘Op het moment dat ik de eerste brief in stukken knipte wist ik dat er geen terugkeer meer mogelijk was, ondanks het besef dat messcherp tot mij doordrong: dat ik berouw zou krijgen, dat ik al berouw had.’

In Encyclopedie van de doden vindt Kiš een oud genre opnieuw uit. Het korte verhaal blijkt een vorm waarin zowel romances als historische catastrofes uit de doeken kunnen worden gedaan. Kiš vertelt over het wedervaren van misschien wel de meest bekende fictie van de twintigste eeuw, de Protocollen van de wijzen van Zion, een tekst  waaraan verschillende auteurs, elk met hun eigen bedoelingen en overtuigingen, hebben gewerkt. De verbeelding is de erts waar de haat zijn wapens uit smeedt. Lezers bleken maar al te graag bereid tot een suspension of disbelief. Dit proza was bijzonder invloedrijk; het was een van de aanleidingen tot de holocaust.

Het titelverhaal van de bundel handelt over een humanistisch droomproject, een encyclopedie van de doden. Voorwaarde om in dat grote boekwerk te worden opgenomen, is dat de overledene in geen enkel ander boek staat vermeld. Kiš baseerde het verhaal hoogstwaarschijnlijk op het leven van de vader van  Mirjana Miočinović, die in 1981 aan kanker overleed; het verhaal zelf is opgedragen aan ‘M’.

En ten slotte is er ‘Schuld’, een verhaal dat in de Encyclopedie van de doden had kunnen staan, maar uiteindelijk postuum verscheen in De luit en de littekens. De hoofdpersoon is een man – hij heeft veel gemeen met Nobelprijslaureaat Ivo Andrić (1892 – 1975) –  die weet dat hij gaat sterven en besluit zijn testament op te stellen. Hij geeft het weinige dat hij heeft weg om zijn schuld bij de levenden te delgen. Wat volgt is een litanie van herinneringen, een verhaal in de vorm van een testament, waarmee Danilo Kiš achteraf bezien zijn oeuvre heeft afgesloten:

‘Voor Ajkuna Hreljić, de eerste die mij aan de hand over de brug heeft gevoerd; twee kronen.

Voor Ana Matkovšek, die mij de taal van bloemen en planten heeft geleerd; twee kronen.

Voor Draginja Trifković, de onderwijzeres die mij de eerste letters leerde; twee kronen.

Voor Ljubomir Popović, die mij de goedheid heeft geleerd; want het is niet voldoende alleen in je ziel goed te zijn; goedheid leer je als het alfabet; twee kronen.’

 

*

 

Wat is talent anders dan een afstand nemen van de canonieke vormen? En welke bestaansreden heeft literatuur als het geen verzet aantekent tegen de clichés van de eigen taal?

Voor Kiš waren er twee noodzakelijke voorwaarden wilde hij zich aan het schrijven zetten. Ten eerste moest hij een onderwerp te pakken hebben dat hem obsedeerde, ten tweede wilde hij een passende vorm voor het verhaal vinden, een vorm die hij niet eerder had gehanteerd: ‘Ik schrijf alleen dan wanneer ik moet schrijven, gedwongen door een innerlijke drang, en als ik geen excuus meer kan vinden om toe te geven aan mijn luiheid en gemakzucht. En als ik dan eenmaal achter mijn schrijfmachine zit, moet ik ook mezelf kunnen amuseren, zodat het ook voor mezelf geen saai “productieproces” wordt, vandaar die afwisseling en verandering van register.’

Een grafmonument voor Boris Davidovitsj is het hoogtepunt van zijn oeuvre. In acht lapidaire verhalen – die geen verhalen, maar beknotte biografieën zijn – schetst Kiš de levens van overtuigde communisten die in de Siberische kampen zijn vermoord, of zij die juist, zoals de Franse socialist Édouard Herriot, de Sovjet-Unie bezochten tijdens de stalinistische terreur en geloofden in een paradijselijk land op bezoek te zijn geweest. De onderhuidse angst is bij iedereen aanwezig, zelfs bij mensen die op het eerste gezicht een comfortabel leven leidden binnen de nauwe grenzen van het systeem. Lees het verhaal van de partijgetrouwe dichter A.A. Darmolatov, dat eindigt met een medisch postscriptum waarin een detail wordt geopenbaard dat te grotesk is om verzonnen te zijn: ‘In de Russische literatuur is hij vooral als medisch fenomeen bekend gebleven: het geval Darmolatov is in alle recente handboeken over pathologie te vinden. De foto van zijn testikels, zo groot als de grootste kolchozpompoen, werd ook in buitenlandse medische boeken overgenomen als illustratie voor elefantiasis (elephantiasis nostras) en als moraal voor de schrijvers dat voor het schrijven kloten alleen niet voldoende zijn.’

Die laatste toevoeging was een sneer naar zijn Joegoslavische critici, mannen die vooral ‘de vent’ in het werk wilden zien. Voor zijn Grafmonument leende Kiš de vorm van Borges’ Wereldschandkroniek. Borges had zich bevrijd uit de dwangbuis van de psychologische roman en comprimeerde complete levens in fictieve encyclopedische lemma’s. In deze nieuwe prozavorm school de schoonheid in de bij elkaar gelezen details, dat wat Roland Barthes ‘biografemen’ heeft genoemd. Maar terwijl Borges zich bezighield met irrelevante ‘schelmenverhalen’, aldus Kiš, heeft hij het zelf over de echte wereldschande bericht, die plaatsvond in de Europese en Aziatische kampen van de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Alle verhalen in Grafmonument zijn gebaseerd op documenten, getuigenverslagen, brieven en memoires.

Bij het verschijnen van het boek werd Kiš aangevallen in de Joegoslavische staatsmedia, en in de salons van Belgrado werd gefluisterd dat hij plagiaat had gepleegd, nadat hij zijn Franse vertaler over zijn bewondering voor Borges had verteld. Kiš reageerde twee jaar later op de hetze met De anatomische les, waarin hij zijn poëtica uiteenzette en tegelijk de nationalistische en antisemitische agenda van zijn tegenstanders aanviel. Zelden zal een schrijver zich zo diepgaand met de vorm van zijn werk hebben beziggehouden, en zich zo expliciet over de opgave van eigentijdse literatuur hebben uitgesproken. In zijn denken over literatuur was hij een voorbeeld voor Susan Sontag, die in 1995 de verzameling essays Homo Poeticus samenstelde, met daarin onder meer fragmenten uit De anatomische les. Jacq Vogelaar had twee jaar eerder samen met Lela Zečković een nummer van Raster over Kiš en zijn oeuvre gemaakt. Vogelaar schreef in zijn afsluitende essay: ‘Het minste wat je Danilo Kiš kunt toewensen is dat hij met zijn werk een passend lemma heeft gevonden in een utopische encyclopedie van de doden.’

 

*

 

In 1986 werd bij Danilo Kiš longkanker vastgesteld, hij stierf drie jaar later, op 15 oktober 1989, een maand voordat in Berlijn de Muur viel. In de Joegoslavische deelrepublieken wonnen nationalistische kandidaten de verkiezingen. Door sluimerende minderwaardigheidsgevoelens en xenofobie aan te wakkeren, bedreven apparatsjiks als Slobodan Milošević een gevaarlijke politiek. Er braken oorlogen uit in Servië, Kroatië, Bosnië en Kosovo. De landstaal, het Servo-Kroatisch, werd opgedeeld in een Servische, een Kroatische en een Bosnische variant.

Kiš heeft altijd zijn afkeer uitgesproken van het nationalisme, dat alleen kan bestaan bij gratie van een heimelijk beleden relativisme. Doordat het geen universele waarden erkent, moet het wel terugplooien op een te verdedigen grondgebied of ‘volk’. Voor Kiš  was zijn taal de hele wereld, en hij weigerde zich te identificeren met een natie of een volk, maar hij wenste zich evenmin te bekennen tot een bepaalde ‘minderheid’, zoals men dat in het Westen graag zag. Hij was geen ‘joodse schrijver’, geen ‘Servische auteur’, geen ‘slachtoffer’. Hij voelde zich verbonden met de streek op de grens van Hongarije, Servië, Oostenrijk en Slovenië waar hij opgroeide, en die hij in zijn werk opvoerde onder de oude naam Pannonië. De geschiedenis was volgens hem het domein van dwang en geweld, en toch wilde hij geen geloof hechten aan het idee dat we in de slechtste van alle werelden leven. Het bestaan van Danilo Kiš – het encyclopedische lemma dat zijn naam draagt – heeft zich tussen twee oorlogen afgespeeld.

Over de auteur:

Daniël Rovers (1975) is schrijver en essayist. Hij publiceerde de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt, en de verzameling reisverhalen De zon is het probleem niet. Als romancier debuteerde hij met Elf, gevolgd door Walter. In 2017  verscheen de roman De waren.