thema:

De klok en het bed

Vertaling:

De dagen beginnen altijd hetzelfde. Op een hemelsblauwe mat rek en strek ik mijn armen en benen zo ver ik kan. Ik lijk deze bewegingen geadopteerd te hebben. Iedere ochtend dezelfde oefeningen alsof ik een figuur of een schets van een mensenlichaam vorm. Een paar onbeduidende, sportieve pogingen om leven rond mij te scheppen.

In een van de andere appartementen kan ik als ik heel aandachtig luister, het geluid van de tv horen. Het weerbericht en nieuwsuitzendingen. Maar ook water dat door de leidingen stroomt en uiteindelijk ergens beneden in de afvoer verdwijnt. De man boven mij, ik heb hem een paar keer gezien. Hij heeft een haast vulgair ronde buik, kijkt altijd boos, met zijn dikke, lange en donkere wenkbrauwen die zich naar beneden uitstrekken, hem bijna in zijn oogwit kietelen. Het is nooit bij me opgekomen hem te groeten, ik heb nog nooit iemand in dit gebouw gegroet. Op een avond kwam een jong meisje de sleutel van de gemeenschappelijke berging lenen, maar daar bleef het ook bij.

In de spiegel: een gezwollen jukbeen. Een enorme blauwe plek op mijn linkerslaap. De kwetsuur moet een paar dagen geleden ontstaan zijn tijdens een busritje, toen ik met mijn gezicht tegen de ruit in slaap gevallen was. Mijn wang sloeg meermaals tegen de zwarte lijst, geleidelijk groeide de zwelling zonder dat ik het merkte. Het is om het even of het licht aan is of niet, er valt toch niets te zien. De zwelling begint te zeuren als ik het lichtknopje zoek. Dan druk ik het toch in, het duurt een paar seconden voor ik echt iets zie en het licht zich door de kamer verspreidt. Een tijdje blijf ik naar het lichtpeertje staren, als in een kortstondige hypnose, vooral ook omdat het peertje buitengewoon fel is. Vorige week heb ik het vervangen zonder de verpakking te lezen: het licht steekt diep in mijn oog. Loshangend vel. Ik kan weinig zien maar des te beter horen, de ramen – hoe de wind aan ze rukt. Een ogenblik ben ik duizelig. Iets hards en zwaars komt mijn voorhoofd binnen, alsof de zwaartekracht via mijn gehoorgang verder omhoog kruipt, de trekkracht ervan vervolgens aanspant en mijn lichaam binnenstroomt. Het is moeilijk om rechtop te blijven staan. Automatisch wil ik gaan zitten, zet muizenstapjes in de richting van de leunstoel. Het ronde, versleten ding rechts in de kamer, dat nu oneindig ver verwijderd lijkt van waar ik momenteel sta. De lampen op de binnenplaats gaan aan.

Wanneer mijn ogen een beetje opengaan, is het aanvankelijk vrijwel onmogelijk iets te zien in het felle licht. Dan verplaatsen mijn gedachten zich, naar een pijnscheut in mijn rug, een drukkende pijn die langzaam overgaat in een zwak trillen. Ik ben behoorlijk geschrokken van deze val, kan ik nog denken, of wat het was, het kost me een paar minuten om het moment te herbeleven. Misschien was ik letterlijk in slaap gevallen of ben ik flauwgevallen en hard op het parket terecht gekomen alsof ik instortte. Geen pijn aan mijn hoofd, in ieder geval nog niet waarneembaar, komt misschien pas als ik opsta. Misschien ben ik nog in het ongewisse over het fatale dat mij zal overkomen, zelfs al is lijkt alles in orde. Een onhandige poging om me op te richten, ik strek mijn vingers omhoog, bal mijn vuist en steun erop zoals soldaten doen. Ik sta op, rek mijn lange, asymmetrische lichaam uit, terwijl ik er voor zorg houvast te zoeken op de armleuning van de stoel. Op de wc vul ik mijn handen met koud water, leg mijn gezicht behoedzaam in het kommetje van mijn handen waarvan de omtrek op een waterplas lijkt. Stilte. Het licht in de badkamer is geler en zwakker geworden. Zweet op mijn voorhoofd. Het besef dat ik zou moeten douchen. Het is allemaal aangeleerd. De verbinding tussen de vrije, bijna eigenwijze indeling en plotseling het strenge, op routine gebaseerde, is niet terug te vinden. Het ingestorte plot. Hoewel ik niet weinig praat gebeurt het dat ik daartoe gedwongen word. Verdwijnen, af en toe is die gedachte niet eens zo onaantrekkelijk.

Nadat ik gedoucht heb loop ik naar buiten om Julie te ontmoeten. Nog voor we aan een van de tafeltjes op het terras met asbakken en warmtelampen gaan zitten heeft ze alles verteld over wat haar die dag overkomen is. Hoe ze op kinderlijke wijze en geheel tegen haar gewoonte in, steentjes in een vijver in het Nygårdspark gooide, als in een plotselinge opwelling. Een man die langsliep, of liever een junk, had haar gevraagd om voor hem ook een steentje te gooien. Dat had ze gedaan. Zoals altijd vond ik het lastig om te begrijpen wat ze nu precies wilde zeggen, eigenlijk maakte het ook niets uit. Het zonlicht vormt strepen op haar gezicht. Het was fijn om haar te zien, maar tegelijkertijd ook weer niet. Af en toe beschouw ik haar als een zekerheid, iemand om mee op te trekken indien de behoefte zich zou voordoen. Maar aan de andere kant: die behoefte is klein. We lijken niet op elkaar. Hebben weinig om over te praten, toch blijven we zitten. Met de gedachte aan slechtere dagen tref ik haar of houd ik het contact in stand, zoals ze dat zo zeggen. Het onschuldige waar haar aanblik van getuigt. We hebben elkaar lang niet gezien, als het geen maanden zijn dan in ieder geval weken. De serveerster betaalt ze precies gepast, met kleingeld nog wel, vierenzestig kronen voor een biertje. Nooit eerder heb ik haar met kleingeld zien betalen. Ik wil vragen waarom, maar waak ervoor dat ik het niet te groot maak, merk alleen op dat dat iets nieuws is, nog steeds praat ze onvermoeibaar door.

Je had dinsdag mee moeten gaan. Lars was zo dronken, zegt ze.

Ze gaat niet verder, wacht tot ik zal vragen wie Lars is. Door het niet te doen versterk ik het zwakke in haar opmerking, het pijnlijke en hoopvolle. Ze neemt een slok van haar biertje, kijkt over haar schouder. Ze veegt met haar hand over haar mond, haalt het schuim van haar bovenlip weg. Gaapt. Ik moet denken aan alle keren dat ze gaapte, zelfs midden in een gesprek. Het hoort niet. Op geen enkel moment in het gesprek is een geeuw gepast, toch gaapt ze alsof ze alles vóór zich probeert in te slikken, ook de afstand tussen ons.

Ze is zo doorzichtig als ze vertelt, vol tegenstrijdigheden. Soms kan ze van een bijna aapachtig wezen binnen een paar tellen veranderen in de mooiste mens die ik ken, of misschien lijkt dat zo. Ze trommelt zachtjes met haar vingers op de houten tafel. Haar nagels zijn kort en het geluid is dof als ze het tafelblad raken alsof iemand  ’s nachts heel voorzichtig op iemands deur klopt. Even kijkt ze op. Haar blik was lang naar de grond gericht waar een handvol peuken in een sierlijke formatie terecht zijn gekomen, het lijkt net op het patroon van een oriëntaals tapijt. Nu kijkt ze op, ze kijkt me zelfs recht aan alsof dat wat ze gaat vertellen oprechtheid vergt, zodat ik niet de indruk krijg dat haar gedachten alle kanten op gaan, terwijl wat ze vertelt, alleen maar alledaagse futiliteiten zijn, nog een manier om de afstand tussen ons weg te nemen. Ze zegt: ik maak me zorgen.
Waarover? Vraag ik.
Om wie.
Om wie?
Ik maak me zorgen om jou, zegt ze.

De wolken pakken zich boven ons samen, eerst alleen een paar druppels, in een mum van tijd is het veranderd in storm. We rennen het café in, blijven staan tussen kletsnatte lichamen, paraplu’s, regenjassen, mutsen, handschoenen, regenlaarzen, zelfs twee honden, klein en verregend, een stel in de hoek staat tegen elkaar te schelden, zelfs al kan het hele café horen waar de ruzie over gaat, het is niet eens interessant genoeg om er woorden aan vuil te maken. Een oudere dame zegt: God, wat een weer. Gevolgd door: God, wat maken die twee een herrie. Wat zijn we onbeweeglijk in deze ruimte denk ik, als een klein leger gestuurd door onverwachte, bovenmenselijke krachten die ons samentrekken, die een onbeweeglijkheid in de kleine ruimtes tussen onze lichamen creëren, er is niemand die zich beweegt, behalve een paar handen naar een hoofd om de natgeregende kuif te fatsoeneren, om een paar druppels uit de verwaaide haren, op de schouders, de jas, te schudden. Dan pakt Julie mijn hand, ze pakt hem zomaar ook al bezit ze me niet, toch doet ze het. Ik probeer me in haar te verplaatsen op dit moment, zie hoe ze zich voorstelt dat ze deze hand bezit. Nu kijkt ze me ook aan, met een onderzoekende blik, alleen met haar blik zoekt ze; zo machtig is die. Ze wil dat ik iets zeg. Ik zeg iets, concreter zeg ik dat het goed gaat, dat is het meest fatsoenlijke wat ik kan zeggen, hier met haar hand, heel dichtbij.

We kunnen naar buiten gaan. De regen in. Zeg ik.
Wil je dat?
Kom.
Dan kijk ik naar de uitgang. Voorzichtig trek ik Julie met me mee. De massieve buitendeur wordt geblokkeerd door een tiental mensen. Een dikke man met een hotdog in zijn linkerhand, hij knaagt voorzichtig aan het velletje. Misschien denkt hij dat hij slanker wordt als hij alleen hapjes ter grootte van een pluisje neemt. Nog steeds met de hand van Julie in de mijne. Ik zou hem los kunnen laten als ik had gewild, dat wil ik ook, maar het is toch noodzakelijk om hem vast te houden zodat ik haar hieruit kan trekken, haar door de mensenmassa te slepen, iedereen schuilt voor de regen. Een lichtgele regenjas van de man met de hotdog, ik raak zijn jas even aan als ik me langzaam een weg baan door de groep, met Julie op sleeptouw. Buiten in de regen laat ik haar los, en in plaats van haar blik te ontmoeten, kijk ik in een soort rechte lijn terug het café in, door het raam, mijn oog valt op de hotdog die op de grond ligt, met ketchup en mosterd in een wilde kleurmix over de schaakbordvloer. Zie in dat het misschien mijn schuld is, dat hij gevallen was toen ik hem op weg naar buiten raakte.
Met rasse schreden leid ik haar naar een afdakje waar we blijven staan. Het is overdekt met een zeil, waarschijnlijk om het terras te beschermen, dat moet wel in deze stad. Uiteindelijk zeg ik dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. Dat ik me nooit beter heb gevoeld, waarschijnlijk zal ik me nooit meer zo goed voelen als nu, dat ik er voor kies om deze periode in mijn leven te benutten, en dan kan isolement noodzakelijk zijn, en hoewel zij noch ik begrijp waar ik over bazel, werkt het, in ieder geval tot op zekere hoogte. Ze heeft me er lang van verdacht dat ik me bezighield met een of andere kunstzinnige activiteit en dat dat me ervan weerhield een sociaal leven te leiden. Zo gaat het altijd, ze neemt het voor zoete koek aan, zegt dat als ik het zeg het dan wel waar moet zijn. Dat is natuurlijk een beladen antwoord, een reactie waar veel meer in ligt, maar ik kies ervoor het te negeren. Ik leid haar af door opnieuw haar hand te pakken, erin te knijpen en haar ervoor te bedanken dat ze zich zo om mij bekommert, dat het onnodig is, daarvan verzeker ik haar.
Ik ben nu toch hier, met jou, zeg ik en glimlach.
Ja.

We lopen een stukje samen op. Het regent minder hard, de wind draait naar zee. Bij de Staatsslijterij gaan we uit elkaar, ze moet wat kopen voor haar schoonmoeder,  ze zegt het alsof zij en haar vriend getrouwd zijn en al begonnen zijn elkaar allerlei cadeautjes en attenties te geven. Soms vraag ik me af of deze verwachtingen van elkaar het waard zijn, ik kan er onmogelijk antwoord op geven, nog moeilijker kan ik het voor anderen zeggen, maar zelf vraag ik me vaak af of deze bezitterige eigenschappen goed zijn, of ze ergens toe leiden, of dat ze juist alles, of in ieder geval het meeste, veranderen in iets wat ingewikkelder is dan wat oorspronkelijk bedoeld wordt, of beter gezegd noodzakelijk is. Natuurlijk, zeg ik alleen maar. Geef haar een knuffel alsof ik brooddeeg omhels, ze ruikt altijd naar iets versgebakkens, als een kind, hoewel ze betrekkelijk slank is heeft ze deze zachtheid, wat het eigenlijk onmogelijk maakt om haar echt een knuffel te geven, haar voor iets anders aan te zien dan zacht deeg.

Vrijwel helemaal alleen op straat op weg naar huis. Een paraplu hier en daar, maar vooral stilte, door de lege steegjes als in een of andere ziekenhuisgang, dat is in wezen typisch voor dit weer, dat de tijd plotseling wordt opgedeeld, dat wil zeggen, de regen die naar beneden komt in onverwachte, aanzienlijke hoeveelheden, die ervoor zorgt dat de straten leeg lopen, dan is men ergens anders en krijgt alles een andere vorm, of een nieuw filter. Kleine mogelijkheden worden groter, als een deurknop gezien door een regendruppel. Alsof ik in de loop van een heel jaar de dingen slechts op afstand heb gezien en het gevoel van nabijheid vergeten ben.

Over de auteur:

Eline Lund Fjæren (1994) is woonachtig in Bergen waar haar tweede roman, Klokken og sengen, zich afspeelt. Lund Fjæren debuteerde in 2013 met roman Ung jente, voksen mann (Jong meisje, volwassen man). Hierin verhaalt Lund Fjæren over de verhouding tussen een dertiger en een 13-jarig meisje. De verhouding wordt vanuit beider perspectief belicht. Niet alleen het controversiële thema, maar ook de bijzondere stijl werd geprezen door de critici. Klokken og sengen (2015) werd door Natt og Dag genomineerd voor de prijs Boek van het jaar.

Over de vertaler:

Mieke Blotenburg (1993) behaalde in 2015 haar bachelor Scandinavische talen en culturen (hoofdtaal Noors), studeerde in 2014 een half jaar in Noorwegen en volgt momenteel de Master Vertalen, eveneens aan de UvA.