thema:

Koffertje op de veiling

In het glazen voorgeborchte van de bioscoop zakte ik weg in een lompe, knalgele fauteuil die de wereld op de illusie trakteerde dat alle dingen konden slijten behalve hij. Juist nadat ik, roerend in een cappuccino, had besloten dat het niet meer uitmaakte hoe ik aan de kost kwam en waar ik de bijeengeschraapte duiten aan besteedde, of aan wie ik mij moest hechten en welke taal min of meer beheersen, nam een moeder met kind het tafeltje naast mij in beslag. Ik zei vrijwel automatisch: ‘Uw dochter heeft schattige oogjes.’
Ze bedankte me en glimlachte naar haar meisje met blonde lokjes boven oogjes waar ik helemaal niet naar gekeken had. Ik vroeg met een soort kleffe terughoudendheid of ze naar de film gingen: een onvermijdelijk schot in de roos, en ze voegde toe dat ze haar dochter vooral gebruikte om zelf weer zin in de dingen te krijgen. Laatst had ze een gelukje beleefd waar ze nooit van had durven dromen; daarom praatte ze nu zo openhartig, zoals ze vroeger nooit zou hebben gedaan. Ik zette warme ogen op, helde geruststellend een tikje voorover, vernam van de openbare veilingen op het station, waar de spoorwegen spullen die in treinen waren achtergelaten per opbod verkochten. Ik moest er ook maar eens heen, zei ze: daar gingen de dingen op zoek naar hun eigenlijke thuis. Zo had ze dat werkelijk gevoeld. Ze had ingezien dat ze eigenlijk een koffer wilde zijn die in de trein werd achtergelaten om dan ten overstaan van een hele sliert mensen te worden verkocht aan een onbekende, inclusief sokken, onderbroeken, reislectuur, tandpasta, teddybeer, allemaal onder de hamer, en de tas liet zich niet op voorhand openmaken: de inhoud was altijd een verrassing.
Maar wat, wierp ik tegen, als iemand een dagboek met zijn geheimste gevoelens of een computer met compromitterende gegevens in de tas achtergelaten had. Dan was een dergelijke verkoop toch een inbreuk op het privéleven van een onbekende? Konden ze tassen en koffers niet beter in vlammen laten opgaan? Nee, zei ze, niets mag verloren raken, zeker geheime aantekeningen moeten behouden blijven. Juist die zijn op zoek naar een nieuwe eigenaar, die hen meer respecteert, iemand die niet alleen spullen op prijs stelt, maar ook diepste intimiteit.
Door haar ijle gezicht met wipneus en suikerzoet gestifte lippen heen drongen zich de Tasmaanse tijger, de Caraïbische monniksrob, de dodo, de langstaartspringmuis, de cypruswaterspreeuw, het duingentiaanblauwtje, de grijze walvis, de Beierse woelmuis, de pinguïns en de beren op als de intieme notities van haar teleurstellingen, maar hun materialisatie in mijn gevoelsleven wist ik tijdig te voorkomen door mij af te vragen met wat voor föhn zij haar haren ’s ochtends droog had geblazen: in elk geval niet het model waarvan ik laatst de gebruiksaanwijzing vertaalde, en dat met zijn vormgeving beloofde het hoofd een aerodynamische aanpassing aan de werkelijkheid toe te blazen.
Hoe rap waren haar lichaamsvormen, en hoe zat het met haar heupen? Ik kreeg er niet goed zicht op, maar de manier waarop zij haar buik spande, spiegelde een amazone voor die elastisch onder een man ligt, met strak afgemeten passen op een volgende man afstapt, zwierig de pik in de mond laat glijden. Met ogen die nahongerden onder haar bezwete blonde lok vertelde zij op een speelweide van aaneen geschoven matrassen dat haar man advocaat was, ze wees hem aan: de man waarvan de lippen om de borst van een ebbenhouten schone lagen, een aanblik die zeker zo geruststellend was als de blauwe kamer waar het zonnestelsel dankzij de ingenieuze vader traag boven de hoofden van zijn bewoners tikte, van toen ik als kind nog met plezier in Nederland woonde.
Ze staarde mij aan, een beetje hulpeloos, en voegde toe: ‘Dat alles zomaar in andere handen kan overgaan, zonder consequenties, daar droom ik sindsdien van, op verloren momenten, maar vooral als ik druk bezig ben, al zou ik niet weten hoe je dat in het leven moet realiseren, al helemaal niet in het mijne. Maar misschien vindt u een gelegenheid.’
Ze stond op zonder mij verder aan te kijken, zei tegen haar dochtertje dat het tijd werd voor de film: voor die monsters met groene koppen moest ze niet bang zijn, die waren niet echt. Het meisje drentelde met de vinger in de mond achter haar aan. Ik had achter ze aan kunnen rennen om het meisje de speelgoedviool te beloven, maar dat was handelswaar die ik aan geen vertedering mocht verspelen.

[…]

Manshoog? Nee, huizenhoog, torenhoog! – hielden krokussen de wacht bij de veilingmeester, in de stationshal sierlijk de lente verkondigend, ook aan de spullen die klaarstonden voor mensen met nonchalant bewegende handen.
Mijn gevonden voorwerp was inderdaad, zoals de dame in de bioscoopfoyer mij had voorzegd, een intiem gevoelen, vooral een lichaamsdeel dat ’s ochtends amok maakte, strak tierend, vloekte, mij in het gezicht mepte, mij enkel door de anatomische onmogelijkheid niet in de reet trapte, zoals de dronkenlap aan de Oberbilker Markt mij er eens op attent maakte dat ik door een simpele vergissing het kleine mannetje alleen nog voor het plezier kon gebruiken, niet straffeloos toevlucht moest zoeken bij temerige ogen die zenuwtrekkingen feilloos blootleggen, als ze me ondervroeg over het paard van grootmoeder of de blijdschap van mijn nichtje (dat gezever!); al gauw genoeg zou zij me dwingen te vertellen waarom ik, ooit als leraar Duits begonnen, mijn mooie Brusselse baan als tolk bij het Europese Parlement had opgegeven voor een etage in Oberbilk, de wijk der sloebers in de nuffige Landeshauptstadt.
Daar had Eise Eisinga, de held van Franeker, vanwege de huurbazen de onwrikbare wetten van het zonnestelsel nooit tot het anker van het dagelijkse leven kunnen maken; en dan had ik nooit vanuit de blauwe bedstee kunnen turen naar het onverstoorbare uurwerk aan het plafond; zo restte slechts het stille verlangen naar een plek waar mijn leven zich onder een langzaam tikkend zonnestelsel voltrok om verder samen te vallen met het inzicht in het heilzame vermogen van zijn imitatie, en wat bleef mij nog dan bot vertrouwen op de oneindige mogelijkheden van het deel tussen de benen of zonder de minste trilling in de stem leugens debiteren en mij voorgoed vrijpleiten van de vrouw met steile gladde zwarte haren uit Brussel. De tedere glimlach waarmee Lenuţa ooit een ontwijkend antwoord over mijn vlucht uit de Belgische hoofdstad had geaccepteerd, kon ik onmogelijk van Isnad verwachten. Maar de pik, bazig aanhangsel, stelde mij gerust: ik moest als zijn trouwe lieve robot (Z. Stikkelbroek) vertrouwen op de door hem opgelegde discipline. Zebidi nam plaats aan de werktafel. Hij concentreerde zich in mijn hoofd (het zijne dus) op lang, donker haar. Dat werkte voortreffelijk, want hij hield zijn baasje in de hand, verheugd om vergelijkend vrouwenonderzoek per computer. Hij hoefde de straat niet op, waar hij de Marokkaanse zwarte krullenbos tegen het lijf kon lopen; verkoos liever een blondje in roze korset, met smal kontje onder wit topje. Keerde telkens terug naar de overzichtspagina, klikte wervende teksten aan, opende fotogaleries; sommige gezichten waren elektronisch vervaagd, andere keken de surfer lieflijk of ondeugend in de ogen; Zebidi ademde diep door, liet zich niet afleiden door beesten op uitsterven, smaalde en meesmuilde, al strelende zijn geslacht, over wat hij Lenuţa’s Zwarte Neanderthaler Front noemde. Hem lieten de penibele grondstoffenreserves en de hele verdere ecologische rotzooi koud, evenals de weke ogen van de ware liefde uit een grijs verleden, tenzij als een verhaal waarmee andere vrouwen tot compassie en bereidwilligheid konden worden verleid, als de man met naakte pik voor zijn computer in staat bleek het juiste nummer op het juiste moment in te toetsen. Ooit, als het uitkwam.

*

Wie samenschoolden mochten gluren in dozen vol mobieltjes, heen en weer schoten de biedingen van opkopers, waaronder overigens niet Afvalbak-Heini uit de wijk, die ik er had verwacht, schoten heen en weer van het verschrompelde Turks mannetje vooraan naar de ander, dertig jaar jonger, ook uit verre streken, rechts tussen het publiek, lenig met nonchalante handbewegingen, wijdbeens, capuchon over het hoofd, bakkebaarden in dunne lijn leidend naar een sik. Menige ronde liet hij over aan anderen, en dolf hij eens het onderspit, dan haalde hij de schouders op, zoals bij ‘schrootmobieltjes voor knutselaars’, in de woorden van de veilingmeester, kwiek, altijd wat melancholiek. Was deze drager van een flets groen overhemd opeens de hamer kwijt, vroeg hij vanachter zijn katheder aan het publiek waar het ding gebleven mocht wezen: een van de knechten, constant in de weer, voerde met uitgestreken tronie nieuwe veilingwaar aan, maakte een dansje, keerde het publiek de kont toe, zwaaide met zijn billen: de hamer stak in de achterzak. Onder algemeen gegniffel zwierde de veilingmeester de hamer terug op zijn lessenaar. In de gezichten van de vrouwen die aan de modehuizen van de Kö meer gezichtsvermogen dan geld konden verliezen, trokken harde lijnen tot make up samen, wat twee studentes ernaast er niet van weerhield de biedingen giechelend te overbieden. Bij het inderhaast verlaten van een trein ontwaken kansen op fantoompijn, als vormt elk fantoom direct een intiem gevoelen, of is het juist andersom, zo zeurde het rond in de hal van het Hauptbahnhof. Ik voegde mij tussen de smoezelige lieden, stuk voor stuk bereid om te ontkennen dat ook zij iets in treinen hadden kunnen achterlaten: een gloednieuwe magnetron (ingepakt en wel), een mondharmonica, vier identieke paraplu’s, gezamenlijk uit de trein geplukt, alsof de wandelaars eensgezind van hun vrees voor een leven vol stortbuien waren verlost. Ogenparen lieten zich door gebarentaal en retorische vaardigheden van de veilingmeester samentrekken tot een rode zijden stropdas, of nordic walking sticks, het ene paar voor volwassenen, het andere een kindermaatje (moederlief zag eindelijk in dat mensen ook zonder stokken vooruit kunnen komen, zoals de betweterige dochter al tijdenlang had lopen beweren), een carnavalszwaard, even immens als de krokussen langszij, een akoestische gitaar; een keyboard, een fietshelm, boeken, audioboeken op cd (veilingmeester: ‘daarom doet Duitsland het zo slecht bij de internationale onderzoeken naar de stand van zaken in het onderwijs: ze laten alles in de trein achter!’); mp3-spelers, dozen vol dvd’s, een spiegelreflexcamera, oogt misschien modern maar is niet digitaal (vraag uit publiek): die wisselt voor een habbekrats van eigenaar. Regenjacks, digitale pocketcamera’s, allemaal populairder dan zo’n suffe spiegelreflex; tent plus slaapzak, een enorme partij donkerrode voetbalshirts op naam van Podolski, door de veilingmeester met honend uitgesmeerde klinkers uitgesproken: Keulse voetbalcracks genieten te Düsseldorf geen spoor van erkenning. Koffers vol kleren, een Adventure Set: twee tenten, de ene bolvormig, de ander een tipi, in vrolijke tinten, met sluis ter verbinding. Een herenregenjas van het merk Lamborghini, hoe kan dat nou? Niks, weer een grapje van de veilingmeester, het is er een van het merk Bugatti. De volgende dozen vol mobieltjes, door de plee gespoelde contacten, wakkerden andermaal de wedkamp der opkopers aan, voor de verliezer was er een porseleinen clown, of vissersklapstoelen, voor een dagje uit naar het stuwmeer, naast hengels, netten, emmers, lunchpakketten; terwijl in de bus die wegreed van het station werd gemopperd op de klungel die uit het verkeerde treinportiek uitgestapt was. Zes boeken van Stephen King gingen samen met een boekenkast op reis, even nonchalant als de vingers die ze achterlieten, openden vingers een veldslag om een gloednieuwe Fender Stratocaster, voor de verliezers was er een kasjmier herenregenjas, of een Talking Baby, en dan: de zwarte amazonehelm, ik deed meteen met het bieden mee, voelde een verlangen naar innerlijk leven opborrelen, zette door, tegen mijn enige concurrent, een ragfijne blondine, doch zij neeg het hoofd. Weer giechelden de intelligente meisjes in zwarte maillots, met groene alpino’s op het hoofd, onverstoorbaar reikte ik de mottige medewerker vijf euro’s aan, ik streelde de bolle zwarte kap die mij zou verzekeren van Isnads zachtmoedigheid, tuttige vrouw die bedrog apprecieerde; dan was er een spuuglelijke beauty case met een collectie cosmetica, een gesoigneerde heer bood op een gouden halsketting, de schreeuwerd die vanwege een foutief reçu de handen in de lucht bleef steken, ergerde de veilingmeester – een bars commentaar, maar dan: nieuwe hemden, een motorhelm, een fles Jack Daniels met tumblers, twee peperdure trouwringen, getweeën aangetroffen: ‘Wie slaat er graag een slaatje uit een op de klippen gelopen huwelijk? Wie legde als eerste zijn ring af? Of waren ze tegelijkertijd op elkaar uitgekeken? Of waren pendelaars getuige van bekvechten, jammeren, meppen en trappen?’ Koopjesjacht blijft koopjesjacht, eens te meer voor opkopers van goud, ook ik stak mijn vinger een paar keer op, telkens joeg de hand van de veilingmeester met bezwete oksels over andere hoofden in andere richting, getallen ratelden door zijn hele stem heen, de opkoper met bakkebaarden sloeg voor € 110 zijn slag. Biedingen op een Ray Ban met een barst in het glas raasden door het publiek. Bij een MIDI keyboard deed ook ik mijn best, maar de winnaar brulde juichend aan mij voorbij, ‘De treinreis heb ik er nu al uit!’ Ook bij een koffer met lingerie, nog in verpakking, wisten mijn amateuristisch nonchalante handgebaren het eigen handelshuis niet te verblijden, anders dan de kromme oude Turk. Een oude man op iele witte schoentjes was naar Düsseldorf gekomen om in de winkel precies zo’n glazen weegschaal aan te schaffen, en nou zo’n koopje! De spelcomputer bleek even populair als een tas met sportschoenen en een kleine kristallen bol. De man der spitse bakkebaarden sloeg, onverstoorbaar nonchalant, zijn slag bij een Ghanees gewaad, XXL, met bijbehorende muts. PUMA sweatshirts: moeder, getreiterd door haar geteisem: ‘Verkeerde kleur, terug naar de winkel!’ Andermaal Podolski, weer een hele partij.

Dan werd door de man met zweetoksels een koffertje in de hoogte geheven.

Het afgeronde designobject (witte spikkels op een grijs geruit vlak, opbollend tot een halve maan) was een verrassingskoffertje, het zat met een cijfercombinatie op slot; ronduit jammer dat zomaar te beschadigen. Een knipoog flitste over het gezicht van de veilingmeester, maar de zweetoksels voorkwamen bij allen de lust tot interpretatie. Wij vernamen: de aanstaande koper draagt het risico van de inhoud, maar wie zet niet graag geld in voor een koffer vol geheimen? Wie waagt er eens een gok? Misschien zit wel een ziel in, of cosmetica? Lingerie? Een neanderthalerhoofd met bijpassende beenderen, door een verstrooide wetenschapper opgegraven? Of het gestroopte vel van de laatste Tasmaanse buidelwolf, achteloos meegetroond door een schietgraag toerist, vers van de luchthaven, waar ze het wetenschappelijke belang van zijn vondst zo min als hij in de gaten hebben? Of het vel van een visotter? Een pelikanensnavel? Twijgjes krabbescheer? Rozetten van de vleesetende aldrovanda: levende wezens uit de Donaudelta; daar had Lenuţa eens dromerig van gesproken. Of was het de diepste bodem van mijn gevoelens, alsnog opgedoken, samen met de bijbehorende geheimste notities, zelfs mij onbekend? De opkopers ontvingen een geducht concurrent. De veilende Hollandse vinger schoot heen en weer, hoog boven allen uit, keer op keer struikelde de stem van de zwetende oksels over de getallen. Ook ik viel bijna om bij het eindeloze zwenken van mijn hand, maar hield mij staande; twijfel, moest verder, hand even laconiek als alle andere in de strijd, ver boven de € 80, steeds meer handen gleden langs hun lichamen weg, terwijl de studentes giechelden, en ik had nog geld, waar menig ander zijn budget geplunderd had. Nog geen halve tel voor het ‘andermaal’ van de veilingmeester sloeg ik toe, het verschrompelde mannetje een nanoseconde te snel af; ik die mij had weten in te tomen bij de overvloed van afdanking, nam het meest bijzondere object tot koopwaar voor een handelshuis, kersvers te verschijnen op internet, als ik dat zou doorzetten, in ontvangst, ik merkte prompt het vedergewicht, toen het koffertje met zijn hengsel over mijn schouder werd gehangen. Luchtig ontweek ik de schoonmaakwagen, die zoemend door de stationshal kwam gereden.

Omdat ik de vijfduizend euro voor de Audi die meneer Krüger uit Hamburg aan het Zwarte Neanderthaler Front had kwijtgespeeld, verder wilde besteden, stapte ik op de tram. Ik bereikte een hofje met hoge gevels in gebroken wit.
Vanachter een venster waakten Boeddha en de H. Maagd Maria over een speelplaats en een hondentoilet, maar ook, ergens binnenshuis, over Catharina uit Tsjechië in haar witte laarzen. Ze lachte koddig toen ik haar de ruiter-cap op de lange zwarte haren zette, en hield op mijn verzoek het lange witte schoeisel aan. Schoongespoeld onder de douche, betrad ik een kamer met lichtgroene sprei. Nederig zei ik haar aardig te vinden, en van haar, met de cap op het hoofd uitgespreid over het groen, vernam ik hetzelfde over mijzelf. Ik streelde de fijne schouders, ontdeed haar geoefend van de knalrode bh. De stevigheid van haar slanke lichaam was opvallend; ik kuste de laarzen. Zij liet zich de borsten kneden, stond mij toe dat ik de lippen sloot rond de linkertepel: zij leunde achterover onder diep gezucht. Ik schoof het tweede kussen onder het hoofd, mocht de cap nooit uit het oog verliezen.
Geen woord doet recht aan de zachtheid van het lichaam en de intensiteit waarmee zij toestond dat mijn hand haar kneedde tussen de benen. Ja, ik blijf Nederlander genoeg om het bij de pathetiek van esthetisch defaitisme te laten. Zij rekte zich uit. Ik kroop tussen de witte laarzen. De borsten omspeelden de ruimte, meer dan de lichtgroene sprei vermocht, de cap hield al die werkelijkheden schielijk bij elkaar. Zij wilde een vinger in zichzelf, vervolgens wilde zij nog een tweede vinger in zichzelf. Benen klemden om het mannenhoofd. Dat vernam ergens vandaan een zachte snik. Het hoofd rustte uit op haar buik, zij, onveranderlijk toegerust met de cap, zei dat ik haar bezoeken kon wanneer ik maar wilde. Ik antwoordde met een zin van Dorian Nauta, die niet echt spontaan in mij opkwam: ‘Brave lieden vergeten dat ook zij vrijuit kunnen struinen tussen paardenbloemen en lissen, langs aalscholvers in zwarte populieren.’ Zij keek hiervan op, maar was wel wat gewend; trok een hesje aan, vroeg wat er in mijn koffer zat, en of ik de volgende keer de cap weer meebracht: dan deden we het andersom en was ik haar paardje. Op de eerste vraag luidde mijn antwoord: ‘Ik moet de inhoud zelf nog zien op te graven. Ik heb geen idee.’ Op de tweede: ‘Maar zeker, mijn lieve amazone.’ Zij, die niet wist dat het mooie zwarte ding met goudkleurige voering een presentje voor een vrouw was, kuste mijn voorhoofd, bedeelde mij een likje extra. Thuis herinnerde ik mij de knipoog van de veilingmeester. Het koffertje beschikte over een cijferslot, maar dat het daarmee op slot zat, was een volgend staaltje van zijn flauwekul. Het ging erg gemakkelijk open: ik sloeg de handen voor de ogen.

 

Over de auteur:

Lucas Hüsgen (1960), auteur en vertaler. Vertaalde werk van Dieter M. Gräf, Brigitte Kronauer, Ku Sang, Thomas Stangl, Peter Waterhouse en Yi Won. Recente publicaties: Vederbeds Lumière (poëzie, 2009), Nazi te Venlo (essays, 2011) en De windbel (roman, 2012).