thema:

Legeringen – inleiding

Volgens Gaston Bachelard zijn schrijvers huiverig voor metaal. ‘Geen woord over
lood of over het buitengewone en oeroude tin! Over de lichte, de zwevende metalen,
aluminium of magnesium, al evenmin. De literatuur heeft ze hun adelbriefje, hun brevet
van luchtmetalen, niet gegeven.’ Hij vraagt zich in La terre et les rêveries du repos
af, of de vulgarisering van wetenschappelijke kennis een einde heeft gemaakt aan het
wakend dromen waarmee metaal lange tijd verbonden was.

Wij geloven niet dat het metaal uit de taal verdween. Taal is bij uitstek een vloeibaar
materiaal; elke tekst is een legering op zich, een kolkende massa op zoek naar zichzelf:
een nieuwe legering, een nieuw allooi, nieuwe alliage. Woorden draaien om
elkaar heen, elkaar ontwijkend, op zoek naar elkaar, naar de variatie ten opzichte
van elkaar. Een tekst kan altijd weer worden aangelengd of herschreven.

Mijn overgrootvader was draaiersbaas. Hij stond 45 jaar lang in scheepswerf Gusto
(nu IHC) in Schiedam tussen de metaalkrullen achter een van de draaibanken en
bracht aan het eind van zijn loopbaan een kolossale en loeizware bankschroef mee
naar huis, achterop de fiets. Zijn schoonzoon (mijn opa) begon bij dezelfde werkgever
als machinebankwerker en klom op tot ‘crasseur’, nu een verdwenen beroep: op
metalen voorwerpen (platen, cilinders, balken en buizen) met geel vetkrijt of met een
kraspen aangeven waar of wat er gezaagd moet worden. Een precisiekarwei, inmiddels
overgenomen door computers.

Zouden metaalbewerkingsprocessen ook kunnen worden toegepast op de taal?
Zijn technieken als etsen, draaien, walsen en stansen ooit op woorden losgelaten?
Bestaan er teksten waarin de taal wordt aangetast, kapot geslagen of juist vanuit
het constructivisme opgericht? Al speurend naar materiaal kwamen teksten naar ons
toegestroomd, alsof wij ergens een gat hadden geboord waar de vloeibare erts uit
begon weg te lekken.

Te midden van koperdieven, zinksmelters, zegelringen en vergulde plafonds viert
Terras zijn vijfjarig lustrum. Terras # 10 Metalen voert langs ijzeroer,
moeraserts en klappersteen. In Metalen wordt de ferro-concrete poëzie van Vasily Kamenski
opgesteld en worden de niet gestolde gedichten van Paul Celan gedolven. B. Zwaal gedenkt
het werfwaartse staal en de schatrijke koopman Trip. Marcus Roloff ontsteekt De A en de O
en Emma Crebolder ontgint de aardpek. H.G. Wells voert in De kegel een metaalfabriek
op als anonieme moordmachine. In de beangstigende gedichtenreeks Grafiet van Marcel Beyer
wacht het gereedschap tot het toe kan slaan, van strijkbout tot smeedtang: ‘Taalangst,
absoluut. De taal is dit: een tang die je gaaienkwabben verwijdert uit je fragiele schedel’
.
De metalige kilte wordt eveneens voelbaar in het verhaal Ik van de Chinese Kong Yalei
waarin K zich na het ontwaken in plaats van in een miljoenenstad als enige bewoner op een eiland
blijkt te bevinden. Uljana Wolf laat de taal verweren, schraapt woorden uit haar vocabulaire in
het van ziekten doorspekte Aliens. Ze schrijft: ‘koud staal. wij denken aan de vrouwen
die hun kleren ermee knoopten. aan de knopen. waren ze spiegels. verried hun glans ze.
hielden ze stand’
.

IJzer, nikkel en kobalt kunnen magnetisch gemaakt worden, evenals de IJslandse midder-
nachtvan Laura Broekhuysen, waarin een broer verklaart: ‘De binnenste magneet
is zo heet als de zon, vallend ijzer dat tegen zichzelf aan blijft kruipen, ons grip aan
de grond geeft, sneeuwschubben van de bergwand trekt’. Het gevoelsleven ligt achter
botten, schedels en ijzer verborgen. Brünhilt hangt in Nibelungen revisited van Ulrike
Draesner haar man aan een spijker. Metaal biedt vaak ook uitkomst. In Dru Ulft belicht
Roeland Fossen een landend pannendeksel. Arnoud van Adrichem bevraagt in
IJzer de blingbling op het strand. Verderop ontleedt Lotte Landman een zilvermeeuw.
Cathérine Lommée draait in Compositie Phase de brug in een schuine spiegel omlaag,
Idwer de la Parra debuteert met Havenwater en Advent. ‘In die lange, trage winter,
door haar duistere ijzer’
heen wacht Margarita Aliger in Leningrad op de lente.
Jean Brierre wijst in Toinon, die moskee de metalen krassen in mannenstemmen
aan en ‘een man die het sap met zwavel verrijkt, verhoogt het smeltpunt een beetje’
schrijft Nico Bleutge in ‘s nachts gloeien de schepen. Jan Lauwereyns stelt
de vergiftigde wereld voorbij de opwarming aan ons voor. In de chemische
smeltkroes van Konrad Bayer vloeien de ingrediënten voor de steen der wijzen samen:
‘goudgele noordzeekrabben uit messing glippen met ratelend uurwerk geschrokken
in hun schuilhoeken. Vissen van kunsthars stoten tegen onze benen. Enkele drijven
met hun buik naar boven aan het oppervlak. Door de melkglasruiten van onze ogen
zien we dat de tandraderen niet meer draaien.’
Eleonore Schönmaier verzet zich in
Glijvlucht tegen de onherstelbare schade die de natuur uit naam van menselijke belangen
wordt aangedaan.
Patricia de Groot brengt in Een sterk staaltje een ervaren meubelmonteur tijdens
de bouw van een kast in verwarring. Hélène Gelèns leidt ons in Pechblende langs de
uraniumroerselen van Marie Curie. Jan Nieuwenhuis laat wapengekletter, Heavy metal,
koperblazers en Jean Tinguely resoneren en Henk van der Waal – aan wie we
vroegen de Terraslezing te schrijven, die op Poetry International wordt uitgesproken –
houdt een pleidooi voor het poëtische en zoekt langs een spoor van ontreddering naar
de duistere oorsprong, de diepte waaruit de taal kan worden opgetakeld.

Louis Couperus publiceerde in 1899 de novelle Fidessa. ‘Pantser mij’, laat Couperus
Fidessa zeggen als zij na een lange zwerftocht tegenover de cycloop staat die de
bliksem smeedt en de starrige vuurbollen aan het hemelgewelf heeft opgehangen.
De reus weigert de opdracht maar trekt zich na haar aanhoudende smeekbedes
toch terug in de smidse en drijft en ciseleert daar in zeven dagen een harnas, helm en
scherppuntige metaalschoenen. Dat zij geharnast niet meer kan vliegen, maakt haar
niets uit. Ze is door ridder Sans-Joye ontdekt in het bos van de eenhoorn, een kijkdoos
als van metaal gemaakt:
‘In een droppelende tinteling van lichtende vonken, wanneer het maanlicht hangen
bleef aan het lover, dat duidelijker opzilverde. Zoo verijlde het woud, zoo verschemerde
het in transparante nachtperspectieven, tot plotseling het was met de bomen gedaan,
en de laatste abeelen, duidelijk uitgeknipt, louter zilver, als met muntdragende
twijgjes rijk opdroomden in een mist van de maan. (…) Op ijzergepantserde paarden
trok het leger van Sans-Joye de poorten uit, langs ijzergepantserde soudeniers (soldaten)
en kopergepantserde kooplui’.

Hoeveel metaal kan een bladzijde verdragen? ‘Naast de Indus staan twee bergen, de
een heeft de eigenschap alles wat van ijzer is vast te houden, de ander stoot het juist
af. Dus als iemand spijkers onder zijn schoenzolen heeft kan hij op de ene berg zijn
voeten niet lostrekken en ze op de andere niet neerzetten’
, schrijft Plinius in de
afdeling ‘Wonderen van de aarde’ in zijn Naturalis historica.

Hopelijk ervaart de lezer van deze Metalen eenzelfde dualiteit van afkaatsen en
samensmelten. De schrijvers in dit tiende nummer hebben hun pantsers afgelegd en
uitgespreid. Zij tonen in deze uitgave hun maliënkolders van taal, taligste metalen en
metaligste talen. Er is sprake van roest en corrosie, maar aan metaalmoeheid lijden
zij en wij nog lang niet.

het etsen van ijzer en staal

Over de auteur:

Miek Zwamborn is schrijver, vertaler en beeldend kunstenaar. In haar werk spelen landschap en geschiedenis een belangrijke rol. Zij publiceerde de romans Oploper (2000), Vallend Hout (2004) en de dichtbundel Het krieken van sepia (2008). In 2013 verscheen haar derde roman De duimsprong bij uitgeverij Van Oorschot.