thema:

Lichamelijk meedenken

Naaldjes

Misschien waren de bovenarmen en schouders het mooiste. Er zaten glooiende spierwelvingen in. Geen dikke bobbels, maar concentraties van stevigheid. Op de rug zaten soms plakkertjes, die op het eerste gezicht pukkels leken. Deze ronde en doorzichtige plakkertjes hielden kleine naaldjes op hun plaats. Ze leken op haartjes of splinters en staken een heel klein beetje uit, net genoeg om een zwart stipje te zien. Onder de kleren werd het lichaam permanent door de naaldjes gecorrigeerd. Ze werden regelmatig vervangen, en steeds op andere plekken aangebracht. Ze zonden signalen uit naar alle uithoeken van het lichaam waar de balans niet optimaal was, het lichaam stemmend als een muziekinstrument. Ondertussen verplaatste het lichaam zich ongehinderd. Het werkte, at en sliep terwijl de naaldjes hun werk deden.

Het lichaam beoefende vier maal per week kung fu, de sport van de reactie op de aanval. Het leerde de eigen ledematen af te vuren alsof het objecten waren, met maximaal gespannen gewrichten en pezen. De armen en benen waren na de lessen rood en opgezwollen, hard en dik. Vaak begon het lichaam plotseling te oefenen, zomaar ergens, en sloeg zijn armen voor zich uit door de lucht, de ene na de andere denkbeeldige aanvaller wegmaaiend.

Het lichaam kon ook heel langzaam bewegen, als het tai chi-oefeningen deed. Wanneer het in de huiskamer lange reeksen figuren uitvoerde, van de ene houding naar de andere glijdend, kwam het vaak in botsing met het meubilair, of belandde het tegen de muur. Het schoof door de ruimte zonder de gebruikelijke afstand te bewaren tot de materie, zonder zich te voegen naar de uitnodigingen van stoelen, de afweringen van muren, de insluitingen van hoeken.

Als het lichaam zich in gezelschap bevond van vreemde lichamen probeerde het zich afzijdig te houden. Het posteerde zich in de periferie en keerde in zichzelf. Het hing in de ruimte als een jas aan een kapstok. Het boog licht de rug, als een schildpad, en sloot de borst.

Soms werd het lichaam door hartstocht overmand door een ander lichaam. Dan bleef het beheerst en zachtaardig. Nooit maakte het een onverhoedse beweging. Het betastte het lichaam waar de begeerte naar uitging behoedzaam. Als het andere lichaam een orgasme bereikte, pauzeerde het beleefd om het niet te storen. Op momenten waarop het gebit niet gepoetst was, opende het de mond liever niet.

Bij een ander lichaam thuis liet het zich na binnenkomst meteen op het bed vallen en wachtte, een zwijgende invitatie. Als het andere lichaam kwam, kropen de lichamen eerst tegen elkaar, staarden naar het plafond, naar de plooien van elkaars kleren, de details van huid, haren en ogen. Dan brak het moment aan van ontkleding. Niet stukje bij beetje, maar alles meteen, zonder ruwheid, maar efficiënt. Soms bleken er na afloop naaldjes uitgevallen te zijn, die spoorloos verdwenen in het bed.


Dit is de derde bijdrage van Richtje Reinsma in de reeks Lichamelijk meedenken. Zie ook ‘Weg’‘Stuk’‘Het voorbeeldlichaam’‘Het lichaam tussen de dingen’ en ‘Lek’.

Over de auteur:

Richtje Reinsma (1979) is kunstenaar en woont en werkt in Amsterdam. Ze studeerde aan de Rietveld Academie (BA) en het Sandberg Instituut (MA). Haar artikelen verschenen onder meer in Skrien, Mister Motley en Kunstbeeld. Haar beeldend werk was te zien in o.a. Mediamatic, Amsterdam; Onomatopee, Eindhoven en Museum Jan Cunen, Oss. Richtje is medeoprichter van en deelnemer aan de kunstenaarscollectieven Het Harde Potlood en De Parasiet. www.richtjereinsma.nl