thema:

Licht stroomt als water

Vertaling:

Verbluft keek ik naar al de verschillende schaalmodellen die de hele verdieping vulden. Het leek alsof ik een fantasiewereld binnenliep, alsof ik verdwaald was in een andere tijd. Ik wist even niet waar ik als eerste moest kijken, wat ik als eerste moest denken. Carol, Aka’s vrouw, overhandigde me een vergrootglas. Toen ik daardoor keek, kon ik al helemaal geen woord meer over mijn lippen krijgen. In het midden van de ruimte op een tafel lag een klinkerstraatje zoals in middeleeuws Europa, met winkels aan weerszijden. Alles, van de paarden tot de cipressen langs de weg, zag er levensecht uit. Een brug verbond het straatje met een andere straat. Op de brug wandelde een verliefd stelletje. Je kon zien dat het een verliefd stelletje was, want ook al raakten ze elkaar niet aan, toch straalden ze verliefdheid uit. Ongelofelijk, het waren echt maar twee modelfiguren. Langs die stille straat stond om onduidelijke redenen een woeste draak met uitgespreide vleugels, gele ogen en groene schubben. Voor mijn gevoel kende ik hem, maar ik kon niet bedenken waarvan. Zijn houding was niet dreigend, eerder vragend. Hij zag er absoluut niet uit alsof hij vuur ging spuwen. Ik kon ook niet zeggen waar dat gevoel dan weer vandaan kwam. Naast de draak stond een modelhuisje in barokstijl met inscripties en zuilen. Als je door de kleine raampjes keek, zag je binnen een groot kabinet, wandtapijten en namaakantieke meubelen. Op de boekenplanken kon je zelfs boeken van Stendhal, Jane Austen, Sabbatini, Dumas en Conrad ontwaren. Op tafel stond een vaas met bloemen die op narcissen leken… Dat was natuurlijk ook allemaal namaak, want planten zouden nooit zo miniklein kunnen zijn, maar het blad was zo groen dat je het water er bijna in kon zien bewegen.
Naast het huis stond een rechthoekige betonnen constructie van ongeveer gelijke grootte. Carol overhandigde me een kleine camera die er uitzag als een elektriciteitsdraad en liet me de lens ervan naar binnen steken. Ik volgde haar instructies en stak de cameralens in het gaatje van ongeveer een halve centimeter. Langzaam verscheen op het schermpje wat er binnen te zien was. De muur was in een onberispelijk patroon gebutst en gehavend; alle gaten waren ongeveer even groot. Het duurde even voor ik besefte dat ik naar een mierennest keek.
De kleine Carol had de gewoonte om bij het praten omhoog te kijken, alsof ze daar iets zag. ‘Aka heeft zijn hele leven gehoopt dat hij een wereld zou kunnen kopiëren die net zo uitgebreid was als de echte wereld,’ zei ze met een stem die geen enkele emotie verried. Ze pakte iets wat op een tandenstoker leek en stak het in het huisje in barokstijl. Binnen bevond zich een kleine draaitafel. Ze zette de naald op de plaat, en tot mijn stomme verbazing hoorde ik Das Musikalisches Opfer van Bach. Ik kon een zucht niet onderdrukken.

Aka was mijn rivaal op de lagere school. Ik werd vaak door de onderwijzer uitgekozen om deel te nemen aan allerlei kunstwedstrijden en wedstrijden voor Chinees schilderen en aquarelleren. Maar op één onderdeel moest Aka altijd onze klas vertegenwoordigen. Dat was metaalbewerking. Misschien moet ik het geen metaalbewerking noemen, want het was nog maar de lagere school. We maakten geen metalen voorwerpen van edelmetaal, maar we knipten allerlei vormen uit lege drankblikjes. De meeste kinderen konden alleen een lelijke taxi uitknippen, of een bloem, een lompe plant of iets anders stoms. Maar Aka kon zomaar een tank vervaardigen uit een Heisong blikje. Hij kon een paard-en-wagen knippen uit een Coca-Cola blikje. Als ik er nu aan terugdenk was dat ongelofelijk knap. Het leek wel of hij door de buitenlaag van dingen heen kon kijken. Hij wist precies wat je van een opengebogen blikje kon maken. Ik was jaloers op zijn talent, omdat ik wist dat ik alleen tweedimensionaal kon werken, terwijl zijn talent drie dimensies besloeg.
Terwijl Carol beneden koffie ging zetten, maakte ik van de gelegenheid gebruik om in het huis rond te kijken. Op de begane grond van het woonhuis stond een Nissan March met allerlei gereedschap. Er was een witte hond die Duoduo heette. Op de eerste verdieping waren de slaapkamer van Aka en Carol en de eetkamer. Ik bevond me op de tweede verdieping, die iets meer dan honderdveertig vierkante meter besloeg en uit één ruimte bestond. Er stonden een aantal rijen tafels met allerlei schaalmodellen erop. Dat klopt ook niet helemaal; vanwege de ruimtelijke indeling en de belichting vormden die miniaturen allemaal afzonderlijke scènes. Steeds als ik me een stukje verplaatste, had ik het gevoel dat ik naar een volgende scène ging. Ik wist zeker dat er over de plaatsing van de schaalmodellen was nagedacht.
Carol zette de koffie op een tafeltje vlakbij de deur. We keken zwijgend de kamer rond en wisten niet hoe we het gesprek moesten beginnen. Ik deed een poging. ‘Wat een spectaculaire kamer,’ verbrak ik de stilte. ‘Dit is het levenswerk van Aka. Heb je er weleens over nagedacht om het open te stellen voor publiek?’ Carol schudde het hoofd. Als ze glimlachte had ze duidelijke lachrimpels, alsof ze geen verdriet gekend had. Ze begon te vertellen over de periode nadat Aka van school was, over een Aka die ik niet kende.

 

Aka heeft me ooit verteld dat hij schaalmodellen was gaan bouwen omdat zijn vader, toen hij elf was, Star Wars van George Lucas gehuurd had om de aankoop van een videorecorder te vieren. Hij zag de film vier jaar nadat die uitkwam. Star Wars kwam in 1977 uit, en geheel toevallig was het kassucces 770 miljoen. Hij werd fan van de Millennium Falcon toen hij hem had gezien. Het ruimteschip werd later gekozen tot een van de vijftien meest sexy ruimteschepen. Kun je je indenken dat een ruimteschip ‘sexy’ kan zijn? Aka zei dat het inderdaad sexy was. Ooit probeerde hij een exemplaar van de Millennium Falcon uit een blikje te knippen.
Lucas gebruikte in die tijd modeltechnologie bij het filmen. Dat hield in dat hij realistische miniaturen gebruikte om die ongelofelijke beelden van sterrenoorlogen te filmen. De sterrenoorlogen leken zich af te spelen in een oneindig uitgestrekt universum, maar waren in werkelijkheid in een klein kamertje geproduceerd. Het ruimteschip kon alleen maar bestuurd worden door een modelchauffeurtje ter grootte van een kleine hagedis. En die veelkleurige lichteffecten in die sterrenstelsels waren al helemaal kunstmatig. De beheersing daarvan is een geavanceerd vakmanschap, want de lichteffecten bepalen of de miniatuur wel of geen illusie van echtheid overbrengt. Deze technieken, waarbij miniaturen worden gebruikt om een realistisch ruimtelijk effect te bereiken, worden mechanische speciale effecten genoemd.
Volgens Aka verwachtte de filmstudio in eerste instantie niet veel van de film. Daarom ruilde Lucas zijn salaris in voor het eigendomsrecht van de film. Enkele tientallen jaren later had Lucas al miljarden dollars verdiend aan spelletjes, speelgoed en verzamelartikelen. Het begon allemaal met miniaturen in een studio. Het laat zien dat Lucas beschikte over een buitengewone vooruitziende blik en sterke fantasie.
Het gebruik van miniaturen voor het produceren van een film werd in de twintigste eeuw langzaamaan vervangen door computer graphics. Vanuit artistiek oogpunt was dat een achteruitgang. Aka vond dat alleen verfijnde miniaturen een tastbare herinnering achterlieten. Hij zei dat digitale technologie beperkt was tot elektronische signalen en dat digitale signalen niets tastbaars achterlieten.
Ik weet niet of jij een fan bent van Star Wars, maar in vergelijking met andere science fiction-klassiekers zoals Blade Runner stelde de Star Wars filmserie inhoudelijk weinig voor. De serie is zelfs oppervlakkig te noemen. Zelfs Aka was het daarmee eens, maar hij was gefascineerd door het vermogen om het universum te verkleinen en in een kamer tot zijn recht te laten komen.
In 1975 heeft Lucas voor het filmen van Star Wars Industrial Light and Magic opgericht, misschien heb je daar weleens van gehoord. Dit bedrijf vertegenwoordigde later de top waar het ging om de productie van miniaturen. Het hoorde bij de Hollywood-industrie, maar volgens Aka was hun werk ook een belangrijke verworvenheid in de kunstgeschiedenis van de mensheid. Toen hij in San Francisco Beeldende Kunst studeerde, ging hij met een zelfgemaakt schaalmodel naar Industrial Light and Magic, om een trainingsplaats te bemachtigen. Louis, de interviewer, was hoofd van de afdeling mechanische structuur. Hij zag wel wat in zijn werk en Aka kreeg een positie als basistechnicus. Op mijn vraag welk schaalmodel hij hem heeft laten zien, zei hij dat het maar een model van zijn vaders fiets was, dat later zoekraakte.
Aka praatte graag over zijn tijd bij Industrial Light and Magic. Zijn technische trainer herinnerde hem er weleens aan dat een miniatuurmaker maar één ding hoeft te kunnen: de wereld die je met gesloten ogen in je fantasie schept, tastbare werkelijkheid laten worden. Je moet scènes in je hoofd concreet kunnen maken. Een briljant technicus weet dat de buitenmuur van een huis er totaal anders uitziet dan een badkamermuur als je van beide de tegels verwijdert. Dat komt doordat de herkomst van de waterdampen en de snelheid waarmee die doordringen verschilt. Zo’n technicus weet dat scheuren in de pijlers van bruggen altijd horizontaal zijn, terwijl scheuren in de steunpilaren van gebouwen altijd verticaal zijn. Dat komt doordat voertuigen die over de brug rijden niet alleen zorgen voor drukspanning vanwege zwaartekracht, maar ook voor trekspanning door hun snelheid. Daardoor zien beschadigingen in het beton er anders uit. Roestplekken op bronzen beelden, gewapend beton, waterleidingen of stalen rolluiken hebben elk hun unieke kleur, die je niet met elkaar mag verwarren. De technici van Industrial Light and Magic gebruikten in hun laboratoria hun ervaringen uit de echte wereld door almaar lagen lak op voorwerpen aan te brengen en dingen uit te proberen. Ze konden stadsmuren maken van hout, lieten grasvelden groeien van mos en gebruikten doorzichtige plastic zakken om de lichtinval te veranderen en zo de weersomstandigheden te beïnvloeden. Ze gebruikten whisky om een diepgekleurd meer voor te spiegelen, vulmiddel om ijs te produceren, gaven bomen vorm door middel van katoenvezels… Technici die zagen hoe ze eindelijk de werkelijkheid opnieuw hadden laten verschijnen in alle kleur en glorie hieven met vochtig-glimmende ogen het hoofd. Ze richtten hun blik niet op andere technici, maar omhoog, alsof er een wolk bij het plafond van het laboratorium zweefde. Misschien geloof je het niet, maar dit soort magische kunsten heb ik mijn echtgenoot ooit zelf voor mijn eigen ogen zien uitvoeren.
Later ging Aka weg bij Industrial Light and Magic. Niet omdat hij het allemaal al kon, zei hij, maar omdat hij steeds slechter tegen Lucas kon. Hij vond dat de grote baas de vooruitziende blik die hij had toen hij een universum verkleinde tot een miniwereld kwijt was. Na zijn terugkomst in Taiwan maakte Aka schaalmodellen voor buitenlandse filmstudio’s en maakte hij op bestelling via internet speciale modellen. In die tijd ontmoetten we elkaar. Hij kwam vaak bij ons penselen kopen om zijn schaalmodellen te kleuren. Mijn vader maakt nu nog steeds penselen met de hand, hij is een kleine beroemdheid in die branche. Ik vroeg Aka een keer waarom hij zo’n voorkeur had voor mijn vaders penselen. Hij antwoordde dat mijn vaders penselen leefden, en dat alleen een levend penseel levende kleur kon aanbrengen. Later kwam ik er pas achter dat Aka’s vader op de derde verdieping van het winkelcentrum een ateliertje had voor het schrijven van condoleanceposters, Nieuwjaarsposters en gelukwensposters voor winkelopeningen en huwelijken. Daarom hecht hij bijzonder aan goede penselen.
Bij Aka’s terugkomst uit Amerika was het winkelcentrum al afgebroken. Hij vond het vreselijk dat hij geen kans had gekregen om laatste foto’s te nemen. Veel herinneringen zijn zo met de tijd vervlogen. Nadat hij een aantal jaar informatie had verzameld, is hij ongeveer tien jaar geleden begonnen met een serie miniaturen van het winkelcentrum. Het kan zijn dat hij toen al te veel chemicaliën en verf had ingeademd. Misschien hadden er al pathologische veranderingen plaatsgevonden in zijn longen. Later overleed zijn vader en viel de last van financiële verplichtingen tegenover zijn familie van zijn schouders. Daarom investeerde hij het geld dat hij over de jaren verdiend had in zichzelf. Hij begon steen voor steen en winkel voor winkel de bouw van een schaalmodel van het winkelcentrum te plannen. Voor zijn dood vorig jaar heeft hij maar viereneenhalf gebouw kunnen afmaken. Toen je belde dat je Aka wilde bezoeken, dacht ik dat je ervan wist. Daarvóór was ik juist in de veronderstelling dat ik de enige in de wereld was die ervan wist. Ik schrok behoorlijk.
‘Waar is het schaalmodel nu?’
‘Op de derde verdieping.’
‘Kan ik een kijkje nemen?’
‘Daarvoor kwam je toch hier?’

 

Soms denk ik terug aan dat moment waarop ik van de tweede verdieping van Aka’s huis naar de derde liep. Het was een oud, muf ruikend appartement, maar door de sfeer die in alle donkere hoeken hing, leek het wel licht uit te stralen. Het deed me denken aan de trappen aan twee kanten van het winkelcentrum, zwart en vettig. Als kind liep ik op mijn slippers klepperend zo’n trap op. Aan het eind zag je het daglicht schijnen.
Zelfs als ik nu terugdenk aan het moment waarop ik die deur op de derde verdieping opende, voel ik weer die schok. De tijd tussen toen en nu lijkt gekrompen, en dat moment verschijnt opnieuw voor mijn ogen. Omdat de woning langwerpig was, stond het langwerpige schaalmodel van het winkelcentrum op een rij lange tafels. Het was een lange rij, net als vroeger. Carol legde uit dat geen van de gebouwen echt af was: ‘Aka brak alsmaar zijn hoofd over de precieze locatie van sommige winkels. Hij kon er niet op komen, ook al had hij zoveel mogelijk foto’s van het winkelcentrum verzameld, op internet om foto’s gevraagd en oude mensen geïnterviewd. Maar foto’s zitten vol dode hoeken en de herinneringen van mensen vervagen. Dus het kan zijn dat de plaats van sommige winkels verschoven is.’
‘Ik weet het ook niet meer. Soms weet je zeker dat die-en-die winkel daar-en-daar was, en soms twijfel je opeens weer.’ De herinneringen lijken langzaam maar onherroepelijk uit elkaar te zijn gevallen vanaf het moment dat het winkelcentrum werd afgebroken. Die vier gebouwen van het winkelcentrum waren bijzonder gedetailleerd gemaakt. Op de voetgangersbrug had Aka bijvoorbeeld zelfs het kauwgom op de grond aangebracht. Tot en met de roestplekken op de stalen handrails zag het er echt uit. Door het vergrootglas keek ik de straat af, van het gebouw Loyaliteit tot het gebouw Liefde. De plaats van ieder winkeltje begon samen te vloeien met mijn herinnering. Van het gebouw Loyaliteit tot het gebouw Liefde was de miniatuur vrij compleet, van het gebouw Vertrouwen stond alleen een geraamte en de voetgangersbrug tussen Liefde en Vertrouwen was helemaal niet af. Dat was alleen een vorm zonder kleur, met bovenop kleurloze poppetjes. Tussen de kinderen die zich verzameld hadden rondom de tovenaar vond ik mezelf. Ongelofelijk dat ik in een kleurloze miniatuur een meer dan twintig jaar jongere versie van mezelf kon herkennen. Ik kon een zucht niet onderdrukken.
Ik bekeek het allemaal rustig. Toen trok de kleurloze miniatuur van Vertrouwen mijn aandacht, omdat één winkel daarvan al helemaal af was. Die had Aka duidelijk gebruikt als oriëntatiepunt. Het was het Enige Echte Yang-Chun Noedels eettentje. In dat eettentje van zes of zeven centimeter stond dicht bij de uitgang een vouwtafel, met daarop een paar borden suddervlees. Aan de kleur kon je zien dat het lang had staan sudderen en overheerlijk was. De varkensoren waren ongetwijfeld heerlijk zacht. Iets verder naar binnen stond een pan kokend water, een pan kokende varkensbottensoep en een pan met soep van runderbouillon. Natuurlijk kan een miniatuur geen echt heet water bevatten. Toch voelde ik de hete lucht tegen mijn gezicht slaan als ik dichtbij kwam, ik wist ook niet hoe het kon. Op het oppervlak van de runderbouillon dreven glanzende vetkringen. Ik keek langs het interieur verder naar binnen. Aan twee kanten waren tafels, gemaakt van houten planken, tegen de muur gespijkerd die dienst deden als tafels, eronder waren de goedkoopste zwarte ronde krukjes geplaatst. De verf op de randen van de kurkjes was grotendeels weggesleten. Sommige van de krukjes hadden nog maar drie poten. Je kon zien dat het een oud eettentje was. Helemaal achteraan was een gootsteen voor de afwas, met stapels schalen en borden waar het vet nog niet vanaf was gespoeld. Aan de zijkant was een houten trap naar een lage zolder waar een gemiddelde volwassene onmogelijk rechtop kon staan.
Ik zat altijd graag aan de kant van het raam op de zolder noedels te eten, omdat je van daaruit de voorbijgangers in de wandelgang langs de weg kon zien. Langs de muren van de zolder waren ook allemaal lange tafels gespijkerd, met diezelfde krukjes eronder. De muren waren volgeplakt met minuscule reclameposters voor stripshows. In die tijd zaten we allemaal voor dat soort posters de hete Yang-Chun noedels te eten. Als je je hoofd ophief, staarde je vaak recht naar de navel of borsten van de vrouwen op de posters. Meestal bedekten twee sterretjes de tepels, alsof het je leven was dat weliswaar voor je lag te schitteren, maar dat je toch nog niet te zien kreeg. Ik herinner me dat de eigenaar zijn neus vaak snoot in zijn handen, die hij dan afveegde aan een doek. Die doek gebruikte hij dan weer om de soep van de zijkant van schalen af te vegen. Zijn duim stak altijd in de soep als hij die naar je toe bracht. Nooit klaagde een klant erover. Uiteindelijk was het toch de enige eettent in het hele winkelcentrum waar ze harde tofu verkochten die de hele dag in runderbouillon had staan koken, zodat er bouillon in de tofu zat. De smaak deed je kwijlen als je erin beet. Je kocht harde tofu en je kreeg er een hele slok gratis bouillon bij.
De vaardigheid van Aka had het allemaal bij me teruggebracht: de geur, de smerigheid en het vettige gevoel van dat eettentje. Ik had zelfs de indruk dat er net als in mijn herinnering kleine stukjes uit de schalen waren. Dat zorgde er toen ik klein was vaak voor dat de soep uit mijn mondhoeken droop als ik mijn kom ophief en de soep dronk. Ik keek op naar Aka’s vrouw, die mijn emoties misschien opgemerkt had. Mogelijk stelde ze vertrouwen in mij omdat ik geraakt was door de miniaturen van haar man. ‘Aka zei eens dat hij hoopte dat iemand zou helpen om dingen toe te voegen,’ zei ze. ‘Hij bedoelde niet de miniatuur afmaken, maar de dingen die een miniatuur niet kan weergeven.’
Ik stelde me voor hoe Aka zich verloren had in het werk; hoe hij met een scherp mes de klei of het papier vormgaf om die miniatuurwereld te bouwen. Hoe hij het vervolgens met schuurpapier steeds weer bijschaafde, en hoe hij vervolgens stukje voor stukje voorzichtig verf aanbracht met katoen en een penseel. Dat herinnerde me aan de geconcentreerde blik van Aka als hij bezig was met metaalbewerking. Het was dan altijd alsof het oude blikje in zijn hand een parel was.

 

Ik herinner me dat ik een keer werd aangewezen om met Aka samen te werken. We namen deel aan een wedstrijd namens onze school en moesten een lantaarn maken. We bleven samen achter in het kunstlokaal en besloten een feniks als thema te nemen. Hij hield vol dat we iedere veer van de feniks apart moesten uitknippen. Ik vond dat je het papier gewoon kon vouwen en dan knippen. Zo kon je wel acht veren in één keer knippen. We hebben er niet over gekibbeld, maar gewoon het lijf van de feniks verdeeld en ieder ons eigen stuk gedaan. Maar aan de veren die we op het lijf van de feniks plakten, zag iedereen die oplette een klein, maar cruciaal verschil. Onze lantaarn won de eerste prijs van het land, maar toen we de prijs in ontvangst namen, schaamde ik me zo dat ik geen woord kon uitbrengen.
‘Aka was alleen zo bedreven als hij een miniatuur aan het maken was,’ zei Carol. ‘Zodra hij terugkeerde tot de werkelijkheid, werd hij weer die man in zijn goedkope kloffie die zijn baard niet eens netjes schoor.’ Het viel me op dat er geen spatje vuil op haar witte T-shirt zat. Ze zag er verzorgd uit. Aka was er niet meer, dus ze was ongetwijfeld in de rouw. Toch liet ze zich niet versloffen. ‘Aka en ik zijn vijftien jaar samen geweest,’ zei ze, ‘en ik heb altijd gedacht dat hij in een droomwereld leefde. We waren gelukkig samen, maar het was niet gemakkelijk om met hem te zijn.’

 

Misschien leven we wel echt in een droomwereld. Die dag was ik eerst met Aka naar De Enige Echte Yang Chun Noedels geweest om noedels te eten. Daarna renden we naar het dak. We keken naar de stromen van autolichten op de weg en hadden het erover dat de zomervakantie bijna voorbij was. We vroegen ons af hoe we die vreselijke schooltijd moesten doorkomen.
‘Stel dat we nooit meer naar school hoeven, zou dat kunnen?’
‘Als er steeds tyfoons zijn.’
‘Sukkel, hoeveel tyfoons heb je dan wel nodig?’
‘Of een grote aardbeving.’
‘Bij een grote aardbeving is het winkelcentrum er ook gelijk niet meer.’
‘Of de directeur van de school wordt aangereden.’
‘Jij denkt dat ze geen nieuwe kiezen.’
‘Sukkel.’
‘Jij.’
‘Nee jij bent een sukkel.’
‘Ik heb het. Als alle lichten uitgaan, dan kan niemand meer iets doen en dan gaat de school misschien ook dicht.’
‘Dat kan wel.’
‘Ja, dat kan wel.’
Toen vertelde Aka me over die keer dat hij op het dak een ‘Lichttovershow’ had gezien.

 

Iedere middag tijdens de lunch legde Aka voor zijn vader de posters met karakters op het dak om te drogen. Dat was zijn taak. Ik wist niet dat de belangrijkste inkomsten van Aka’s vader uit het schrijven van condoleanceposters kwamen. Er stierven iedere dag mensen, dat was nu eenmaal zo, zei zijn vader. Hij hoopte niet speciaal dat er veel mensen stierven zodat hij veel werk had. Werk had hij toch altijd wel. Er stierven immers elke dag mensen en als ze stierven, moesten er condoleanceposters komen. Iedereen zorgde dat er condoleanceposters geschreven werden, zodat andere mensen wisten dat er verdriet was om de overledene. ‘Eigenlijk is het niet bijzonder verdrietig als er iemand doodgaat. Dood is dood, wat je ook over de overledene zegt en hoe je diegene ook prijst.’ Omdat de vader van Aka slecht ter been was, moest Aka tijdens de lunchpauze van school naar huis rennen over de voetgangersbrug. Hij moest de condoleanceposters tussen de was van de buren te drogen te hangen op het dak aan de lijnen die de bewoners opgehangen hadden. Er stonden meestal dingen als: ‘Te vroeg uit het leven’, ‘Een goede reputatie die generaties zal voortduren’ of ‘Voor altijd een voorbeeld’. Aka zei dat hij zijn vader had gevraagd wat die dingen betekenden. Zijn vader zei dat het verzuchtingen waren dat die mensen te jong waren gestorven. Ze wilden zeggen dat diegene goed had geleefd. Op die bewuste dag was Aka na schooltijd, toen het donker werd, vergeten de posters weer binnen te halen. Hij dacht er pas aan na het avondeten. Hij rende naar boven en zag de tovenaar daar verveeld naar het nachtelijke uitzicht over de stad zitten kijken. De tovenaar zag Aka naar boven komen om de condoleanceposters binnen te halen.
‘Heeft je vader die geschreven?’ vroeg hij.
‘Hm.’
‘Erg goed geschreven. Jammer dat hij condoleanceposters schrijft. Je vader kan goed kalligraferen.’
‘Bedankt. Ik zal het tegen hem zeggen. Hij zal heel blij zijn.’
Aka wilde zich omdraaien en weglopen, maar hij bedacht zich opeens. ‘Tovenaar, kun je echt toveren?’ vroeg hij aan de tovenaar.
‘“Echt”? Dat ligt eraan wat je bedoelt met “echt”,’ antwoordde die.
Aka schudde zijn hoofd. Hij begreep het niet.
‘Ik neem wel een voorbeeld. Denk je dat licht echt is?’
‘Bedoel je zoiets als zonlicht?’’
‘Ja.’
‘Natuurlijk is dat echt.’
‘Maar kun jij licht zien?’
Aka stond met een mond vol tanden. Dat was voor Aka nog een te moeilijke vraag.
‘Licht heeft kleur, maar dat zien wij normaal niet. Wij zien de kleuren in licht pas als het door bepaalde dingen heengaat of onder andere specifieke omstandigheden. Wij denken dat het pas echt is als we het zien, maar die kleuren zijn er ook in doorzichtig licht. Het is eigenlijk heel simpel, maar de mensheid heeft er heel lang over gedaan om erachter te komen,’ legde de tovenaar uit. ‘Waarom denk je dat dit neonlicht rood is?’
‘Ik weet het niet.’
‘Denk er eens over na. Je mag ook zomaar raden.’
‘Omdat er rood licht in zit?’
‘Denk je dat dat kan?’
‘Hm?’ reageerde Aka onzeker.
‘Een beetje zeker van je zaak, kom op.’
‘Hm.’
‘Harder.’
‘Hm!’
‘Dan is het dus echt zo.’
De tovenaar pakte in één beweging een steentje op en gooide dat met kracht richting de grote neonreclame. Hij gooide het steentje tegen één van de neonbuizen, die met een knal kapot sprong. Aka schrok, want volgens zijn vader mocht je niet zomaar andermans spullen kapotmaken. Maar nu kwam er rood licht uit het gat in de neonbuis. Het stroomde eruit als rook. Het leek wel of het rode licht leefde. Het kronkelde en dreef langzaam in de lucht. Het draaide voor Aka’s ogen rond, draaide daarna richting de lucht boven het winkelcentrum en verspreidde zich rustig. Toen kwam het weer even bij elkaar alsof het ergens aan dacht, en verdween toen langzaam. Aka keek ernaar, alsof hij getuige was van de geboorte van iets. Hij stond even verstomd.
‘Dus in de blauwe neonlichten zit blauw licht, en in de groene zit groen licht?’
De tovenaar keek hem aan en antwoordde niet.

 

‘Dus je zag echt dat er rood licht uit de rode neonbuis kwam?’
‘Echt, als een slang.’
‘Ik geloof er niets van.’
‘Geloof je het niet? Probeer het maar, dan zul je zien.’
We stonden aan het uiteinde van het vijfde gebouw. Daar was ook de grote neonreclame van National. Het bijzondere was dat de witte lichten van die neonreclame eerst van beneden naar boven rij voor rij aansprongen, en daarna sprongen de bredere rode aan. Als alle neonlichten aan waren, gingen ze van boven naar beneden weer rij voor rij uit. Dan was de neonreclame weer verborgen in de duisternis. Daarna knipperde het geheel plotseling heel snel twee keer, alsof het bliksemde. Het was in die tijd vast en zeker de schitterendste neonreclame van heel Taipei.
Ik raapte een stukje tegel op van de grond en lette op wanneer de rode neonlichten aan zouden gaan. Daarna gooide ik met al mijn kracht het stukje tegel naar de neonbuizen. Er volgde een rinkelend geluid. Er zat zeker een gat in de neonbuis, maar we zagen alleen maar een beetje zwarte rook. De neonbuis gaf geen licht meer. Waar zou het rode licht eruit gekomen zijn? Toen Aka zag dat ik ongelovig naar hem keek, raapte hij ook een stukje tegel op. Hij gooide het naar de rode neonlichten aan de andere kant, maar ook daar kwam alleen een beetje zwarte rook uit. We waren diep teleurgesteld.
‘Er moet een spreuk zijn waar de tovenaar niets over gezegd heeft.’ We gingen zwijgend naar de weg voor het winkelcentrum zitten kijken.
‘Misschien lukt het alleen bij dit rode neonlicht niet?’ opperde ik.
‘Ja, vast, het kan misschien niet bij alle neonlichten.’
Aka en ik waren allebei doeners, dus we liepen gelijk naar een vluchtheuvel om stenen te verzamelen. We begonnen bij de neonlichten op het eerste gebouw van het winkelcentrum: de zwart-witte ‘Parel inkt, Parel schoenpoets’, en toen de wit-blauwe ‘Seiko horloges’ en de groene ‘Heisong Cola’ (ik vergis me niet, het is Heisong Cola), de rode neonreclame van mondwater, de blauw-paars-witte Tenco reclame en de rode van HCG… Alle neonreclames op het dak lieten we gehavend en gebroken achter. Veel neonbuizen gaven geen licht meer. Overal waar een zwarte buis was, leek het wel alsof de neonreclame een tand verloren had. Maar het gaf allemaal steeds alleen een ‘katsjoeng’ geluid, en er kwam steeds een pluimpje zwarte rook uit. Deze uitkomst was een vernedering voor Aka. Hij twijfelde of ik hem wel geloofde.
‘Die stomme tovenaar is een bedrieger.’
‘Misschien snappen wij niets van toveren.’
‘Maar hij heeft gezegd dat het al genoeg is als je het gelooft. Hij heeft helemaal niets gezegd over spreuken en zo.’
‘Heeft hij dat gezegd?’
‘Dat heeft hij gezegd, de stomme leugenaar.’
Plotseling leek het wel of hij gek werd. Hij pakte een stuk baksteen op en gooide het richting de neonlichten. Ik was verbaasd. Even leek hij de gewone Aka niet. Het kan zijn dat hij te zacht gooide, of misschien mikte hij niet goed omdat hij boos was. In ieder geval kwam de steen tegen de onderkant van de neonverlichting aan het eind van het winkelcentrum. We hoorden plotseling één harde knal en die enorme neonreclame floepte opeens helemaal uit. Omdat er plotseling veel minder licht was, sloten we allebei in een reflex even onze ogen. Witte schaduwen bewogen over onze netvliezen. Toen we onze ogen weer openden, leek het wel of het hele winkelcentrum donker was geworden, alsof we verblind waren. Al snel kwam ons gezichtsvermogen weer terug. Aka en ik kreunden allebei even. Op het dak van het achtste gebouw van het winkelcentrum zagen we allebei de grote neonreclame die we kapotgemaakt hadden. Er kwam groen, geel, wit, rood, blauw en paars licht uit. Het licht stroomde als water, van veraf tot recht voor onze ogen. Het stroomde rustig richting de grond, naar de voetgangersbrug, over de trap naar beneden. Het stroomde samen de weg op en vormde een rivier van licht, die richting de twee kanten van de stad stroomde. Dat soort licht heb ik sindsdien mijn hele leven niet meer gezien. Tot op het moment dat ik dit schrijf, kunnen mijn ogen nog steeds niet helemaal aan dat licht wennen.

 

Ik was verzonken in mijn herinneringen. Het gesprek met Carol strandde meerdere keren omdat ik geen antwoord gaf. Ik vertelde haar het verhaal, omdat ik me schuldig voelde.
‘Denk je dat het echt was?’
‘Je mag me uitlachen, maar ik heb het zelf gezien.’
‘Hoe liep het af?’
‘Aka en ik zijn snel weggevlucht van die plek. Ik hoorde dat de schade in het hele winkelcentrum meer dan tienduizend dollar was.’
‘Ha ha, jullie zijn me een stelletje…’
‘Oh ja, heeft Aka je weleens verteld waarom hij zo graag schaalmodellen maakte?’
Carol staarde naar mijn koffiebeker. Het viel me op dat ze ontzettend lange wimpers had. ‘Hij heeft een keer iets gezegd, ik weet niet of dat een goede uitleg is. Hij zei dat hij niet goed met de echte wereld kon omgaan.’
‘Is dat zo,’ reageerde ik. Ik kon deze redenering volledig volgen en begrijpen. Carol leek opeens iets te bedenken. Ze stond abrupt op en deed alle lichten in de kamer uit. Ze tastte onder de tafel, glimlachte kort naar me, en zette toen een schakelaar om. De lichten van alle winkels in het centrum bleken aan te kunnen. Zodra ze aan waren, werd het opeens een drukte van belang in het centrum dat eerst alleen maar een miniatuur geweest was. Ik geloofde mijn ogen niet, mijn hele lijf voelde heet. Het was alsof ik weer met mijn moeder mee was en luidkeels onze waren moest aanprijzen. De enorme neonreclames torenden boven het dak van het winkelcentrum uit. De manier waarop ze aan en uit sprongen en knipperden was precies hetzelfde als dertig jaar geleden. De neonreclame van National ging net als vroeger van beneden naar boven aan, eerst wit en dan rood. Vervolgens ging hij weer in tegengestelde volgorde uit, als de schuimkoppen van golven. Daarna knipperde hij nog even twee keer als in een blije uitroep. Ik concentreerde me op de lichten en zag dat sommige ervan geen licht gaven. Alsof er gaten in zaten. Het waren de lichten die Aka en ik dat jaar met stukken tegel kapot gooiden.

Over de auteur:

Wu Ming-yi (1971) is een schrijver uit Taiwan met een sterke voorliefde voor de natuur. Zijn roman Fuyanren (2011) werd in het Engels vertaald als The Man with the Compound Eyes over een jongen van een eiland in de Stille Oceaan die geofferd wordt aan de god van de zee, maar op een eiland van drijvend afval belandt en aanspoelt op Taiwan. Het is een verhaal waarin fantasie en werkelijkheid sterk verweven zijn, met een dystopische kijk op milieukwesties. In 2015 verscheen van hem Danche shiqie ji (De gestolen fiets). Het hier vertaalde verhaal komt uit de bundel Tovenaar op de Brug (2011), met daarin tien verhalen die allemaal plaatsvinden in een beroemd winkelcentrum in Taipei in de jaren zeventig. De tovenaar, het winkelcentrum en opgehaalde herinneringen zorgen voor de continuïteit in de bundel. De hoofdpersonen zijn overwegend volwassenen, die in overtuigende flashbacks terugkeren naar hun kindertijd in het winkelcentrum. De vertellers verschillen per verhaal, maar af en toe komt een personage uit het ene verhaal ook voor in het andere; de tovenaar komt bijvoorbeeld in vrijwel ieder verhaal voor. De lezer wordt zo meegesleept in de sfeer van een winkelcentrum vol oude bekenden; de herinneringen van verschillende personages overlappen. Verhalen vertellen wordt in deze bundel een magische bezigheid, waarin de verteller als een tovenaar speelt met herinneringen, tijd, onzichtbaarheid, verdwijning en andere thema’s. De herinnering kan zelfs de dood overbruggen en maakt van tijd als dimensie bijzaak.

Over de vertaler:

Mathilda Banfield (1988) is literair vertaler vanuit het Chinees. Zij heeft meegewerkt aan verhalenbundels van Su Tong en Bi Feiyu. Samen met Annelous Stiggelbout vertaalde zij Mijn Generatie van Han Han en Ik ben geen secreet van Liu Zhenyun. Begin 2017 verschijnt Hong Kong Noir van Chan Ho-kei, ook vertaald door Annelous Stiggelbout en Mathilda Banfield.