thema:

Drie gedichten

De kindertijd van Gustave Eiffel

Ik droomde van een huis dat de hemel
grondvestte op aarde. Ik zag de mensen aan een toren
bouwen, stenen sjouwen, hijskranen verzinnen
om de volgende verhoging te beginnen, maar boven
de toren hingen al de dreigend grauwe wolken
waar god uit keek, kwaad en jaloers, met een gevoel
van ik word bedreigd. Vlak voordat ik wakker werd,
steeg ik ten hemel, hoger dan driehonderdvierentwintig meter.
De wereld verdween. Eerst de details, de wielen en de bouten,
de vlaggen van de arbeid, de ereprijs en de medailles.
Het drogend schuim aan de randen van de zee,
de gehaakte kleuren van ieders kleine wereld.
Naast mij de grote vogels die mij de techniek
van thermiekbellen en luchtverplaatsing leerden,
de kleine vogels die mij op trektocht wilden nemen.
De mensen verdwenen geleidelijk uit zicht,
de wereld werd heel stil, een onmerkbaar suizen.
De laatste dieren werden vaag. Ik zag
geen vogels meer, geen in het ijs gevangen vissen.
De gebouwen, de steden werden vlekken
tussen de velden en de witte randen van de kust.
Papieren landen lagen tussen gladgestreken zeeën
en ver weg, achter de geschetste bergen dreven
de jaloerse goddelijke wolken. Alles kwam tot rust.

 

 

De kindertijd van Julius Caesar

Ruggelings de wereld te verklaren met uitzicht op de vuile onderkant
van het kantelbare en vetsterrenspat bestraalde tafelblad.

Weggelopen van school omdat de meester om zijn Latijn heen tolde
en vice versa hing op weg naar huis de totus mundus scheef.

Er lonken dode tirannen in de Tiber en alle wouwen escorteren en scheren
over mij terwijl ik mottig fladder als een wouwenvleugelmuis.

Omdat ik niet vallend akelig mag worden als ik de vrouwen passeer
die uit dieren in fuiken en uit hemellichten de toekomst lezen.

Voor de liefde in de wieg gelegd maar nu zie ik alles draaien en ben ik ziek
van misselijk en lig ik linkshandig onder tafel.

In dit vege stadsdeel zijn epilepsie-vissen in mijn hoofd gaan zwemmen
en het zilt van de Subura heeft een verzadiging bereikt.

De poolster van de gemorste olie en het vet moge mij leiden
als straks de bouwval van mijn innerlijk bezwijkt.

 

 

De kindertijd van Jonathan Swift

Bij de slagboom van alle grenzen aangekomen
voel ik me klein of reuzegroot, want
ook al stoot de zon elke dag dezelfde
raadsels uit, ik merk dat ik leger raak
van dagelijkse wereld en van noodzaak.
Er hangt een geur van prille groei, integer
licht, ik zoek een nieuwe wereld,
van de oude ben ik al bijna af gekropen.
Het geheim hoeft niet groter te zijn
dan gras, of dan het licht dat valt vanaf
de kruin van reuzen langs hun stam.

Kolossale zon, bovenmaatse zon,
standvastige, onveranderlijke, ijverige zon.
Dag iedere dag dezelfde zon. De nacht,
de nacht zal ik benutten om tijdens
mijn slaap de gloednieuwe, ideale wereld
te kunnen zien: regen die horizontaal
en vol kleuren verder reist, de wolken
die op het gras lichtvoetig dansen,
de zoogdieren hand in hand en alle
kevers in een eindeloze, lichtgevende,
pootjes aaneengehaakte kermisband.

Over de auteur:

Tomas Lieske (1943) is schrijver. Hij publiceerde dichtbundels, verhalenbundels, romans en de essaybundel 'Het hoofd in de toendra' (Van Oorschot, 1989). Was geruime tijd redacteur van Tirade. Lieske won onder meer de VSB-poëzieprijs voor 'Hoe je geliefde te herkennen' (Querido, 2006) en de Libris Literatuurprijs voor 'Franklin' (Querido, 2000). Zijn laatste roman heet 'Achter de waterspiegel' (Querido, 2014).