thema:

Lieve Johanneke, geachte familie, beste vrienden van Jacq, Jacq

Toen Tjit mij zaterdagochtend belde met het verzoek hier vandaag iets te zeggen – hij deed dat zo mooi bedremmeld als alleen Tjit dat kan: hij zei, eh, eh je bent tenslotte van De Bezige Bij en, en, je was toch goed met hem?

Precies op dat moment zat ik buiten in de kou op een winderig atletiekterrein in Overvecht te denken dat ik eigenlijk graag iets zou willen zeggen op de begrafenis van Jacq.

Net daarvoor had ik het nieuws van Jacqs overlijden gelezen op Teletekst, en net daarvoor ontving ik een In memoriam dat Erik Lindner had geschreven.

Ik zat dus in mijn hoofd een uitdijende toespraak te houden, of eigenlijk herinneringen op te halen die gestaag een monoloog werden. Eigenlijk stoorde Tjit mij daarbij, terwijl hij mij om een toespraak vroeg. Ik wilde dus ook niet opnemen, besloot dat toch te doen, en toen ik begreep dat het om Tjit ging wist ik ook meteen, al voor hij sprak, waarom hij belde.

Het gesprek duurde maar een minuut, ik zei dat ik erover moest denken, terwijl ik intussen voortbouwde aan mijn monoloog.

 

Beste Jacq, vreemd nabije vriend die ik zelden sprak, vriend die ik voor het laatst sprak bij een nogal onbestemd afscheid van Raster op De Bezige Bij, toen ik daar nog niet in dienst was, en ik was gevraagd door De Bij?, door Raster?, door Jacq?, maar dan toch niet direct, door niemand direct, iets te zeggen bij het afscheid van Raster.

Natuurlijk sprak ik mijn grote waardering uit voor het blad, – die waardering is ook immens -, terwijl ik tegelijkertijd de vaders ervan kapittelde, dat zij te weinig zonen en dochters hadden gemaakt, en te vaak rare kinderen hadden aangenomen die de familie niet versterkten, eerder langzamerhand ontmantelden, de tijd kon als het ware zijn werk doen, en wat is de tijd de afgelopen jaren juist op dit punt actief geweest. Er waren die middag schrijvers aanwezig die zich sterk verwant voelden, maar die toch nooit zonen of dochters waren geworden, ze waren er wel, daar zit iets moois in, ook iets tragisch, in een notendop zag ik terwijl ik stond te praten hoe de dingen gaan, hoe moeilijk het is om een bezield verband te smeden en steeds opnieuw.

 

We spraken elkaar daarna bij de borrel, en als altijd werd ik getroffen door Jacqs beminnelijkheid en belangstelling, het gesprek verliep niet anders dan alle gesprekken die ik gedurende lange jaren zo af en toe met hem voerde: en als steeds bemerkte ik hoe fantastisch het is met iemand te spreken die niet alleen werkelijk erudiet is, maar die ook gegrepen wordt door de belezenheid en honger, de hartstocht van de ander. Daarin zat iets koortsigs waarbij ik me altijd bijzonder gezond heb gevoeld, een verhoging die de wereld mooier maakte en juist enorm samenbindt.

 

Ik maakte kennis met Jacq als lezer. Tijdens mijn studie Nederlands aan de universiteit van Amsterdam vormde een onderdeel van het curriculum in de eerste jaren, het onderdeel:

Experimentele literatuur. In die tijd bestond de lesstof vaak uit lelijk gekopieerd of gestencild materiaal, dat zag er vanzelf al behoorlijk experimenteel uit. Zeker als je bedenkt dat onderwerp van de colleges onder meer was: welke strategieën teksten hebben, wat de werking van teksten is, en hoe teksten spreken met andere teksten. Misschien door de geur van de correctielak werd ik toch gegrepen door dit onderwerp, of eigenlijk door de onmiskenbare eruditie die uit deze verhalen, die uit deze raadsels sprak. Ander schrijven leidde ook tot ander lezen, maar was dat nu werkelijk zo anders: was het niet veeleer zo dat ik me als lezer veel bewuster werd van processen die zich in mijn hoofd afspeelden tijdens het lezen? En werd ik me niet ineens veel bewuster van het voortdurende commentaar dat ik leverde, waarmee dat later geijkte begrip terugschrijven al in het vroege werk van Jacq volop aanwezig was? Nog altijd een zeer bruikbaar begrip dat vaak ook nuttig wordt gebruikt in literaire commentaren, of wanneer mensen uitspreken dat een verhaal iets in hen heeft ontketend en dat zij de behoefte voelen iets terug te zeggen tegen de schrijver. En dat ook doen.

Eigenlijk een wonderschoon en verbindend idee dat volstrekt bij het lezen hoort, en dat niet alleen verband legt tussen teksten, maar ook tussen mensen, tussen tijdperken, een begrip dus met een groot historisch, psychologisch en sociaal belang: feitelijk de uitdrukking van een weefsel dat mensen idealiter met elkaar vormen. Dat was eigenlijk het verlangen, in de praktijk enigszins utopisch zoals zo vaak blijkt, maar als stimulerend idee niettemin van groot belang.

 

Nu ik probeer heel beknopt de invloed van Jacq op lezers van mijn generatie te schetsen wil ik graag ook de naam van Anthony Mertens noemen, en niet alleen zijn naam. De bezieldheid van Anthony als leraar hing in hoge mate samen met zijn gegrepenheid door de werkwijzen en denkwijzen die zich in het oeuvre van Jacq openbaren. Als er iemand iets van gloed heeft doorgegeven de afgelopen decennia, die het vuur van de literaire bezieling doorgaf dan is het Anthony, een deel van de warmtebron werd  onmiskenbaar gevoed door het werk van Jacq.

 

Daar kwam in de jaren na mijn studie spoedig een dimensie bij die voor mij persoonlijk, maar ook voor De Bezige Bij, later Querido, en de zo noodzakelijke internationale oriëntatie van Nederland essentieel was, en die ik hier graag memoreer. In Raster ontsloten Jacq en zijn collega’s het werk van tientallen internationale auteurs, van wie het werk daarvoor vaak totaal terra incognita was. Ontsluiten neem ik daarbij heel letterlijk, werelden, manieren van denken, manieren van schrijven werden geopend, zelfs de talrijke tegenstanders van deze bezieldheid, deze procédé’s zijn er voorgoed door veranderd. Dat was een volkomen onbaatzuchtige kracht die voor het literaire landschap en het denken groot belang had, ook al is dat wellicht niet ten volle onderkend, die kracht is in elk geval sluipend aanwezig, precies volgens de theorieën zoals ik die leerde van de Experimentele literatuur. Jacq, die oorlog is gewonnen, al moet die telkens opnieuw gewonnen worden: ook deze tijd lijdt aan een eigenlijk onbegrijpelijke blikvernauwing waarbij er vreemd genoeg internationaal steeds minder wordt waargenomen. Aan ons, aan Querido en De Bij de weidsheid van het landschap en de bevrijdende kracht daarvan steeds opnieuw te zoeken en te tonen.

 

 

Gisteren troffen mij een aantal observaties en uitspraken van Arnon Grunberg in de Volkskrant; klinisch noteert hij herinneringen aan een gesprek dat hij ooit voerde met Jacq; Het ging over Jacqs boek ‘kampliteratuur’, ’je kunt een boek uitgeven,’ zo wordt Jacq geciteerd, ‘ je kunt een boek ook opgeven, De Bezige Bij heeft mijn boek opgegeven.’ Vervolgens gaat Grunberg op de hem kenmerkende wijze wat stappen verder: en stelt dat het de gang van schrijvers is te worden opgegeven, soms moet men zich haasten om de wil tot sterven niet te verliezen, citeert hij Sjalamov, naar mijn smaak nogal, nogal uit het verband.  Laat ik persoonlijk spreken, en tegelijk als uitgever van De Bezige Bij, want die twee zijn zoveel mogelijk verbonden. Ik heb het oeuvre van Jacq lange jaren gevolgd, besproken en becommentarieerd, vaak verdedigd ook, ik heb het in veel opzichten een belangrijke inspiratiebron gevonden.

En ‘Kampliteratuur’ zelf zie ik niet alleen als een fenomenaal boek, ook als een toonbeeld van moed die eruditie waarachtig zin en betekenis geeft, een boek waarvan de pijn voelbaar is, zo diep gaan in het doorvoelen en doordenken van zoveel belangrijke vragen, dat is ook een voortdurend snijden in het eigen vlees.

 

Ik ben Jacq daarom diep dankbaar voor wat hij schrijvend heeft gegeven, voor zijn gids-zijn in onherbergzame gebieden.

Onlangs zat ik Littell te herlezen, niet Robert, maar ‘Les bienveillantes’ van zijn zoon Jonathan. Daarbij bemerkte ik dat ik al lezend telkens zat te denken: wat zou Jacq hiervan vinden, van deze schriftuur, deze woordkeus, deze gedachtegangen.

Hij was de enige lezer aan wie ik dacht, ik kon niet bepalen of hij dit werk zou hebben bewonderd, daar zijn vele redenen voor denkbaar, of zou hebben verfoeid en verworpen, daar kon ik ook allerlei redenen voor bedenken. En zo was ik al lezende in gesprek met een lezer, was ik niet aan het terugschrijven, maar aan het corresponderen met een derde partij. Ik las zinnen en gaf mijn commentaar en voelde tegelijkertijd dat iemand een derde partij meeblies, een derde stem zong. Die derde partij was Jacq, bepaald niet opgegeven, dat is een heel bijzondere positie.

En nu?

Ik zal Jacq missen, ofschoon ik hem de laatste jaren zelden zag, ik zal hem missen, maar ik zal hem zonder twijfel geregeld tegenkomen, als ik lees. Dan zal ik met hem spreken en corresponderen, de koorts voelen, de koorts van het denken dat alles levend maakt en dat altijd doorgaat.

Over de auteur:

Henk Pröpper (1958) is directeur van uitgeverij De Bezige Bij. Hij schreef essays over onder meer Giorgio Bassani, Henri Michaux, Marcel Proust. Eerder was hij directeur van het Institut Néerlandais en het Nederlands Letterenfonds. Publicaties: Het zwaard van de krab (roman, 1991), Een intiem slagveld (essays, 1993) en Waterlanders (bespiegelingen, 1995).