thema:

Lima

De reis begint een jaar eerder tijdens het sorteren van mijn potloden en stiften. Een jaar lang legde ik apart wat ik mee wilde nemen. Drie romans, een schrift, een schetsboek, drie penselen, een verfdoos. Steeds koos ik andere kleuren stiften, een balpen, blauw of zwart, twee of drie, legde cd’s apart, vioolpartituren, toch een notitieblokje, een extra spiraalschrift. Dan weer dreigde de stapel te groot te worden en koos ik weer iets anders uit. De uitgezochte spullen hadden een status aparte, toch kon het soms echt niet anders en nam ik een item van de stapel dat ik dan al goed kon gebruiken. Van de kleren die ik dacht mee te nemen raakte de helft dat jaar al versleten. Een panisch optimisme maakte zich de laatste dagen voor vertrek van mij meester, zodanig dat ik tijdens het afscheid van mijn ouders op het vliegveld bijna de slappe lach kreeg.

De lucht, de aankomsthal, de auto, alles had een bruine kleur. Het miezerde en er was een wind die een weëe lucht met zich meebracht. Ik trok aan mijn broekspijpen en wrikte aan de broeksknoop op mijn buik. Om mijn voeten zaten de schoenen als zware lompe dozen. Ik zou spijt moeten hebben dat ik die schoenen voor de reis had uitgekozen, maar ik negeerde het ongemak en rechtte mijn rug.

Er was nauwelijks genoeg plaats in de auto voor alle bagage en de drie medreizigers. De enorme schoenen haakten vast onder de stoel voor me, waardoor ik trekkend en kruipend een plaats zocht. Ik ging op één been zitten en stootte mijn hoofd tegen het dak. Gele straatlantaarns blikkerden in de stroperige lucht en in de ruiten. De chauffeur claxonneerde nonstop. Het was niet duidelijk waarom, misschien om aan te geven dat hij de auto voor zich in zou halen. Die antwoordde op zijn beurt met de claxon. De drie rijstroken werden door vijf rijen auto’s bereden. Blinkende auto’s claxonneerden even hard als auto’s zonder koplampen, met een missende deur of gebroken achterruit. Aan beide kanten van de bestuurder stonden de ramen open, waardoor de auto steeds de bruine lucht naar binnen zoog. Het voelde als natte slagen op mijn kaken. Uit niets kon ik opmaken dat het de anderen deerde die net een aftastend kennismakingsgesprek waren begonnen.

We liepen door een gang die me aan het klooster bij mijn middelbare school deed denken. De hals van mijn trui zat te strak en ik trok opnieuw aan de pijpen van mijn broek. We kregen een kamer aangewezen en na enkele uren woelen tussen de bruine lakens en dekens viel ik in de bruine kamer in slaap. De dromen zorgden ervoor dat ik met hoofdpijn wakker werd. Toen ik door de gang liep, voelde mijn hoofd wankel op mijn nek. De haren op mijn hoofd stonden in ongepaste pieken overeind. In een kleine kamer waren enkele van de nieuwelingen bij elkaar gekomen. Uit de informatie die ik her en der verzamelde, maakte ik niets anders op dan dat zij meer wisten dan ik. Tijdens de terugtocht door de bruine gangen deed ik mijn best conversatie te voeren, maar de pogingen strandden.

Mijn nieuwe familie stond in de hoek van de ruimte en nam me nieuwsgierig op. De zoon, een geblokte jongen met een goedmoedig volrond gezicht, sprak enkele woorden Engels die als dode vogeltjes uit zijn mond rolden. Zijn ouders stonden ietwat achter hem en deden hun best de paar woorden Engels die ze kenden op een gepast moment uit te spreken. En te herhalen. Ik luisterde geduldig, knikte enthousiast, waardoor de zwarte ogen van de vader gingen glanzen. Omar, zo stelde de jongen zich voor en mi papa, Jorge. Ik schudde de hand van Jorge die daarop driemaal zijn vrouw voorstelde als Ana, Ana Maria viel ze bij. Ondertussen tikte ze onophoudelijk met haar lange gelakte nagels tegen haar tanden. Na enkele ceremoniële woorden van de chauffeur die tevens de directeur van de organisatie bleek te zijn, begreep ik dat ze me mee zouden nemen naar hun huis. Ze gebaarden me hun auto in. De ramen voorin waren helemaal open gedraaid. De lucht was koud, maar er priemde een aardig zonnetje door de wolken. Mijn nieuwe vader, Jorge, liet een arm uit het raam hangen en gooide zijn hoofd in zijn nek om mij allerhande woorden toe te schreeuwen die nauwelijks boven het geraas van de auto’s uitkwamen. You violin? You 14 years? You love animals? I zoo. Zoo. Animal. Lion. Zoo. Ook hij claxonneerde uitvoerig, vloekte tegen alles wat los en vast zat. Dan weer lachte hij en klapte met zijn hand tegen de zijkant van de wagen.

Toen ik naar beneden werd geroepen stond er een bord warm eten op tafel. Ik wachtte, stond weer op, ging weer naar boven, keerde vijf minuten later terug. De moeder keek verbaasd en gelastte me te eten. Dus ging ik weer zitten en wachtte. Toen de zoon naar beneden kwam, haalde zij een opgeschept bord van onder de folie, schepte een berg rijst uit een rijstkoker en plaatste die in de magnetron. Dit ritueel herhaalde zich met de dochter, die zich voorstelde als Gianina, en met de vader. De laatste kreeg een schaal kleine pepers waar hij met een slappe lip grote happen uit nam die in de keuken extra hol klonken. Het uitgebreide gezin zat samen rond de tafel. Het zusje monsterde me nieuwsgierig en Omar, de broer, legde uit dat de organisatie de indruk had gegeven dat zij een veertienjarige in hun gezin op zouden nemen, een vriendinnetje voor Gianina. Na de maaltijd zei ik gracias, zoals ik het de andere familieleden had horen doen.

Het was hartje zomer geweest toen ik in het vliegtuig stapte, maar in Lima was het winter en de smog niet van de mist te onderscheiden. Dat het ook koud kon zijn had ik me niet kunnen inbeelden, of het was de beperking geweest van de 20 kg bagage, in elk geval ontbrak het me aan truien. Maar een echte winter kon je het niet noemen. Omar wees naar de thermometer buiten waarvan het kwik nooit onder de dertien graden zakte. De mist bleef dan wel netjes buiten hangen, de vochtige lucht trok in alle meubels in het huis. Ik droeg verschillende lagen over elkaar maar als de zon ergens doorheen priemde, vond ik die lagen meteen weer aanstellerij.

De eerste weken verkende ik de buurt rond het huis. Dat deed ik uiterst behoedzaam. Iedereen had me gewaarschuwd voor de gevaren van de stad: als meisje ga je niet alleen de straat op. Maar het huis, gelegen aan de Calle Madrid, lag in een wijk die volledig van de stad was afgesloten en waar bewakers in bruine pakken elkaar aflosten. Ik kon de een niet van de ander onderscheiden. Allen knikten vriendelijk wanneer ik passeerde. Er waren verschillende toegangspoorten, die afwisselend open waren. Soms moest ik een heel blok omlopen vanwege een gesloten hek. Wanneer ik lang genoeg bij een hek bleef staan sjorren, in verbazing omdat ik er net iemand doorheen had zien gaan, kwam het voor dat een bewaker een sleutel tevoorschijn haalde. Ondanks de vriendelijke maar afstandelijke knikjes, vond ik niet snel een manier om hun aandacht te trekken. We spraken in vele opzichten elkaars taal niet. Dus liep ik vaak een blok om om door de grote toegangspoort naar buiten te gaan. Die kant van de wijk, waar de werkelijke drukte van de stad voelbaar was, had die eerste weken niet mijn interesse. Als het kon nam ik een hek aan de zijkant en liep door de vreemde straten waar weinig mensen waren maar waar de huizen me iets te vertellen hadden. Ik probeerde iets te begrijpen en greep daartoe het meest vreemde aan. Niet de gladheid van de gekalkte gevels, de geparkeerde auto’s zag ik, maar de hoopjes waar zwerfhonden tussen scharrelden. Het was het vuil, hoezeer het ook bijeengeharkt tussen de huizen lag, dat me vreemd voorkwam. Het was niet per se veel, maar het onthulde iets van het contrast tussen de wereld binnen de wijk en die erbuiten.

De huizen in de wijk waar ik woonde, gaven weinig prijs van hun inwoners. In vergelijking met andere wijken in de stad die residentieel waren, was dit geen rijke wijk. Elk huis had een ander kleur. Ons huis was zacht roze en lag gedeeltelijk verborgen achter een al even roze muur. Net als bijna alle huizen gaf de eerste deur slechts toegang tot een kleine voortuin waar de auto geparkeerd stond. Pas achter die muur lag de werkelijke gevel van het huis. Het raam van mijn slaapkamer op de eerste etage was het ware aangezicht van die gevel. Het was de enige ruimte waarvan ik wist wat zich erachter bevond. Daardoor ervaarde ik de gevel als een scheef gezicht. Mijn raam als een vriendelijk oog, groot en eerlijk. En de andere ramen als glurende ogen die je nooit recht aan keken. De voordeur was als een formaliteit in de gevel geplaatst. Als toegang gebruikte je een zij-ingang rechts, een lange gang die je zonder deuren naar de kleine achtertuin bracht. Je kwam het huis nooit officieel binnen. Er waren wel deuren in die gang die je naar de keuken of een traphal brachten, maar die deden alsof je je reeds binnen bevond. Door de manier waarop je het huis betrad, was er geen enkele mogelijkheid voor mij me er echt thuis te voelen.

In de tuin, die net als de voortuin ingeklemd zat tussen de roze muren, hing een kooi met daarin een papegaai. De eerste keer dat ik het huis betrad, of beter gezegd het huis alweer verliet nog voor ik het had betreden, liet Jorge me zijn papegaai zien. Dit deed hij met zoveel ophef, dat ik niet anders kon dan denken dat het beest erg belangrijk voor hem was. Pas toen op een ochtend het beest stijf op zijn rug lag met zijn pootjes in de grauwe lucht, besefte ik dat hij me het beest had laten zien omdat ik ergens in mijn aanmelding had geschreven dat biologie me interesseerde. Het beest maakte belachelijk veel lawaai. Wanneer je niet meer om dat scherpe, nasale geluid heen kon, bulderde de stem van Jorge. Hij slingerde allerhande verwensingen naar de kop van het beest. Tussen elke verwensing in liet hij een strategische pauze, waarin het beest als een echo de verwensing terugkaatste. Behalve die vloeken, waarvan je niet wist of het spel was of ernst, kreeg de vogel nooit veel aandacht.

Het eerste ding dat je in de keuken aantrof was een enorme koelkast met twee deuren. De bovenste ging open wanneer Jorge, Ana en Gianina, beladen met oranje en blauwe plastic zakken, thuis kwamen. Op de bodem van de zakken verzamelde zich het bloed dat tijdens de tocht uit het vlees was gaan lekken. De zakken waren zwaar en het waren er altijd heel veel. Rood vlees, roze vlees en geel vlees. De bovenste deur was het terrein van Ana Maria. Ze was er een hele tijd mee bezig het vlees in de vriesvakken op te bergen. Aan haar handelingen kon ik merken dat ze precies wist wat ze deed. Soms nam ze een plastic bakje uit een van de kasten om een vreemd stuk in te bewaren, maar het meeste vlees kwam zonder folie op de bodem te liggen. Het resultaat was een vriezer die in de loop van de tijd bloed ging lekken.

Het huis was voor zij terugkeerden heimelijk stil geweest. Ik wist niet waar de familie had uitgehangen, maar eigenlijk wist ik sowieso niet wat dit gezin zoal deed. Ik was in die tijd vegetariër als het me uitkwam. Mogelijk hebben ze me voor het geweld willen behoeden. Maar op mijn verkenningen van de buurt kwam ik vaker langs markten met slagerijen. Okergele kippen hingen in nette rijen aan vastgebonden poten aan het plafond. Ze deden denken aan de kippen van latex die ik wel kende uit comic shows op de televisie. Bij die slagers was geen spoor van bloed te bekennen. Daarom vermoed ik dat het werkelijk een uitstapje was dat ze maakten. De manier waarop ze dan samen thuiskwamen, hoe hun lichamen zich tot elkaar verhielden, alsof ze door het uitstapje lichter waren geworden, maakte van mij aan tafel een vreemdeling. Dat gaf niet. Ik wist dat ik daar geen onderdeel van had kunnen zijn. Ik was blij dat zij dit met elkaar konden delen en zij zich voor mij niet in bochten wrongen. Een deel van het vlees belandde die dag zelf nog in een soep die in het bijzonder door Jorge werd gewaardeerd. Nog lang voor etenstijd zat hij al te zuigen aan koeienogen of knabbelde aan het vlees onder de scherpe nagels van de kippenpoten. Ook Omar en Gianina bedankten voor een dergelijk maal.

De onderste deur gaf toegang tot een enorm diepe koelkast. Dit was met name het terrein van Omar. Hij wist er van alles uit te halen dat door mijn oog totaal onopgemerkt was. Ik opende de deur alleen wanneer ik zeker was dat niemand mij kon zien. Op een dag zag ik hoe Omar een stuk kaas uit de koelkast haalde, en weer opborg. Het duurde weken voor ik kon traceren waar die stukken zich in de koelkast bevonden. De zoektocht in de koelkast werd bemoeilijkt door de grote stukken papaya. Diep oranje waren ze, met glanzende zwarte pitten. Ana Maria maakte er voor ons elke ochtend sap van.

De geur in huis moest met de koelkast te maken hebben. Maar meer nog trof mij het plastic druiprek waar zwarte korsten rond hingen. De geur daar was ondraaglijk. Vooral de eerste weken zag ik het als mijn sympathiek aandeel in het huishouden het ding geregeld schoon te maken. Het was een klus die me plezier gaf doordat het resultaat verblufte. De doekjes of sponsjes waren niet om over naar huis te schrijven. Vloeibaar afwasmiddel heb ik er nooit aangetroffen. Op het aanrecht stond een wit plastic potje met daarin een koek van poeder waar steeds een laagje water op stond. Met een kleine handeling kon je je spons van voldoende afwasmiddel voorzien. Ik maakte er een sport van het sopje op het poeder helder te houden. Ooit ben ik ook begonnen aan het schoonmaken van de kast. Maar omdat ik niet kon peilen of me dat in dank zou worden afgenomen, liet ik op een mooie dag, al het schoonmaakwerk maar zitten.

Het was winter, ik was nog maar enkele weken geleden aangekomen en binnenkort zou het mijn verjaardag zijn. Voor dat laatste had ik geen verwachtingen. Ik hecht niet veel belang aan jarig zijn, noch aan de aandacht die anderen er aan besteden. Al vrij snel was duidelijk dat zij mijn verjaardag niet zouden vergeten. No te preocupes, zei Jorge die mijn vragen naar hoe en wat ermee pareerde. Dus kreeg ik te horen wie zij hadden uitgenodigd. In enkele weken tijd was ik door dit gezin opgenomen, en nu vierden zij mijn verjaardag met iedereen die ik de laatste weken had ontmoet.

* * *

Ik huilde voor de tweede keer toen mijn moeder me vanuit België op de dag voor kerst belde. Op de achtergrond hoorde ik mijn vader zeggen: zeg het haar. Kort daarvoor voelde ik voor het eerst dunne planken van een kast in mijn buik. Ik kon het niet anders definiëren dan als heimwee. De gedachte aan het woord lieten tranen over mijn wangen rollen. Nu waren die tranen er weer. Knuffel is dood, snikte ik tegen mijn aarzelende moeder, die erna het verhaal deed van de kat die zich teruggetrokken had om te sterven. Het was kerstavond en ik had al eerder die avond mijn mooie kleren aangetrokken. En weer uitgedaan toen ik mijn gastvader in wit onderhemd onderuitgezakt aan tafel zag zitten. In zijn ene hand een klein glas, in het andere een fles waarvan ik de inhoud niet kon definiëren. Het Spaans dat ik me in die eerste vier maanden machtig had gemaakt was voldoende om hem te begrijpen. Dat hij niet drinkt. Ana liep geïrriteerd door het huis. Omar lag languit op de bank, zijn benen over de leuning. Hij strekte zijn armen naar me uit toen hij me zag en trok me naast zich. Waar mijn mooie jurk gebleven was? Hij vloekte toen hij zijn parelende voorhoofd afwreef. Het werd nu donker. Niets in huis wees erop dat hier kerstavond zou worden gevierd.

De eerste maanden werd ik bijna dagelijks in de auto meegenomen naar onduidelijke bestemmingen. Soms alleen met Ana. Ze liet me in de auto wachten of in hallen of op stoelen in huizen van vrienden of familie. Alle mensen die ze aan me voorstelde, benaderden me met dezelfde nieuwsgierigheid en gulle lach. In hun handelingen school een warmte die ik van Ana niet kende. Ik kreeg aangelengde limonade, een stuk mierzoete cake of gedroogde bananen. In ruil daarvoor beantwoorde ik hun vragen, toverde een glimlach als dat nodig leek en kuste de wangen. We gingen ook vaak naar haar ouders in Miraflores. Het oudere paar riep meteen veel sympathie in me op en zij ontvingen me hartelijk. Ze knuffelden hun kleinkinderen en deden hun best terwijl Ana zich kil en afwezig bezig hield met ondefinieerbare opdrachten. Op een dag gaf ik Ana een cadeau dat ze met duidelijke ontroering in ontvangst nam. Ze liet het cadeau dicht. Later, op een zeldzaam moment dat ik in hun kamer moest zijn, zag ik dat ze het had uitgepakt. Dagen later bedankte ze me voor de koekjes die het cadeau had bevat. Ik verlangde inmiddels ook al naar Belgische koek.

Wanneer Jorge me meenam in de auto, het raam helemaal open, reed hij eerst traag een ronde door de wijk. Hij hield halt bij elke passant en gaf opdrachten waarvan ik de toedracht niet kon verstaan. De opzichters, er waren er drie die om beurten de hele wijk bewaakten, knikten bij alle woorden. Dan, steeds onvoorspelbaar, verzette hij de versnellingen en maakte vaart. De honden liepen luid blaffend op tot ze ons niet meer konden bijhouden. Ik had er een gewoonte van gemaakt hem te vragen de ramen dicht te draaien. Dit deed hij eerst met volle verbazing, daarna steeds minder ver tot het dichtdraaien van de ramen enkel een formele beweging was naar de hendel, zijn gedachten alweer bij iets anders. De stad lag in een woestijn, iets wat tot mijn verbeelding sprak en wat ik vaak in e-mails aan vrienden schreef, maar in realiteit was het zand eerder zwart vuil stof dat in de poriën van je huid kroop en in willekeurige droge bergen bijeen was geblazen. Toch waren de lanen waar wij bij het verlaten van onze woonwijk door reden groen. Bijna dagelijks zag je grote wagens het groen tussen de lanen besproeien.

Tegen de meeste heuvels in de stad lagen sloppenwijken, een enkele heuvel was een residentieel appartementencomplex dat weelderig over de helling lag. Als we met de auto door de stad reden was er slechts één geplaveide route die de hoogte in ging zonder dat deze ons naar de sloppenwijken zou brengen. Die heuvels boden uitzicht op de stad zoals ik die me het liefste voorstelde. Netjes en overzichtelijk. We hielden er vaker halt om naar beneden te kijken. Dan reden we weer verder en de tekens die Jorge af en toe maakte op zijn voorhoofd, deed ik grappend van hem na. Later begreep ik dat hij een kruisje sloeg bij elke kerk die hij passeerde.

Wanneer we met het hele gezin in de auto zaten, kon de rit lang duren en ik wist nooit waar die ons heen bracht. De ene keer belandden we in de drukte van de groene en blauwe markt, een andere keer bevonden we ons in het vuile hart van de stad om iets als een auto-onderdeel te kopen of we belandden aan de zwarte stranden vol zwarte pelikanen die met hun vale bekken tussen de stenen op het strand stonden te pikken. Als je bleef kijken zag je dan zo’n pelikaan zijn hoofd in zijn nek werpen of onhandig opvliegen. In de mails naar huis repte ik romantisch over de stranden vol pelikanen terwijl ze, vervuild en ziek, in niets leken op de pelikaan op de poster van het bekende inktmerk. Als we nog verder reden, de miljoenenstad achter ons lieten, parkeerde Jorge de auto op een enorm verlaten terrein waar volgens hem het beste restaurant van de stad stond. De zalen stonden vol lege tafels en stoelen en ondanks het bedrukte en bewolkte weer namen we een tafel op de binnenplaats. Ik kreeg de fluorescerend gele Inca Cola te drinken en er werd een groot bord ceviche besteld. Vis die in citroen gegaard was maar mijn lippen deed branden door de hete aji en de rode uien die er rijkelijk doorheen waren gemengd. ’s Avonds haalde ik het notitieboekje uit mijn tas en herhaalde alle Spaanse woorden die ik die dag had geleerd.

Er was een groep vrienden, la mancha, die in een wijk verderop woonden. Wanneer je een bepaalde melodie floot, hoefde je niet aan te bellen, maar kwamen ze meteen naar buiten. Wanneer dat niet gebeurde en je aanbelde, kwam er eerst een dienstmeisje dat met de parlofoon naging wie je was, of achter het hek dat bij vele huizen aan de voordeur vooraf ging voorzichtig een kijkje kwam nemen. Het waren meestal erg vriendelijke meisjes, maar vanaf het moment dat je dacht iets van een band te hebben opgebouwd, waren ze alweer vervangen. Ze woonden bij de vrienden in huis en hun voornaamste taak bestond eruit het zwarte stof dat door alle kieren de huizen binnen waaide weer naar buiten te jagen. In het jaar dat ik in Lima verbleef, besloot ik binnenhuisarchitecte te worden. De interieurs was compleet inwisselbaar, de tl-lichten zetten elke kamer in een niets-verhullend licht waardoor je je nergens geborgen voelde. Behalve in het huis van een van de vrienden uit la mancha, wiens moeder in België had gewoond. Zij kende de kunst van betrokken gastvrijheid en ze aten daar een vieruurtje, met brood en confituur zoals ik het zo goed kende. Ik ging dan ook meestal rond die tijd naar het huis van die vriend, om vervolgens aan te schuiven.

De vrienden slenterden meestal over straat, gingen op straathoeken zitten. ’s Avonds was het niet ongebruikelijk om een fles rum en cola te kopen en deze met z’n allen te delen. Ook de kleine verlaten speeltuinen en parken behoorden tot ons domein. Daarnaast was er vaak een reden om te feesten. Ik zat dan op een bank chips te eten en profiteerde van de interesse die alle vreemde gezichten in me toonden zodat ik me nooit verveelde. ’s Morgens na het feest werd er steevast weer verzameld om de rest van het vat leeg te drinken.

In de school waar ik de eerste maanden een poging deed de lessen te volgen, stonden we ’s morgens in lange rijen voor de ingang. Het schooluniform was van goedkoop materiaal dat kriebelde. In onze Schotse plooirokken en grasgroene truien en synthetische bloesjes zongen we het volkslied terwijl de vlag door een van de tieners werd gehesen. Elke ochtend weer zoenden de scholieren elkaar bij het verwelkomen en ook de leraar die altijd een kwartier later naar binnen liep, kreeg een onthaal als was hij je beste vriend. De haren kammen van het meisje voor je of dobbelspelletjes spelen achterin de klas werd getolereerd. Hoewel ik toch enkele vriendschappen had weten op te bouwen buiten de school, vond ik met geen van de kinderen een aanknopingspunt. Ik ging wel eens bij een van de meisjes thuis op bezoek, of ik damde in de bibliotheek met een jongen, een vriendschap waarbij je een beetje thuis kunt komen vond ik daar niet. Na een tijd hield ik het voor gezien omdat ik wilde gaan reizen, wat me bijna mijn verblijfsvergunning kostte.

Si tú estás feliz, yo estoy feliz, pleegde Jorge te zeggen. Wanneer ik op een onorthodox tijdstip door een taxi thuis werd afgezet, zag ik het gordijntje van zijn raam verschuiven. Door de voortdurende spraakverwarring, kreeg ik de indruk dat Jorge en Ana nooit echt iets van mijn plannen afwisten. Zo kon het gebeuren dat ik een week weg was en ik als laatste middel een briefje op hun keukentafel achterliet. Het barre Engels en hun pogingen me tegemoet te komen in de hobbies die ik op het inschrijfformulier had opgeschreven, maakte me niet zelden kwaad. Daarenboven waren de peilers waar ik als kind uit een groot gezin op leunde, op geen enkele manier te rijmen met hoe dit gezinsleven zich manifesteerde. Dat Maria geen aanleg had om te koken, maakte me zonder dat ik het doorhad elke dag brutaler. Alles wat ik bij aanvang in mijn panisch optimisme als exotisch en spannend had omarmd, maakte me gaandeweg kwaad en gelaten. Het bloed dat langs de koelkast droop van de grove stukken vlees, de pizza op dinsdag die in het hele land aan twee voor de prijs van een wordt verkocht en waarop hele zakken oregano werd gestrooid, de papaya die steeds vaker overrijp was wanneer hij in de blender was gedaan en als ontbijtritueel aan ons allen werd geserveerd. Zo beet ik op een dag op een enorm en hard stuk gember dat in een gerecht zat dat ze Chinees noemden, en dat ik de rest van het jaar vakkundig meed. Steeds vaker at ik vieruurtjes in het andere huis, en steeds minder vaak deed ik moeite er zeker van te zijn dat zij van mijn plannen op de hoogte waren.

In de plaats van naar school gaan, volgde ik nu lessen aan de universiteit. Het Spaans dat ik steeds beter leerde spreken was verre van toereikend. Wel maakte ik dankbaar gebruik van de sportvelden en ging er zwemmen. Eens per week ging ik met twee vrienden en met mevrouw Chang mee naar de sloppenwijken die tussen de bergen achter ons huis lagen. Mevrouw Chang nam voetballen of ander noodzakelijk kleinood mee voor de kinderen en wij kregen Inca Cola. De huizen bestonden uit spaanplaten, afvalhout en rietmatten. Een enkel gebouw had een gemetselde grijze muur, een vorm van luxe, maar ze waren minder gezellig. Van op een afstand was de wijk niet van de stoffige heuvel te onderscheiden. Wat je wel zag was een landschap van blauwe watertonnen die naast elk huis stonden opgesteld. Eens per week en tegen betaling werden de tonnen gevuld door dezelfde waterwagens die de groene lanen naast mijn wijk besproeien.

Over de auteur:

Ruth Verraes (1980, BE) is kunstenaar en woont en werkt in Amsterdam. Ze studeerde aan het Sint-Lucas (MA) in Gent en de Rietveld Academie (BA) in Amsterdam. Recente exposities en presentaties: So it must be a stone (Belgische ambassade, Den Haag 2014), Het ding dat begint begint (C&H art space, Amsterdam 2013), So sieht es aus (met Nana Kreft, Axel Obiger, Berlijn 2013). www.ruthverraes.com