thema:

Licht in de duisternis

Vertaling:

‘Toen ik klein was, had je nog leeuwen in de straten van Johannesburg. Een troep. Twee mannetjes, een vrouwtje en drie welpen. Een van de mannetjes kwispelde onvermoeibaar met het puntje van zijn staart.’
De Italiaan, die ouder was dan hij, glimlachte niet eens. Haasbroek vroeg zich af hoeveel Engels de man eigenlijk verstond. Hij stak een sigaret op en schonk hun glazen droge witte wijn bij. Ze waren de laatste twee gasten in het restaurant.
‘Maar ze zijn verdwenen, net als al die andere herkenningstekens in de stad. De hoge lichtpilaren van de bioscopen in Commisioner Street, het Colosseum…’
‘Colosseum?’ zei de Italiaan.
‘Alleen de naam was Romeins,’ zei Haasbroek met een grinnik. ‘De gevel was Egyptisch en de zaal middeleeuws Europees. Het plafond was een flonkerende sterrenhemel waarop voorbijdrijvende wolken werden geprojecteerd. Daarnaast had je His Majesty’s met de Keizerlijke Staatskroon op het dak, een lichtsculptuur in wit en rood. Aan de overkant van de straat was The Empire, gebouwd ter gelegenheid van de Rijkstentoonstelling in 1936.’
Haasbroek viel stil. Hij had te veel gedronken, hij was zenuwachtig en hij wilde verschrikkelijk graag indruk maken op Italo Calvino. Hij nam nog een slokje wijn. De Italiaan zweeg.
Haasbroek vond het jammer maar was niet verbaasd dat de man zijn grap niet had begrepen. Het Engels van zijn gesprekspartner leek uit onafgemaakte zinnen te bestaan, die hij met onbestemde handgebaren wegwuifde. ‘Johannesburg zij schoonheid heeft die je moet…’ ‘Soms het probleem is…’ ‘Eigenlijk alles welbeschouwd…’ In het begin intrigeerden deze uitspraken Haasbroek, vanwege hun open einde en de variaties in handgebaren, maar algauw begonnen ze hem te irriteren.
‘De leeuwen waren van neonbuizen… reclame voor Lion Lager,’ zei hij ter verduidelijking.
Bij het woord ‘neon’ lichtte het gezicht van de ander op. ‘Neon op Ponte City, ja… Coca-Cola… groot neonlicht, heel groot… wereldklasse, wereldklasse…’ De zin loste op in een woord dat klonk als ‘statuesk’, ‘statutair’ of ‘stationair’.
Haasbroek leunde naar voren. De zin was dan wel niet afgemaakt, maar hij begreep hem toch. Voor het eerst die avond was iets hem volkomen helder. Italo Calvino was in Johannesburg om over de nieuwe neonreclame op de Ponte City-wolkenkrabber te schrijven. Dat moest het zijn. Had hij immers geen verhaal geschreven waarin de verteller de ruimte in tuurt en in een sterrenstelsel honderd miljoen lichtjaar ver weg de letters IK ZIE JE WEL ziet oplichten en daarover begint te piekeren
Haasbroek wou dat hij Calvino kon uitleggen dat in de woontoren waarop die enorme Coke-reclame prijkte tal van Johannesburgse cokedealers woonden. Maar hij wist dat woorden tekort zouden schieten.
De Italiaan hief zijn glas in een toost.
‘Een mirakel van licht…’
‘Een mirakel van licht,’ herhaalde Haasbroek met een knik. Ze leegden hun glas. Haasbroek reikte naar de fles in de metalen standaard naast hun tafeltje en schonk nog eens bij.
Haasbroek hief zijn glas in een nieuwe toost. ‘Licht in de duisternis.’
‘Licht in de duisternis,’ herhaalde zijn gesprekspartner stralend. Terwijl hij dronk, sijpelde er wat wijn langs zijn kin.
Later besefte Haasbroek dat de avond anders geëindigd zou zijn als ze zich hadden beperkt tot basale onderwerpen als ‘Hoe laat is het?’ of ‘Hoe heet u?’ of ‘Februari is in Johannesburg de warmste maand’. Maar in een gesprek met Italo Calvino wilde hij zich niet tot simpele zinnetjes beperken. Het gesprek zette zich voort in halve zinnen, handgebaren, flitsen van irritatie, samen roken en lachen.
Tegen de tijd dat Sarie zei dat ze wilde afsluiten, waren Calvino en Haasbroek halverwege hun derde fles wijn. De Italiaan wilde dat Sarie een taxi voor hem belde, maar ze bood aan hem zelf naar zijn hotel te brengen.
Sarie kwam met de rekening en de Italiaan legde zijn creditcard op het witte schoteltje. In het zachte licht van het restaurant las Haasbroek de gepreegde letters ‘I.CALVINO’ en hij moest lachen bij het idee dat zij hier samen aan een tafeltje zaten.
Daarna wankelden Haasbroek en Calvino naar de deur en sloot Sarie achter hen af. Ze had een Volkswagen Kever. Haasbroek klapte de leuning van de bestuurdersstoel naar
voren en nam achterin plaats. Calvino ging op de bijrijdersstoel zitten en Sarie startte de motor.
‘Kijk, kijk,’ wees Calvino, toen ze voor het verkeerslicht aan het eind van Raleigh Street stopten.
Ze keken. Links van hen torende Ponte City met zijn Coca-Colareclame boven de wijk Berea uit.
‘Overal waar je kijkt je ziet…’ Calvino zwaaide met allebei zijn handen.
‘Net de oplichtende letters in uw verhaal,’ zei Haasbroek.
Calvino keek nog steeds naar de lichtreclame.
‘Ik vraag me af van hoever hij te zien is,’ zei Sarie. ‘Laten we kijken van hoever,’ zei Haasbroek.
Achter hen toeterde een auto.
‘Wat zegt u ervan, signor Calvino?’ grijnsde Sarie. ‘Rijden?’
‘Sì.’
‘Ver?’
‘Sì.’

Ze reden noordwaarts over de N1. In de buurt van Halfway House verdween de wolkenkrabber met zijn neonkroon in de achteruitkijkspiegel. Ze keerden om en reden terug naar de stad. De kroon werd weer zichtbaar.
‘Neon… 15 meter hoog,’ zei Calvino.
‘15 meter?’ Sarie schakelde naar een andere versnelling.
‘Sì, 15 meter hoog en 151 meter lang. 20,7 kilometer glasbuis precies. Verschillende gassen in glasbuizen verschillende kleuren geven. Helium wit geven. Rood van neongas komen.’ De Italiaan sprak niet langer in halve zinnen. ‘2400 uur nodig voor licht maken.’
‘Veel handen maken licht werk?’ Sarie veranderde van rijbaan.
‘Sì, 2400 uur en 21,2 kilometer snoer.’
Ze kwamen bij de N3 en sloegen af richting vliegveld. Ponte City verdween weer uit zicht. Ze kwamen voorbij het township Alexandra. De wolkenkrabber en neonverlichting gingen schuil achter de koppies van Linksfield Ridge. Ze verlieten de snelweg, kochten iets kouds te drinken bij een benzinepomp en reden door de verlaten straten van een buitenwijk naar het vliegveld. Toen keerden ze om richting stad. De wolkenkrabber en de rode
neonverlichting met witte letters en bruisende colaflesjes kwam weer in zicht. Ze passeerden winkelgalerij Eastgate, sloegen Heidelberg Road in en reden door totdat Ponte City achter de mijnbergen verdwenen was. Bij de bloemenmarkt stapten ze uit om koffie te drinken maar het café was nog gesloten. Calvino kocht een bos bloemen voor Sarie.
Girasole…’ De Italiaan draaide zijn hand als een bloem die de zon volgt. ‘Girare… draaien… en sole… zon.’
De zon kwam al op toen ze in een oude buitenwijk voor de bakstenen gevel van een winkelcentrum parkeerden. Ponte City lag minder dan twee kilometer verderop en was vanaf het parkeerterrein duidelijk te zien. Ze dronken Mozambikaans bier en aten een Engels ontbijt in een Portugese cafetaria. Zij drieën waren de enige klanten die geen overall aanhadden. Sarie pakte een cameraatje uit haar handtas en vroeg de bedrijfsleidster van hen drieën een foto te maken.
Ze zetten de Italiaan af bij het Holiday Inn in Milner Park. Eenmaal thuis zette Sarie koffie. Ze rookten sigaretten, lachten veel en keken hoe het buiten licht werd. Daarna bedreven ze de liefde. Om halfnegen belde Haasbroek naar kantoor om tegen zijn baas te zeggen dat hij ziek was.

Toen Haasbroek weer wakker werd, was het donker. Door de vitrage van het slaapkamerraam had hij zicht op Ponte City met zijn Coca-Colakroon. Het voelde alsof de neonverlichting hem in de gaten hield. Hij stond op en ging naar de wc. Er was een hoop gebeurd sinds Sarie hem de avond ervoor gebeld had om te zeggen dat Italo Calvino in het restaurant zat.
‘Waarom niet?’ zei ze toen Haasbroek moest lachen. ‘Hij heeft gereserveerd en is tien minuten geleden binnengekomen. Als deze tent goed genoeg is voor Mick Jagger, is hij ook goed genoeg voor Italo Calvino.’
Dat was nu bijna vierentwintig uur geleden. Sarie was weer in het restaurant en Haasbroek was alleen thuis.
Hij pakte een blikje hondenvoer uit de koelkast, opende de achterdeur, ging naar buiten en gaf de hond te eten. Ponte City was vijf of zes straten verder, maar het leek net of de bomen en struiken in het tuintje met het felle neonlicht boven op de wolkenkrabber mee van kleur veranderden. Hij had hier nog sterker het gevoel door de lichtreclame bekeken te worden dan in de slaapkamer.
Hij vulde de drinkbak en luisterde naar de slobberende geluiden van de hond. Hij dacht dat de muren van het huis van kleur versprongen, van wit naar roze en weer naar wit, maar hij wist dat hij fantaseerde.

Hij ging naar binnen en zette de tv aan. Er was niets wat hij wilde zien. In de slaapkamer raapte hij zijn kleren van de vloer. Het kaartje dat de Italiaan hem op het parkeerterrein van het Holiday Inn had gegeven zat in het zakje van zijn overhemd. Hij las het nog eens:

ISIDORO CALVINO,INGEGNERE ELETTRICO
FLORIANO NEON (SRL)
VIA TRIESTE,11
MILANO

Over de auteur:

Harry Kalmer (1956) woont in Johannesburg en is de veelbekroonde auteur van onder meer 23 toneelstukken, zes romans en drie verhalenbundels. Zijn meest recente boek is "’n Duisend stories oor Johannesburg: ’n stadsroman" (2014), dat volgend jaar in Engelse vertaling verschijnt. Het hier vertaalde verhaal ‘Luminosity’ schreef hij in het Engels.

Over de vertaler:

Caroline Meijer (1962) is vertaler en redacteur. Zij vertaalde romans en verhalen van onder meer Patrick deWitt, Siri Hustvedt, John O’Hara, Rebecca Lee, Miroslav Penkov, Dara Horn, Elisa Albert en Susan Steinberg.