thema:

Maken en breken

Johanneke van Slooten sprak in 1995 met Dick Raaij­makers over zijn opvattingen over muziek, beeldende kunst, techniek en theater.

uit Notes, maandblad over theater, dans en mime // nr. 10 oktober 1995

 

De éne toon zoekt de andere, tot de éne met de andere ‘stemt’. Wanneer de tonen in een samenspel juist geïntoneerd zijn, en goed op elkaar afgestemd, vinden ze elkaar.

In het stuk Intona zal een twaalftal microfoons op twaalf fun­damenteel verschillende manieren worden ‘bespeeld’. In een confronterend en vernietigend spel zullen zij met grof ge­schut worden bestookt en tijdens deze materiële ‘operaties’ teloor gaan.

“Het woord ‘bespelen’ van een microfoon is feitelijk foutief omdat microfoons altijd passieve objecten zijn geweest. Bij Cage en bij Stockhausen (in Mikrophonie -2) worden ze echter gemobiliseerd en wat ik doe, is nog een stap verder door let­terlijk in die microfoon te duiken. Dan zeg ik niet: nu neemt hij niet meer op, maar gebruik ik het provocatieve woord ‘be­spelen’.”

Eén van de twaalf fundamentele manieren waarmee een mi­crofoon kan worden benaderd, is het bespelen van het mem­braan; het eerste deel van de microfoon. Men dient dan zijn innerlijk te raken en het vervolgens te demonteren. Zodra een klein lancetmesje het membraan aanraakt zal het protes­terend gaan kraken. Daarna zal het operatief verwijderd wor­den en dan heeft de microfoon niets meer in te brengen; het heeft opgehouden te bestaan als instrument.

Raaijmakers: “Als je het slagveld overziet van de stukken die ik gemaakt heb, dan dringt het idee zich aan je op dat mijn werk te maken heeft met ‘breken’. Het beweegt zich binnen de laagste regionen van de muziek, op het niveau van het kra­ken, van de impulsen.” Bij zijn methodische ontledingen van het fenomeen ‘klank’ stelt Raaijmakers zich bewust naïef op. Hij wenst met een vooropgezet plan de primaire geluiden te muzikaliseren. Door aan de zijkant van de muzikale tradities te gaan staan, kan Raaijmakers op enige afstand de ontwikke­lingen extra goed in de gaten houden en ze in de vorm van confronterende composities van commentaar voorzien. Hij bekijkt de gecomponeerde klanken met een technisch oog en geeft de wereld van de techniek een muzikale lading.

‘Ik ontrafel de muzikale scheppingsoperatie, ensceneer dit en presenteer haar in een theatrale vorm.”

 

KUNST ALS KRITIEK

Veel van Raaijmakers’ stukken die in het Festival in de Branding uitgevoerd worden, hebben het muzikale productieproces tot onderwerp. Hij gebruikt conceptuele constructies om het functioneren van de klank als fysisch object te tonen. Zo laat hij in Intona zien hoe men de microfoons als werktuigen uit de wereld van de media te lijf kan gaan.

Om de beurt zal er één worden aangeboord met een minia­tuur boortol, doormidden gezaagd met een decoupeerzaag, voor de helft weggeslagen met een slijpmachine, uiterst lang­zaam in elkaar worden geperst door een speciaal geconstru­eerde pletmachine, liggend op een betonblok in één slag sa­men met een walkman door een vallend metalen gewicht wor­den vergruizeld, de kop van een microfoon zal worden opge­blazen, een membraan met een persluchtstraal van drie at­mosfeer aangeblazen, een microfoon verdrinkt in een lang­zaam vollopend watervat, één wordt hangend aan een draad, in een glazen destilleerkolf, gekookt, een andere in een felle gasbrandervlam verbrand en tenslotte wordt het membraan van een microfoon met een metyleen-chloride vloeistof via een druppelaar chemisch opgelost.

Raaijmakers wordt gefascineerd door het ontleden en abstra­heren van de waarneming en de waargenomen objecten tot elementaire segmenten. Die belangstelling komt voort uit een zeer sterke behoefte om de taakopsplitsing van het denken over en het produceren van kunst, maar ook van techniek, aan het licht te brengen. De excessieve benaderinswijzen van de microfoons worden dan ook gestuurd door een achterlig­gende filosofie: ‘Muziek veroorzaakt trillingen in de lucht en microfoons zijn ontworpen om die trillingen uit de lucht op te pikken. Daarom zijn ze uitgerust met een flinterdun mem­braan. Dat dunne vliesje hangt ergens in de lucht en gaat mee­trillen. Daar zet men dan een magneetje met een spoeltje ach­ter en zo verkrijg je een elektrisch evenbeeld van de muziek. Dat beeld is echter niet ruimtelijk, zoals de muziek dat is, maar eendimensionaal, want er tekent zich een dun elektrisch stroompje af, die door het spoeltje vloeit. Door zo te werk te gaan kan de klank van de muziek ontkoppeld worden. Om­dat die klank geen ruimtelijke hoedanigheid meer bezit, laat die zich zeer goed over de hele wereld vermenigvuldigen en verspreiden. ’Om de buitensporige, passieve produktie van ge­luid inzichtelijk in beeld te brengen, is deze actieve, destruc­tieve benadering, die gekozen is in Intona, bovendien een vorm van ‘kunst als kritiek’. Kunst kan kritiek uitoefenen op zichzelf, zichzelf ter discussie stellen. Dat is een heel bijzon­der vermogen van kunst; zichzelf weten terug te koppelen op zichzelf. Dan verliest die kunst even zijn kunstige stilstaande positie, en verkrijgt zij een sterk operatief karakter.

Op deze manier kunnen microfoons, door ze terug te koppelen naar hun uitgangspunt, zichzelf laten horen en kun­nen wij uitzoeken wat de microfoon er zelf van vindt; of hij ook een eigen stem heeft en of hij kan zingen, praten, spelen en communiceren zonder eerst onze stem af te wachten.

Om daar achter te komen moet er letterlijk op hem in ge­gaan worden!

In mijn werk zitten altijd dit soort samenhangende verbanden en om die aan de orde te stellen, verricht ik verschillende soorten operaties: Het vertragen van een beeld en het zelfs tot stilstand brengen, het omkeren of het vergroten en opbla­zen tot theatrale dimensies.”

 

CONFLICT

Eén van die theaterstukken die tijdens het Festival in premiè­re zal gaan is Fanfares, geschreven voor een geëlektrificeerde cello, bespeeld door de vermaarde celliste Frances Marie Uitti, die zal worden bijgestaan door vier koperblazers, le­vensgrote dempers, luidsprekers en decor. De basis voor dit stuk is het oudere Elektrisch strijkkwartet, waarvoor Raaijmakers een enorme machinerie construeerde met kabels, snoe­ren aftasters en luidsprekers om de strijktonen van de met dun staaldraad behaarde strijkstokken op de metalen snaren aan de kwartetleden te kunnen laten horen. ‘Door de snaar en de strijkstok elektrisch te maken, is het ook een elektri­sche schakelaar geworden. De celliste is indirect via micro­foons met een draad verbonden met de koperblazers. De clou is dat zij op deze manier in haar eentje een blaaskwartet kan spelen. Ik had haar ook kunnen verbinden met vier hon­den die zitten te blaffen, maar ik heb bewust gekozen voor vier blazers; zo’n model werkt beter.”

De blazers die door Raaijmakers gecomponeerde, fanfare-­achtige klanken produceren, hebben ‘dempers’ tot hun beschikking, bestaande uit grote stapels textiel. Daar kunnen ze zelfs helemaal in wegkruipen, zoals in een tentje als je het koud hebt. Daardoor zijn ze op een gegeven moment vrijwel niet meer te horen. De microfoons zitten diep in de holen verscholen. Uiteindelijk mondt het stuk uit in een crescendo van extreme piepgeluiden. De geluiden die de celliste voor ogen heeft, wil ze opdrijven, ze wil steeds verder, ze is nooit tevreden. De musici moeten steeds dieper in die holen kruipen. En terwijl dat gebeurt, worden de klanken on­stabieler en grover. De blazers krijgen het ook verschrikkelijk benauwd, het is op de grens van het fysiek verdraagbare, ze krijgen rode koppen.

De celliste laat in haar optreden het conflict zien tussen de luisteraar en de speler. Wanneer haar strijkstok stilhoudt, is zij luisteraar, maar als zij te kennen geeft dat zij iets wil, beweegt zij de stok en wordt daardoor speler. Spelen en waar­nemen gaan niet samen. Hoewel het ernaar uitziet dat het bij ieder ensemble wel goed gaat, is het een heel geraffineerde mix van elkaar in de gaten houden en zelf spelen.”

In al zijn bezigheden die zich afspelen op de gebieden van de muziek, beeldende kunst, theater en in zijn literaire activitei­ten, stelt Raaijmakers zoals ook in Fanfares primaire zaken aan de orde. ‘Zo probeer ik tot een goede confrontatie te ko­men met primaire vormen, die het eerste begin van een levensontwikkeling vertegenwoordigen; archetypische vormen met een sterke plastische kwaliteit die bij voorbeeld in de we­reld van de elektriciteit eruit zien als platen, bollen, spoelen, punten, lijnen en draden.”

 

MACHINERIE

Ter gelegenheid van de opening van het Festival in de Branding in het Haags Gemeente Museum, 16 september jongstleden, waar tegelijkertijd de Ouborgprijs werd uitgereikt aan Dick Raaijmakers en een tentoonstelling van drie van zijn beeldend- theatrale werken werd ingericht, heeft de eerste en enige uit­voering van de performance Volta plaatsgevonden. Deze be stond uit het op elkaar stapelen van zeer grote zinken en ko­peren platen van twee vierkante meter, met daartussen ge­voegd enorme hoeveelheden met verdund natriumbisulfaat doordrenkte textiele kledingstukken. Zo werd daar onder het oog van de toeschouwers een anderhalve meter hoge Zuil van Volta opgericht. Na het aanbrengen van de laatste plaat werd het werklicht gedoofd en de Zuil aangesloten op een aan het plafond hangende gloeilamp. Die werd ‘ontstoken’, omdat de verbinding met deze elektrische energiebron, de recon­structie van de oer-batterij van Alessandro Volta, weer tot stand werd gebracht. Deze technisch-theatrale voorstelling is een demonstratie van de verhouding tussen geïnvesteerde arbeid en verkregen elektrische energie en toont opnieuw de verloren gegane beeldende kwaliteit van dit galvanische oerelement.

‘Wanneer ik me bij mijn projecten opstel als machinebouwer zie ik de theatrale opvoering als een grote machinerie. Dan moet je de goede modellen vinden die een idee ondersteu­nen, waarbij de structuur van de samenhang van de onderde­len congruent en overzetbaar is op de structuur van de wer­kelijkheid. Daarna moet je ze in de best-functionerende mise-en-scène plaatsen. Het is mijn pretentie om de verbindingen van het technische en het muzische, die ik allebei in mij heb, op elementaire wijze, éénmalig, ondubbelzinnig tot stand te brengen.”

 

DOOD

Een machine waarvan activiteiten wel degelijk voor herhaling vatbaar zijn, is de Valmachine. Ook al produceert zij de primaire geluiden van de laagste orde, onomkeerbare valgeluiden, toch is zij zo geconstrueerd dat zij na gedane arbeid weer in werking gezet kan worden. Deze machine, ge­maakt als omkering van de opwaarts gerichte technologie, heeft het image van een immense middeleeuwse geluids-machinerie waarin alles via kabels, rader- en tandwerk naar beneden stort.

‘Valgeluiden zijn zeer onmuzikaal omdat ze niet repeteerbaar zijn. Muziek is een edele variant van wrijven, poetsen, strij­ken, en blazen. Dat zijn herhaalbare bewegingen die je kunt onthouden. Tonen zijn mini-processies die een verhaal kun­nen vertellen en die, als er een structuur in aangebracht wordt, boven de klanken uitstijgen en in de vorm van taalcomposities een geprofileerde boodschap meekrijgen. Een strakke toon heeft als het ware een vast patroon en is dan eigenlijk een stilstaande klank, die pijn doet aan je oren. Maar een toon die beweegt en vibreert, glibbert als het ware langs je oren en geeft je informatie. Dat is een beweging die leeft, hij pendelt op en neer en kan om veel meer hoekjes kijken dan wanneer die toon stabiel zou zijn.

Eenmalige valbewegingen hebben met de dood te maken.

Het zijn dodelijke bewegingen zoals die van kogels en raketten. De angst voor een raket wordt dan ook veroor­zaakt door dat éénmalige strakke karakter dat je niet kunt ombuigen. Het cynische is nu dat de omhoogstrevende tech­nologie het opperste plan heeft bedacht om te bewegen; en dat is vallen. Een bom is geconstrueerd om naar beneden te storten. Dat is een onomkeerbare beweging die tenslotte met een gigantische ontlading van energie het laatste en defi­nitieve valgeluid zal produceren. Zo ben ik als maker van mijn valmachine de veroorzaker van een geweldige geluidsexplosie.”

In de producties Hermans’ Hand en El Vidriero stelt Raaijmakers zijn onderzoek naar de valbeweging en valgeluiden op­nieuw aan de orde. El Vidriero is gebaseerd op een aantal scènes uit zijn muziektheaterstuk De Val van Mussolini, waarin de vlucht van Mussolini, direct gekoppeld aan zijn onafwend­bare val, gevisualiseerd wordt met een groot aantal immense stalen machinerieën en ‘dodelijke’ recht op hun doel afsteve­nende laserstralen. In sommige van de valscènes worden de figuren door de begeleiding van snijdende elektronische klan­ken, het schrapen van ijzer en fragmenterende stroboscopische lichtflitsen, omhuld door een onheilspellende atmosfeer die wijst op een fatale afloop. Tenslotte maakt de Doodmachine een eind aan de vergeefse vlucht; Mussolini en diens mai­tresse Claretta vallen als twee scharnierende, vleugellamme li­chamen uit elkaar en zijgen ter aarde.

 

UIT DE BAND

“Elektronische apparaten zijn extreem stabiel en als je een sinustoon aanzet, kun je ervan weglopen maar hij blijft eeuwig en altijd rechtdoor gaan. Op een gegeven moment kreeg ik een enorme behoefte om snelheid en beweeglijkheid te berei­ken in mijn muziek. Ik ben al heel lang bezig met het onstabiel maken van de tonen, maar dan in de elektronische studio. Ik laat ze kraken. Het is een heel probleem om die starre toon in beweging te krijgen. Ik ontdekte dat als je de stekkers ver­keerd in de schakelkast plugt, die stabiele apparaten hevig be­ginnen te gillen. Dat kunnen ze helemaal niet hebben en wor­den daardoor ongelofelijk instabiel.”

Met dit gegeven heeft Raaijmakers Plumes, een vliegensvlug ge­knipt en geplakte tape van verrassend snel voorbijsuizende klanken en klankcombinaties. ‘De luidsprekers stonden te tril­len op het podium. Na Plumes is Flux gemaakt, waarbij een in­stabiel circuit werd aangedreven door slechts één toon. Het circuit wilde uit de band springen, maar werd door die toon vastgehouden. Die toon leek begroeid met het geluid uit zijn omgeving. Die zat daar heel diep in. Daardoor moest het cir­cuit een strijd voeren tussen de eigen wil en het accepteren van die toon; dat hoor je voortdurend.”

Het improvisatie-ensemble LOOS zal op het Festival op hun beurt weer de strijd aanbinden met deze tape en een fusie tot stand brengen tussen de jaren zestig en jaren negentig.

 

Over de auteur: