thema:

Gedichten

Vertaling: ,

Rotstekening.

(Uit de Cederberg-suite)

Wie jou, klein kwaggaveulen, met prille benen
óp doet staan, een geboorte als een hand zo groot,
wankel en met lippen van elkaar
in zacht gehinnik, oogloos in het eerste licht,
je snuit die onvast naar de uier zoekt,
wie jou hier kleurde, Equuleus van de Cederberg,
in het eerste spannen van het achterkwart,
het precaire rechten van het voorwerk,
werpt een rode balans in het grijze
eenrichtinggrein van steen,
bereidt een zwaartekracht van weerloosheid
die ons, toeristen van vergetelheid
aaneenrijgt in ontroering,
ons met jouw eerste schilder bindt
in het onspectaculaire patriottisme van tederheid.

In onze navel roert dezelfde kwast
rood-oker, elandsvet,
in ons gezicht dezelfde dode sterren,
wij die door de eeuwen heen stijgen
uit de bruine rivier, herkennen,
benoemen, behoeden je voor altijd, Celeris,
snel vibrerende schaduw
op deze drempel rots –
ongeacht of je sterft, je snoet geplet
tegen het grauwe gebod van de sterkeren –
of op ranke benen wegspeelt, lieflijk, pronkend
in het wijnbruin water van de tijd.

 

 

Kleischool (prozavertaling)

(Voor de kinderen van de Oost-Kaap, 20 jaar na de Bevrijdingsdag)

Minister Motshekga, jouw naam betekent klei. Laat ons eens kijken
Waar jij toe dient. We kunnen je in een droogoven bakken
en je misschien als hoeksteen inbouwen in onze school.
De regen zal je veranderen in een vijg. Glijdend
Zullen we schateren om de vieze brij. We kunnen je dik op onze muren smeren
En toekijken hoe je tot krummels wordt in de zomerwind,
we kunnen onze aftreksommen maken met jouw brokken
tot we op niets van jou kunnen rekenen. We kunnen koekjes
bakken van jou, en in de middagpauze spelen dat wij iets te eten hebben,
of je in een hostie-mal drukken om je aan elkaar toe te dienen
als smeltdun sacrament. We kunnen je in een vormpje scheppen
en je boetseren tot een lei waarop wij dit versje
met een stokje kunnen krabben, en dan de president een karvol
in de zon gebakken tegels sturen die hij zal lezen tot de tranen over zijn wangen lopen,
maar misschien zal hij alleen maar grijnzend zeggen: waarom al dat geklaag?
Kijk, waar ik met alleen de zesde klas ben gekomen,
ik pronk met eredoctoraten van Beijing, Maleisië
en straks de DRC! Mevrouw Klei, we kunnen in elke school
een gedenksteen voor je oprichten om er ’s morgens zingend omheen
te marcheren totdat hij ineen stort als de muren van Jericho.
Maar zal het helpen als lucht of lied of prille hoop het element is?
Klei heeft als substantie meer doelen, Minister, we kunnen hem
naar je hoofd gooien, maar jij komt zelden naar ons toe.
Een dankbaar rijmwoord, jou kleierige naam
waarop we bijten als dom rundvee
herkauwend op een brij van hooi, totdat we op een dag –
omdat we gebakken, gegleden, gegeten, geschreven, gerekend, gemarcheerd,
gebeden, gezongen, herkauwd hebben in dat medium,
de broosheid ervan nog steeds bewonen en dagelijks
in zijn kracht studeren – ons bloed ermee vermengen,
hem omtoveren in een rots, en erop blazen tot hij vlam vat,
de rook ervan verspreien, en volop schreeuwen, en voorjaarsbloei
met de voeten vertrappen, het spul dat je eigenlijk had moeten koesteren,
de bloesems vol frisse wetenschap waar we naar toe moesten groeien.

 

 

Hamba kakuhle, Madiba

Je zult ons niet meer horen, Tata, wij die onze nekken rekken
naar waar jij wegglipt, zwarte pimpernel, door de bres
die jij geslagen hebt in de geschiedenis, het recht
waar jij voor vocht, voor vrede met een witte prik
van waarheid tussen gouden bloesemtrossen,
wij die zwakbegaafd zijn in het kweken van opstandigheid
wuiven jou vaarwel vanuit kloven, vliegtuigen,
uit blauwe plastic stoelen langs de weg.
Ik heb me die laatste maanden voorgesteld, het suizen,
de vervaagde klanken, het gestommel om je bed,
je borstkas smachtend in een grijze pyjama, je hand
voorzien van een infuus met zout waardoor je wakker blijft,
een damp die je moest inhaleren door een laatste
voorgebonden masker.

Ik raak nog even aan je sleutelbeen
In je fleurige overhemd van vredebouwer,
Rolihlahla-tinten tot de kraag toe dichtgeknoopt.
Vóór je uitvaart wil ik nog zeggen: dit tijdsgewricht van grijpzucht en geheimen,
van schrik en argwaan, prins, laat mij steeds killer voelen,
De vlag die je gehesen hebt hangt slap, nu waait een flauwer
lauwer wind uit kwaaier hulpelozer haarden
tegen het voorhoofd van het kind, de vrouw, de vreemdeling,
fijnbos en rivieren, de teng’re pinguïn zwart en wit
verkwijnt in onze vaderland.
Je wist het al. ’t Is nu te laat.
Je moet nu gaan.

Hier in het hoogtij van een zuidelijke zomer,
stralen jouw hortensia’s op mijn tafel in een vaas,
Hun kleuren veeg ik in een katoenen tas die ik naar de bergbeek
draag om te gedenken: jouw zonsopkomst-glimlach,
jouw schuifeldans, gevangenis tomatenplanten,
jouw woorden in het hof van Europese vergeefsheid
– zakdoek bij het voorhoofd – tegen de verboden
die jij nooit geloofde, jouw vuist hoog uit de mouw geheven
op het balkon in vierennegentig,
deze beelden uit je dappere mars, jouw spoor verkwikt
Door de dauw van je vergiffenis, jouw vertrouwen in wat mogelijk was
Deze bloemen, strooi ik voor jou, Madiba.

Slechts één keer heb ik u ontmoet.
Nooit zal ik vergeten, nooit
wat u toen gezegd hebt,
u begon uw zin met ‘wij’
uw ene hand vriendelijk op mijn schouder.

 

 

Bejaarde met mobiel

In het tochtgat van het stadskwartier
waar blieps en rinkels gloren
stijgt uit de lipgleuf van haar handtas
haar eigen beltoon in haar oren –
Wohl mir dass ich Jesum habe
Door haar kleinzoon ingesteld
omwille van haar hart dat stokt
bij elk ander soort alarm.

Ze wordt van ergens opgebeld –
wie zoekt haar hier
in dit soort schroothoop scharrelding
algemeen bekend als tram?
In de blik van medereizigers
ziet zij gedeelde menselijkheid
in elke tune geijkt –
het ruisen van de zee
met geschal van jan-van-gent,
de stoomfluit van een ketel,
het lied van een vagant
waarop een ieder vol devotie
zich ver- ofwel bijziend
tot zijn sleutelbordje wendt

Ze wroetelt in het duister
naar haar Finse handaltaar
en vindt zijn glans en trilling
voor een antwoordoperatie,
haar duim tast naar ontvangst
en drukt daarop ternauwernood,
haar oog zoekt een vertrouwde naam,
maar vindt nummer onbekend,
het robotachtige aanhangstuk
toont een inkomend bericht,
een minuscule kaart van haar lokatie
plus bel-tegoed op zijn gezicht.

Goeiedag, mevrouw Ten Kaat
hebt u een ogenblikje tijd?
beleefdheid is hier het parool:
ja, waarmee ben ik u van dienst?
Is het ergens misgegaan,
of ben ik geheel onnodig bang?
zij krijgt het zwijgen opgelegd.

’t Is tijd voor opwaardering
van uw mobiele apparaat,
voor u het nieuwste
dat bestaat, geschikt voor elke handicap
of ongeluk, vanaf nu tot het eind.
Bij hartstilstand en overval,
of dergelijke ellende
begrijpt het ding vanzelf afwezigheid
(en het verschil met oponthoud)
beschikbaar met een kleine
bijbetaling, iets voor u?

Wacht, zegt zij, ik ben halfdoof
en ver voorbij mijn uitstaphalte
wilt u ’t herhalen alsjeblieft
en zonder zang of bijgeruis?
ze pakt het glimmend kolf
in de andere knuist, neigt
haar hoofd, en keert bedeesd
de andere wang.

 

 

Allochtone anecdote

Tussen zilv’ren lucht en bodem-ijs zie ik
bebrild, een torenvalk steeds stipter
bidden in een hoek, ik voel zijn jachtinstinct
mijn innerlijk bespoken, zijn inspanning
en focus, zijn volharding, ik stop, blaas wolken
wasem voor mij uit waarin een hoopje turf
opdoemt, een mol die met zijn achterpoten
wipt uit vrees om vast te vriezen, of uit verweer
tegen zijn al bevroren blindheid. Ik poets
mijn rechter- en mijn linkerglas
tot ik de volle keten zie van oorzaak
en gevolg: uit het vlierbos landt waarachtig
haaks onder die valk, een merel die naar wormen
zoekt in precies dezelfde hoop, die,
door waarneming dusdanig toegenomen
in ontologisch gewicht, tezamen met gods
kommer om de kleinste, duidelijk vraagt
om een gedicht. Maar dan als pretbederver,
helt een fietser in een fluorreserende broek,
toegerust met MP3 zoemend groen
ons tegemoet, uit zijn bek komt het gekerm
waarmee hij stilte uit zijn oren spoelt. Hij remt
en glibbert van het gladde pad tot in de berm,
werpt een vileine blik naar mij die excuserend wijs
naar waar de merel zoekt, de valk op mikt,
de mol uit wroet, en zwetst: wat sta jij
godverdomme midden op de weg naar niets
te kijken, allochtone trut! En zo, verbannen
uit ons gedeelde rijk van zin en teken,
wijk ik, mijn valk en mol en merel
terwijl het heerschap op zijn fiets hem smeert
onder de vlag van deus absconditus:
homo, neque ludens, neque symbolicus.

Onder mijn lamp, een half uur later
vang ik de eigentijdse euro-burger
en pin de foute fietser stevig op mijn scherm:
toch triest, niet waar, dat Spinoza spoorloos
weg is tezamen met de gulden?

 

 

 

 

Bent u door de vertalingen van Riet de Jong-Goossens en Marlene van Niekerk benieuwd geworden naar de originele gedichten in het Afrikaans? Die kunt u bewonderen in het papieren nummer van Terras Nieuw Land: http://tijdschriftterras.nl/boeken/terras-07-nieuw-land/

Over de auteur:

Marlene van Niekerk, geb. in 1954 in Caledon. Studeerde literatuur en filosofie, masters filosofie cum laude. Van 1980-1985 vervolgstudie filosofie in Nederland, ook hier legde ze het doctoraalexamen cum laude af. Terug in Zuid-Afrika werd ze achtereenvolgens docent aan de universiteiten van Zululand, Unisa en Witwatersrand. Op dit moment is ze hoogleraar creatief schrijven aan de universiteit van Stellenbosch. Ze is zowel dichter als prozaschrijver en ontving vele prijzen voor haar werk, waaronder de prestigieuze Hertzogprijs. In 2009 gaf de universiteit van Tilburg haar een eredoctoraat.

Over de vertalers:

Marlene van Niekerk, geb. in 1954 in Caledon.

Riet de Jong-Goossens, geb. in Sas van Gent, 1937. Studeerde Franse taal en letterkunde en Algemene Literatuurwetenschap. Het examen van deze laatste studierichting werd met cum laude gewaardeerd. Kwam in aanraking met het Afrikaans, vertaalde meer dan 50 literaire werken, waaronder het werk van Marlene van NIekerk. In 2010 kreeg ze de Martinus Nijhoffprijs. In 2014 ontving ze de erepenning van de SA Akademie vir Wetenskap en Kuns.