thema:

Meer dan een ding zijn. Over Joë Bousquet.

Joë Bousquet (1897-1950) wordt op 21-jarige leeftijd op het slagveld getroffen door een kogel die hem vanaf de borst verlamt en brengt de 32 volgende jaren bijna uitsluitend door in bed, zijn kamer maar zelden en na 1939 helemaal niet meer verlatend; de luiken blijven bovendien altijd gesloten. In Traduit du silence (1941) staat deze korte autobiografische schets:

‘Dichter tegen wil en dank. Erg ziek, ertoe genoopt alleen in zijn gedachten te leven, waardoor alles wat hij doet om uitdrukking te geven aan zijn bestaan zich noodzakelijkerwijs beperkt tot verschillende manieren van spreken; en omdat hij hardnekkig door blijft leven, lijkt hij erg geïnspireerd. Geen groot dichter, maar erg dichter. Zijn leven moet zich tussen zijn ogen en zijn lippen afspelen. Het is goed om hem vrij uitgebreid te beschrijven. Er zijn veel mensen zoals hij. Alleen zien we die niet.
De ziekte is sterker gebleken dan hij, uiteraard. Maar hij heeft met zijn aftakeling een verbitterde strijd om zijn bewustzijn geleverd. Zijn benen kunnen hem nauwelijks dragen. Hij leidt een liggend bestaan: tussen een fles mineraalwater en een doosje met daarin verontrustende instrumenten.’

Met welke dingen omringt zich iemand wiens wereld beperkt is tot wat hij vanuit zijn bed kan zien? Waarin is voor hem de wereld samengevat, zoals het Frans het formuleert: à quoi se résume son monde? Dat was de vraag die zijn levensbeschrijving bij mij opriep. De kamer in Carcassonne waar hij al die jaren lag is er nog, nu onderdeel van een klein museumpje, maar ik ben er niet geweest: net als Bousquet heb ik alleen dingen om me een voorstelling van zijn wereld te maken: een paar foto’s, een paar teksten.

Foto’s van zijn kamer, bij zijn leven gemaakt, zijn portretten van Bousquet: de omgeving is er bijzaak. Zes foto’s bijvoorbeeld die een bevriende kanunnik, Gabriel Sarraute, in 1944 maakte. Op de eerste zien we Bousquet in bed. Op het hoofdeinde liggen stapels boeken – In La Marguerite de l’eau courante staat een lijstje van wat daar in ’41 zoal gelegen moet hebben: Saint-Martin, Spinoza, Novalis  binnen handbereik; aan zijn rechterhand verder Eluard, Reverdy, Roussel; achter zich Shakespeare, Shelley, Swinburne, en Duizend-en-één-nacht om voor het slapengaan ‘de gedachtefabels te voeden’. Schilderijen aan de muur: in de loop der jaren heeft hij een verzameling opgebouwd van zo’n 150 vooral surrealistische schilderijen van veelal bevriende kunstenaars als Ernst, Fautrier, Dubuffet, Bellmer, Arp, Miró… Naast het bed een kastje met daarop een paar dossiermappen. Verder twee boekenkasten. Daartussen aan de muur het silhouet van een klein Afrikaans beeldje, zo’n 25 cm hoog. Op een bijzettafeltje wat serviesgoed. Op zijn bed, op schoot, nog een paar boeken, en iets wat een potje lijkt te zijn. Om zijn linkerhand gewikkeld, iets onbestemds, het lijkt wel een slang. Een bellekoord, een ceintuur?
De tweede foto toont dezelfde setting, maar de belichting is slechter. In zijn rechterhand houdt Bousquet nu een sigaret. Het glanzende voorwerp op de voorgrond, op het bed gezet, zal dan wel een metalen asbak zijn. Op de derde foto hetzelfde tafereel, uit een iets andere hoek genomen. Een beker die op het bijzettafeltje stond is verdwenen, er lijken wat flacons te staan. Medicijnen? De asbak is nu prominent in beeld, maar te vaag om hem zonder twijfel als zodanig te identificeren. Op de vierde foto heeft de sigaret heeft zich naar de linkerhand verplaatst. Alles verdwijnt in de schaduw, behalve een oplichtende schilderijlijst. De vijfde foto is een close-up van de andere kant. Behalve de boeken op het hoofdeinde zijn er geen voorwerpen te zien. De foto is beschadigd, een sluier van druppeltjes lijkt van rechtsonder tot op de wang van Bousquet te reiken. Hij wendt het hoofd af.
Op de laatste foto van de kanunnik zien we Henriette, de zus van Bousquet, in een stoel zitten. Achter haar een ezel met daarop een doek van Ernst. Andere schilderijen aan de muur, en een Afrikaans masker. Nog een schilderij dat tegen de ezel leunt. De meest herkenbare voorstellingen ogen kubistisch. Naast Henriette nog een lege stoel, een stapeltje papieren op de zitting. Daarachter een kast of plank, je ziet alleen de slordige rij boeken die erop staat. Op de voorgrond een rommelige hoop papieren, een krant, waarschijnlijk liggen ze op het voeteneind van Bousquet.
Recente foto’s van de museumkamer laten niet veel anders zien. Wat er aan voorwerpen te vinden is, zijn niet zozeer dingen als wel vensters op andere werelden: boeken en schilderijen. Ook de opiumpijp van Bousquet, waar hij intensief gebruik van maakte, hoort in deze categorie thuis. Wat er verder is, is hoofdzakelijk utilitair: een kop thee, een sigaret. Getuigenissen van vrienden en passages uit zijn werk leveren nog wel een paar dingen op: stenen engelen op de schoorsteenmantel, een transparante steen, een lamp met een cupidofiguurtje, een buste van Seneca, een Chinees doosje, een glazen paardje met een gebroken poot, een vaas met bloemen.

Maar het belangrijkste ding in het leven van Bousquet, dat is het lichaam Joë Bousquet, dat nutteloze omhulsel waarmee hij zich niet kan en wil identificeren, waarin de ware Joë Bousquet opgesloten zit, het lijf waarin de kogel zich sinds 1918 nog altijd een weg lijkt te blijven banen om hem uiteindelijk in 1950 te doden. ‘Een kogel breekt je. Je bewustzijn ontleent niet langer zijn innerlijke vorm aan je lichaam,’ schrijft hij in de laatste jaren van zijn leven in Le Sème-chemins. Vanaf 1918, en vooral nadat hij de hoop op revalidatie en herstel definitief heeft opgegeven – wat volgens zijn biografe Edith de la Héronnière pas halverwege de jaren ’30 zal gebeuren – staat zijn hele leven in het teken van die strijd tussen lichaam en geest, voor een bestaan dat uitstijgt boven dat van een dood ding, zoals hij het beschrijft in de eerste bladzijden van Traduit du silence:

‘Door het waarnemen van een voorwerp, om het even welk, krijg ik een gevoel alsof mijn gedachten een soort schade berokkend wordt. De wereld waarin ik leef gaat gebukt onder het gewicht van het licht, dat licht waar ik niet in kan doordringen zonder dat alle gedachten in mij doorschijnend en irreëel worden als geesten. Het is een groteske wereld, en die absurditeit moet hem wel duidelijk aan te zien zijn, want ik kan zijn onvolmaaktheid beoordelen zonder dat ik andere ken. Je houdt het niet vol in dat verschrikkelijke licht, onder die afgrijselijke stralenregen, en als een gewaarschuwd mens als ik er toch nog blijft, is dat omdat hij niet weet hoe hij het donker moet aanpakken.’

‘Ik zal al mijn krachten hebben aangewend om het ongeluk waarvan mijn jeugd het slachtoffer is geworden te “acclimatiseren”. Ik wilde dat het niet langer buiten mij zou staan; en dat al mijn intellectuele en morele handelen er noodzakelijk uit zou voortvloeien; alsof ik in een geheel hersteld bestaan de materiële aard ervan uit kon wissen, en de indruk uit mijn gedachten bannen dat een toeval op mij neer was komen drukken dat geen onderscheid maakte tussen mijn leven en dat van de dingen. Het gaat mij er niet om te schrijven, het gaat me erom mijn leven zijn onschatbare waarde terug te geven; en daarvoor moet ik het onverschillig maken voor wat er met betrekking tot het ongeluk in gebeurd is.’

Uit deze passages spreekt zijn ongewenste affiniteit met de dingen, de afkeer die hij er daarom in zekere zin voor voelt en die een verklaring zou kunnen vormen voor zijn kennelijke voorkeur voor ‘vensters’ boven in zichzelf besloten, op zichzelf staande voorwerpen. Tegelijkertijd sluit hij zich paradoxaal genoeg af van de buitenwereld, letterlijk, door de luiken van zijn kamer dicht te houden. De verklaring daarvoor is te vinden in een ander boek, Le pays des armes rouillées, dat als ondertitel ‘Mémoires’ heeft:

‘Ik ben mijn eigen kooi, en die kooi plaatst me in de tweedimensionale wereld van de materiële voorwerpen.
Dat is alles.
Als ik niet meer ben dan mijn materiële overblijfsel, deel ik het lot van de voorwerpen die het licht tegenhouden, er niets in doen opbloeien
[…]
Ik wist echter dat de wereld bij mij in mijn kooi woonde.
Ik ontdekte echter de onderaardse zon, het bronzwart. En het licht daarin is visioen…’

Tegenover het dode lichaam staat de levende geest. De jongeman die vluchtte in drugs, avontuurtjes en de oorlog, volgens zijn vriend René Nelli om zichzelf te vergeten, voor wie diezelfde oorlog en de dood zo weinig betekenen en zo onwerkelijk zijn dat hij op het slagveld provocerende rode laarzen draagt en die ten slotte, half uit wanhoop (zijn getrouwde minnares heeft hem een brief gestuurd die min of meer het einde van hun verhouding betekent), half uit overmoed weigert dekking te zoeken als de Duitsers zijn eenheid aanvallen, diezelfde jongen is bijna van de ene op de andere dag veroordeeld tot een geestelijk leven. Het lichaam waar hij zich mee identificeerde bestaat niet meer, maar bestaan is denken en zijn geest is intact. Om zich niet tot niets te laten reduceren, en zo dicht mogelijk te blijven bij wie hij voor zijn verwonding was, wijdt Bousquet zich aan het schrijven. Liefde, poëzie en opium voeden zijn verbeelding in een dubbel, tegenstrijdig streven om met het lichaam af te rekenen. Enerzijds is er het bewustzijn dat hij dat halfdode omhulsel niet is, dat zijn verwonding zijn identiteit niet bepaalt, er zelfs geen deel van uitmaakt. De schrijver Joë Bousquet is geen invalide, zoals hij in 1943 in een brief aan Jean Paulhan schrijft:

‘Zo doet een artistieke bezigheid beter dan enige andere het bewustzijn teniet van wat wij slechts bij toeval waren (wat telt in een beproeving, is niet hoe lang die duurt, maar de band tussen de oorzaak ervan en onze natuur – de ziel wordt alleen geraakt door voorvallen die uit een moreel gebrek voortvloeien).’

Anderzijds is er het besef dat het verwonde lichaam niet verloochend kan worden, dat het er nu eenmaal is en dat hij niet anders kan dan proberen er weer mee samen te vallen. Het idee van een soort lotsbestemming zoals Bousquet dat in zijn brief aan Paulhan formuleert, past hij ook toe op wat hem overkomen is, zoals blijkt uit de eerder geciteerde passage uit Traduit du silence, waarin hij verklaart dat hij zijn ongeluk heeft willen ‘acclimatiseren’ om er een essentieel onderdeel van zijn leven en wezen in te zien.

Eenzelfde dubbele houding spreekt uit zijn werk. Biograaf en vriend René Nelli beschrijft in Joë Bousquet, sa vie, son œuvre hoe Bousquet zich in de jaren twintig, na de publicatie van zijn eerste poëtische tekst Paroles du lépreux sans nom in 1925, aanvankelijk beweegt tussen surrealisme (hij raakt in die jaren nauw bevriend met Paul Eluard) en neoclassicisme (Paul Valéry). Hij is gevoelig voor de bevrijdende kant van het surrealisme, voor de raadselachtige symboliek, maar in tegenstelling tot Breton en de zijnen geeft hij boven beelden die hun oorsprong in de geest vinden, de voorkeur aan een interpretatie van de werkelijkheid door de verbeelding. Dit mondt uit in een stijl die ‘denkbeeldig realisme’ of ‘poëtisch realisme’ genoemd kan worden: ‘dromen wat je ziet, bedenken wat is’, in de omschrijving van Nelli, die ook nog schrijft: ‘voor Bousquet is de poëzie nooit iets anders geweest dan de wezenlijke besmetting van het leven door de droom.’ Door de waarneming en de taal van de schrijver krijgt de werkelijkheid een visionaire lading. De dingen bezitten geen vaststaande identiteit, ze veranderen onder zijn blik, verliezen hun banaliteit. Zo blijken de dingen toch een zeker belang voor Bousquet te hebben, zij het niet om wat ze zijn, maar om wat ze hem, wegdrijvend op zijn dromen en zijn rationele gedachten uitschakelend, in staat stellen te bereiken: vergetelheid. Naar de dingen kijken tot we vergeten wie we zijn,’ schrijft hij in Le livre heureux. Dat zijn intensieve consumptie van opium – wat hij in het hiernavolgende fragment zijn wijnrankenthee noemt: zijn ‘tisane de sarments’– daar in niet onbelangrijke mate aan bijdraagt is duidelijk.

Hoewel sommige van zijn boeken de genreaanduiding ‘roman’ meekrijgen, bevindt een groot deel van Bousquets oeuvre zich op het grensgebied tussen proza en poëzie, en lijkt het vaak een directe en fragmentarische weerslag van zijn innerlijke drang tot schrijven zoals die zijn uitweg vindt in de verschillende schriften die hij bijhoudt. Anekdotes, herinneringen, invallen, gedichten, observaties en overdenkingen volgen elkaar op en wisselen elkaar af. Gallimard-redacteur Jean Paulhan, met wie hij vanaf 1929 regelmatig over zijn werk correspondeert en die Traduit du silence zal redigeren, of liever gezegd distilleren uit het stapeltje schriften dat Bousquet hem toevertrouwt, moedigt hem aan zijn inspiratie te disciplineren en krijgt hem zelfs zover dat hij rijmende poëzie gaat schrijven. In latere jaren raakt hij beïnvloed door de esoterische schrijver-filosoof Carlo Suarès. Zijn werk wordt mystieker, irrationeler, ook als gevolg van zijn lichamelijke aftakeling. Want hoewel nutteloos, is het lichaam niet afwezig: altijd is daar de pijn om aan het bestaan ervan te herinneren. In Le bréviaire bleu omschrijft hij die op paradoxale wijze tegelijkertijd als marginaal en als kern van zijn wezen: enerzijds zuiver lichamelijk en dus geen deel van wie hij in essentie is, anderzijds zo onlosmakelijk met hem verbonden dat zijn aanwezigheid er bijna vanzelfsprekend van wordt.

‘Ik ken mijn pijn niet, want mijn pijn, dat ben ik. Ik lijd veel minder dan anderen eronder lijden mij te zien, ze voelen aan dat mijn zogenaamde marteling alleen voor de buitenwereld een marteling is, en voor hun hart waarin ze huist.
Ik ben mijn pijn: mijn pijn is niet mijn pijn: als ik wakker word is hij de foltering van de dageraad, als de zon schijnt, is hij de marteling van het mooie weer, ik ben de bron van menselijkheid waar de schoonheid van de boom en de vlucht van de vogel zich aan laven; en ik heb alleen deel aan deze pijn in zoverre ik een ding ben, in geen geval door mijn eigen ik. Van de wereld waarin ik als voorbijganger mijn plaats heb, heb ik wat meegekregen van dit lijden, waarvan het hart in mijn verwonding ligt. Alles wat ik nooit gezien en nooit liefgehad heb – en wat heb ik gezien dat ik niet heb liefgehad – zal als een schitterend spoor het licht van mijn hervonden sereniteit behouden.’

Bousquet lijdt onder meer aan uremie, en voelt al in 1947 dat zijn einde nadert. De pijn wordt heviger, de opium die hem verlichting moet brengen stompt hem af en vertroebelt, ook in zijn werk, de beelden die zijn geest produceert. In 1950 wordt hij in het ziekenhuis opgenomen, weigert verdere behandeling, en sterft thuis, bij zijn volle bewustzijn. De geest valt weer met het lichaam samen, de kogel heeft doel getroffen.

 


Lees een fragment uit het derde deel van Bousquets roman La Tisane de Sarments (1936) vertaald door Kim Andringa in Terras 06,
‘On/ding’.

Over de auteur:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.