thema:

Menno Wigman (1966-2018)

(foto: Dolf Verlinden. Dichters in de Prinsentuin 2007)

Menno Wigman, dichter, vertaler, perfectionist, schreef zeldzaam precies en uiterst vakkundig, altijd met temperament, ritme, muzikaliteit. Wigman gaf nooit werk uit handen voor hij het ritmisch en inhoudelijk kloppend had gekregen. Zijn werk bestaat uit de grote thema’s, jeugd, dood, liefde, aftakeling, verval. Het is onvermijdelijk hem klassiek te noemen, zijn werk refereert voornamelijk aan Baudelaire. Het lijkt of de generatie pal voor de zijne het dichterlijke vermeed: Tonnus Oosterhoff, Nachoem M. Wijnberg, Astrid Lampe, F. van Dixhoorn. Alsof Wigman en leeftijdgenoten als Ilja Pfeiffer, René Puthaar en Victor Schiferli het opnieuw invoerden. Een gedicht kon weer dichterlijk zijn, op een gedicht lijken. Bij Wigman speelde behalve het klassieke element simpelweg ook zijn tijd mee. In zijn poëzie weerklinkt de punk, de spleen, de doem, elementen die allerminst kantiekerig overkomen in zijn werk en het juist een dwingende kracht geven. Als hij zijn wijk beschrijft, Oud-West in Amsterdam, en van het balkon driehoog neerkijkt op hoe men er van verschillende herkomst bang is en bidt, dan klinkt hij op het eind zelf haast religieus: “kijk dan godverdomme, daar komt de zon/ mijn kamer in gerold, wat zou ik beven/ bij die gloed, wat zou ik bidden als het licht// straks stil en ongestraft de dag dichtschroeft?

Mennno Wigman, de weifelaar, de broeierige dichter die onverwachts kon uithalen, bleef ondanks zijn grote succes altijd bescheiden in zijn voorkomen en op een hem typerende manier onzeker. Die onzekerheid leek een motor, het moest nog beter, nog preciezer. Met al zijn pessimisme en zijn metrisch kloppende versregels en zijn enjambementen slaagde Menno Wigman evengoed energiek te blijven klinken, verwachtingen te blijven koesteren. Tegen alle noodlot in klonk er een zachte stem. Die stem is veel te vroeg gestorven en dat is niet alleen heel triest, het is ook een groot verlies voor de Nederlandse poëzie in zijn geheel die in Menno Wigman een van zijn meest welklinkende stemmen vond. Er was nog heel veel te schrijven voor Menno. We moeten het nu zonder hem doen en dat zal niet eenvoudig zijn.

Heet nu. Te heet om nog een mens te zijn. En bij
de avonddienst, ik zeg je, brak een ruit. Een schreeuw
van angst, van woede, toen gejoel, we ramden ons
een weg naar buiten, branden cellenblokken af
en dansten dronken van vernielzucht op het dak.
God weet hoeveel verjonging al dat slopen bracht.
En nog diezelfde nacht brak onweer los en nam
de bliksem foto’s van volmaakte levenskracht.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.