thema:

Met de poten in de grond. Over Seamus Heaney

Van de vier gedichten die hier worden gepubliceerd, zijn er twee afkomstig uit de bundel District and Circle (2006) die we op het moment aan het vertalen zijn. Ze behoren tot Heaney’s ‘ding-gedichten’, waarvan hij er veel heeft geschreven: uitgaand van concrete, vaak agrarische instrumenten uit een ver verleden, werkt de dichter in deze bonkige, aardse teksten toe naar een meer metafysische overweging of historische implicatie. Het zijn gedichten die in textuur als het ware samenvallen met zijn lijf – een grote man, met grote handen en een brede, gespierde rug – en waarin Heaney zijn agrarische achtergrond het meest naar voren schuift. Hij oogst met deze concrete gedichten betekenis.

In ‘Oud strijkijzer’ (uit Station Island (1984)) krijgt het strijkijzer dat – zal het door Heaney’s moeder geweest zijn? – de dichter ‘vaak zag optillen’, extra, concreet gewicht door de omschrijving ervan: ‘een stevige wig / als een sleepboot voor anker’. Bijna in een beweging belichaamt het strijkijzer meteen ook al een overdrachtelijke lading, al weet de lezer nog niet welke. De vrouw die het ding hanteert, doet iets wat we ons gemakkelijk kunnen voorstellen – ze spuugt het apparaat ‘in zijn ijzeren gezicht’, houdt het ‘vlak bij haar wang’ – echter niet (of niet alleen) om te zien hoe warm het ijzer is, maar ‘om het opgeslagen gevaar te peilen’. Gevaar. Steen in de vijver van dit gedicht: we zien de kringen, al weten we nog niet precies waar ze naartoe uitwaaieren. Het gedicht blijft over het strijkijzer gaan; anders dan bij veel andere dichters gaat het bij Heaney in zo’n concreet geval (en in vergelijkbare gevallen) vervolgens niet – of niet direct – over dat gevaar. Wat is de oogst dan wel van dit gedicht? Het lijkt een statement over de onverzettelijkheid van vrouwen in een gemeenschap die drijft op fysieke weerbaarheid. Er moet worden geoogst, gewassen, gestreken, er moet worden overleefd, daar in die arme, rurale streek. En er zal worden overleefd: ‘Voelen hoe het aan je trekt. Je drijven blijft’.

‘De hooivork’ (uit Seeing Things (1991)) neemt ons mee, ook weer in een beweging die we als lezer moeiteloos volgen – de lyrische rijkdom van Heaney’s gedichten maakt ze altijd een genot om te lezen, zelfs als we ze naar betekenis of implicatie niet meteen (of nooit) helemaal kunnen begrijpen – naar de jeugd van de dichter, waarin hij werd omringd door oude strijkijzers, hooivorken, rapensnijders en egtanden. Is het een programmatisch, een poëticaal gedicht? Wordt de hooivork, de verbeelding ervan als de speer van een krijger of van een atleet – waarmee we in de (klassieke) Oudheid terechtkomen – net als de ‘pen’ in Heaney’s beroemdste (en inmiddels lichtelijk uitgekauwde) gedicht ‘Digging’ een instrument waarmee aan het oog onttrokken betekenis in kaart wordt gebracht? De ding-gedichten hebben iets van gedetailleerde topografische kaarten, waarop iedere welving in het gebied van herkomst (het district) is ingetekend, waarop de hoogtelijnen zijn te volgen, maar waarvan de (mogelijk helse) betekenis (de gelaagde cirkel) alleen is te ondergaan als je er zelf rondloopt: als je leest en herleest, het ritme en de klank en de betekenis(sen) van de woorden ondergaat – woorden waar ook Engelstalige lezers zich vaak het hoofd over breken, woorden die in de Oxford English Dictionary (laat staan Van Dale) soms niet te vinden zijn, woorden waarvoor wij onze toevlucht moeten nemen tot de Dictionary of Anglo-Irish, de Dictionary of Ulster English of zelfs tot een Ierse vriendin die een visser ontmoette op een jaarmarkt ergens in Donegal, die kon uitleggen hoe we precies het woord bib in het gedicht over de rivier de Moyulla moesten begrijpen. (Hetgeen geenszins betekende dat we daar vervolgens simpel een aanvaardbare Nederlandse versie voor konden vinden.)

Ook ‘De egtand’ (uit District and Circle) lijkt een jeugdherinnering te zijn. Heaney tilt vaders doe-het-zelf-techniek (de egtand wordt de ducktape uit een andere tijd: je lost er werkelijk alle huiselijke gebreken mee op) naar een niveau waarin we als lezer deelgenoot worden van een psychische gesteldheid, van een zwijgzame boer uit een tijd die niet meer terugkomt, die het beste met zijn kinderen voorheeft, maar moeite heeft dat ‘te communiceren’. Die zich als Gulliver het meest thuis voelt tussen zijn paarden, die hem begrijpen (en die hij begrijpt). De vader in ‘De egtand’ wordt een vol liefde geschetste, onbereikbare man, een symbool (hoe voorzichtig we ook met dat woord moeten omgaan) voor hoe we op den duur allemaal los geslagen raken van het heden.

‘De rapensnijder’, ten slotte, is het openingsgedicht van District and Circle. Op het eerste gezicht ook weer zo’n ding-gedicht: een machine uit een tijd ‘van blote handen / en gietijzer’, waarin na de oogst de verse rapen tot pulp werden vermalen. (Interessant, maar in deze inleiding slechts aan te stippen: op het omslag van de Amerikaanse uitgave van District and Circle is de machine, de ‘turnip-snedder’ afgebeeld; de Engelse uitgave verweeft de Londense District en Circle-metrolijnen in vormgeving en kleurstelling – zo worden de lezers van de Amerikaanse uitgave in eerste instantie veel explicieter op de kant van het rurale Ierland en de betekenis ervan in de bundel gewezen, terwijl voor de Engelse uitgave de link met de bomaanslagen in Londen van 7 juli 2005 wordt gesuggereerd.) Wat opvalt als je het gedicht nauwkeurig(er) gaat lezen – en vertalen is niets anders dan steeds nauwkeuriger lezen (en het dan steeds nauwkeuriger formuleren in de eigen taal) – is hoe ‘hard’ ook dit gedicht is: de rapensnijder krijgt gezelschap van een tafelvleesmolen, een waterpomp, houten tonnen, voedertroggen en wordt dan een krijger die niet van wijken weet, gereed staat om toe te slaan: ‘een tonvormig borstschild, / paraat op vier / zich schrap zettende scheenplaten.’ In dit gedicht wordt, net als in ‘Oud strijkijzer’, ook iets gesteld – niet door een persoon, maar door een personificatie:

‘Dit is hoe God het leven ziet,’
stelde hij, ‘van zaailing tot snijder,’

terwijl de zwengel rondging
en rapenkoppen vielen, gevoerd

aan de likkebaardende snijbladen binnenin,
‘dit is de rapencyclus,’

 terwijl hij met de rauwe, gehakselde pulp
emmer na emmer glinsterend volstortte. 

Aanvankelijke zullen we na de schrik die de wreedheid van dit beeld, van deze ‘stelling’, oproept, wellicht zorgeloos doorbladeren naar het volgende gedicht – nou ja, zorgeloos: de titel ervan is ‘A Shiver’ / ‘Een siddering’ en de moker die het beschrijft, heeft net als het oude strijkijzer een vernietigende lading, die maar nauwelijks is te beheersen. En zo gaat het door: naarmate de bundel vordert, wordt steeds duidelijker dat de rapensijder een infernale machine is, die een huiveringwekkend thema heeft aangezwengeld. District and Circle is de eerste bundel waarin Heaney systematisch de Holocaust (de cirkel – van de hel) verweeft met zijn eigen verleden (het district). Die gewaarwording opent een aardlaag aan nieuwe betekenissen, implicaties, zoals de veengedichten in eerdere bundels dat deden. (Ook in District and Circle komen we trouwens opnieuw de Tollund Man tegen, het veenlijk dat in Denemarken werd opgegraven en nu in een vitrine in een museum in Aarhus ligt – hij werd eerder opgevoerd in Wintering Out en The Spirit Level.) De rapensnijder wordt de moordmachine genaamd Auschwitz, wat nog duidelijker wordt uit ‘Poolse bielzen’ en ‘Het berkenbosje’. Met die huiveringwekkende combinatie in het achterhoofd, wordt de bundel, door het ding-gedicht waarmee hij opent, een hedendaagse Heilige Komedie, waarbij vooral de hel aan bod komt, ofschoon de lezer wel degelijk ook uitzicht op verlossing – op loutering – op het paradijs wordt geboden.

 

Naar vier door Onno Kosters en Han van der Vegt vertaalde gedichten van Seamus Heaney.

Over de auteur: