thema:

Mijn eerste meisje

Vertaling:

Ze kwam op zeventien september in mijn leven, op school. In mijn zakagenda zette ik een dikke rode cirkel om die datum.
Ik zag haar in de foyer, ze zat op een van de aan elkaar vastgemaakte stoelen. Toen ik als opgeschoten jongen luid hoestend langsliep, keek ze naar me op. En onwillekeurig bleef ik staan. Zo’n meisje had ik nog nooit gezien, ik geloofde niet dat zulke meisjes bestonden en tegelijkertijd was het net alsof ik in mijn dromen, ’s nachts en overdag, al heel vaak mijn ogen op haar uitgekeken had. En op slag waren alle eerdere liefdesherinneringen overschaduwd, leek het verleden heel, heel ver weg, alleen maar door haar vluchtige blik. Gezichten, gestalten, slanke, verleidelijke benen in dunne kousen, korte rokjes… Haar kortstondige, ontevreden oogopslag was genoeg om de wereld voor mij op z’n kop te zetten. Zij was nu het enige wat al mijn gedachten vulde, mijn gevoelens, zij werd het object van mijn fantasie en mijn bewondering. En ik dankte mijn verkoudheid, mijn hoest, die onze blikken met elkaar in aanraking had gebracht.
Het was in de grote pauze, er waren veel mensen in de foyer. Het was zoals altijd een gedrang van jewelste voor de ingang van de kantine. Je at in groepen, maar heel wat mensen glipten buiten de rij om naar binnen, om eerst met vreemden te eten en pas dan bij hun eigen groep aan te schuiven. De bediening snauwde hen af en probeerde hen weg te jagen. Ik had ook eerder de kantine in gewild, maar toen zag ik haar… Ik leunde tegen de muur en verlustigde me stiekem aan het meisje.
Ze scheen klein van stuk, maar slank, met lange benen, lenig. Elk van haar bewegingen had iets gracieus, ze leek wel gewichtloos en van een unieke schoonheid. Ik durfde mijn ogen niet van haar af te houden, bang haar te verliezen, ik tastte elke plooi van haar truitje af, elke lok van haar haar. Ik kon wel blijven kijken. En om haar heen was een leegte… Het meisje zat met haar benen over elkaar, haar korte zwarte laarsje deinde op en neer. Haar donkere glanzende haar zat in een strakke paardenstaart die begon bij haar kruin en met een roze lint doorgevlochten was. Ze las en streelde het omslag, zonder aandacht voor de drukte en het geroezemoes in de foyer. Ze hield haar hoofd een tikje schuin en ik zag haar goed van opzij, haar gladde roze wang, haar kleine wipneusje, haar volle, verleidelijke lippen, haar even dichte als smalle wenkbrauw…
Wie was zij? Hoe kwam ze hier op deze armzalige technische school aan de rand van de stad die een nieuwe lading provincialen klaarstoomde? Misschien wachtte ze op iemand, was ze hier even heen gekomen, in onze smerige werkelijkheid afgedaald vanuit haar eigen wereld, waar het heel anders was, hoe wist ik niet, maar heel, heel anders. Ginds waren andere mensen, andere luchten, gevoelens waren er open en stralend, je hoefde die niet te verbergen, je hoefde je er niet voor te schamen… En deze stad, waar ik zo lang van gedroomd had om te wonen, maar waar ik al na twee weken teleurgesteld was geraakt, deze stad schonk mij de ontmoeting met een meisje waar ik niet van kunnen, nee niet van had durven dromen. Ze zou natuurlijk meteen verdwijnen, het koude halfduister zou me weer toedekken, ik zou het nog zwaarder krijgen dan voor ik haar had gezien, maar tegelijk zou het mij warm en licht te moede zijn, omdat ik zou weten: zij is vlakbij. Ik zal dezelfde lucht inademen als zij, hopen haar nog eens ergens te zien… (Men kan mij begrijpen, ik was toen zeventien).
 
Maar ze was niet verdwenen. Ik kwam haar tegen op school, in de studentenflat. Ik volgde haar, ontdekte dat ze in het eerste jaar zat, in de mozaïekklas. Ik raadde naar hoe ze zou heten, maar ik durfde niemand naar haar te vragen. Ik was te bleu, ik had geen contact met meisjes, miste de broodnodige ervaring, op een mislukte dronken poging op een schoolfeest na. Maar een onweerstaanbare natuurlijke aandrang, vermengd met angst, hulpeloosheid, trok, duwde mij naar de vrouw, en stortte zich klaterend uit in fantasieën, oogverblindende dromen, hallucinaties bijna die voor even de werkelijkheid verdrongen… Zodra ik alleen op mijn kamer was, liet ik mezelf op mijn bed neervallen, maakte trillend mijn rits open, rukte de knopen van mijn gulp en beroerde mijn lid dat van opwinding toch al op springen stond. De kleinste dingen werden het object van mijn zoete dromen. Mijn ogen waren dicht en wat een wonderschone meisjes, openhartige scènes had ik niet gezien. Ja, had ik niet zelf aan deelgenomen…
Vanaf zeventien september was zij, dat meisje van de mozaïekklas, het middelpunt van mijn verlangens. Of liever, mijn enige verlangen. Ik voelde haar lichaam, het aroma van haar frisse huid. Ik kleedde haar voorzichtig, hijgend en huiverend uit, deed haar gewichtloze, zijdezachte kousen uit, voelde zachtjes aan haar hete, stevige borsten, knielde voor haar neer en kuste en likte, als een zoete bloem, haar geslacht…
Zij werd mijn koningin, mijn godin, mijn zon, en ik – al was het maar in mijn dromen – haar slaaf. Hoe vaak stond ik niet op het punt om ergens in een gang aan haar voeten neer te vallen, op de trap, in de kantine, en in ieders bijzijn een druppel liefde te vragen, toestemming haar aan te raken, haar één keer aan te raken. Ik geloofde dat ik mijn leven lang aan die aanraking genoeg zou hebben… Ik had natte dromen, ik had geen belangstelling meer voor mijn studie, ik ging niet meer naar de Nevski, naar de concerten in de Rokkloeb, maar ik volgde haar, zocht de ontmoeting met haar, zwierf over de gangen van de studentenflat, in de hoop dat ze elk moment een van de kamers uit zou kunnen komen, langs me heen zou lopen en dat ik een seconde dicht, heel dicht bij haar zou zijn.
Mijn God, hoe sprookjesachtig zwaar viel het leven mij toen.
 
Meer dan een maand leefde ik in deze toestand… Op 24 oktober kwam er een eind aan. Die dag staat voorgoed in mijn geheugen gegrift, ik heb er in mijn agenda een zwarte kring omheen gezet. (Maar waarschijnlijk is dat zwart niet nodig). Die dag zette ik een ziekelijke en onvermijdelijke stap, waardoor ik met iedereen mee kon doen, de wetten van de wereld aanvaardde en alle overbodige ballast die mij verhinderd had deze te accepteren, van me af gooide.
Ik zat te roken op een bankje bij de studentenflat. Het was een warme, bijna hete dag, onze stad was al een dag of vier buiten het bereik van de regen gebleven, de lucht was droog en zwaar. Ik wist niet wat ik aan moest pakken, het geld was op, er zat niets anders op dan een beetje rond te hangen bij de flat, me te vervelen, te wachten op het ontbijt, daarna op het middageten en vervolgens op het avondeten. En zoals altijd hoopte ik haar te zien, mijn sprookjesmeisje, en zoals altijd was ik inwendig bereid om haar mijn liefde te verklaren, haar hand te pakken, haar te kussen. Ik geloofde, dat ik het doen zou als ze op kwam dagen. Ik zou wel zien wat ervan kwam…
Er kwam iemand op me toegelopen, Kamel Moechtarev, een rijzige gast uit het tweede jaar, hij was na de achtste klas
uit Koesjka gekomen, maar hij zag er niet uit als een jongen van zestien. Hij was groot en sterk, een volwassen kerel om te zien. We konden aardig met elkaar overweg, al hielden die ambachtsschooljongens niet van lui die pas na de middelbare school kwamen, voor tien maanden, voor hun zogeheten WS (werk en school). Kamel trakteerde mij op nasvai, ik gaf hem soms kleingeld voor bier of de metro…

Hij kwam naast me zitten en stelde voor: ‘Wil je wat nasik?’
‘Natuurlijk’, knikte ik. ‘Ik verveel me te pletter…’
‘Tja.’
Kamel haalde een luciferdoosje tevoorschijn, met daarin donkergroene stukjes nas die wel iets van kiezelsteentjes hadden. Ik viste er een paar op, stopte ze onder mijn tong. Kamel deed hetzelfde… Er zaten een stuk of tien Turkmenen bij ons op school, merkwaardig genoeg allemaal uit Koesjka. Ze gebruikte nasvaj als sigaretten en ze noemden het roken, maar op mij had het ongeveer dezelfde uitwerking als hasjiesj… Na een paar minuten begon het lekker te branden onder mijn tong, de warmte kroop door heel mijn mond, geleidelijk aan vulde het mijn hele hoofd. Mijn gedachten werden vaag en overbodig, ik ging languit op het bankje liggen, deed mijn ogen toe en keerde mijn gezicht naar de zon en volgde de roodgouden zonnevlekjes die over mijn oogleden dansten.
‘Zeg, Sen, ik heb een voorstel’, begon Kamel, te beleefd, en op ongewone toon. ‘Ik merk dat jij graag met Oksanka aan wil pappen…’
‘Welke Oksanka?’ Ik snapte het niet meteen.
Kamel spuugde zijn zacht geworden, in een groene fluim veranderde nasvai uit. Ik deed ook een fluim, keek Kamel aan.
‘Nou ja, die van mozaïek… Je ziet het, Sen…’
Zo meteen waarschuwt hij me dat ik het niet moet wagen om het met haar aan te leggen. Met Oksana. Ze heet Oksana…
‘Ik wil je wat voorstellen. Als je niet wilt, ook goed, maar mondje dicht… Begrepen?’
‘Ja. Wat dan?’
‘Eigenlijk… We willen… eh… haar een lesje leren.’ Kamel keek me strak aan, liet zijn blik naar de ramen van de studentenflat gaan. Ze blonken in de avondstralen van de zon. ‘Ze is onbeschoft… Ze keert zelfs haar kop af van Lenoer. Ze moet een beurt krijgen. Nou, wat vind je ervan?’
‘Wat?’ Ik snapte het nog steeds niet.
‘Ze gaat op vrije dagen altijd ergens heen’, begon Kamel voorzichtig uit te leggen. Hij sprak heel goed Russisch. ‘Naar familie, waarschijnlijk. Ze moet vandaag voor de avondbel terug zijn… We hebben besloten haar op het braakliggende terrein op te vangen. Zonder tierelantijnen: we moeten dat lelijke kreng gewoon een beetje laten dimmen… Dat is het. Mee eens?’
Ik keek voorovergebogen naar het met peuken bevuilde zand voor mijn voeten. Natuurlijk, nu had ik eindelijk begrepen wat hij voorstelde… Ik probeerde bij te komen van de nas, die mijn bewustzijn nog steeds in een warme, aangename nevel hulde… Ik spuugde, hoestte… Eigenlijk had ik Kamel een klap op zijn bek moeten verkopen, verontwaardigd moeten zijn, maar ik begreep dat ik het dan wel kon schudden. Dan werd ik die avond nog afgedroogd, in de stront geduwd. Ik had gezien hoe ze een Armeniër te grazen hadden genomen, en die was toen verdwenen, hij zou vertrokken zijn en de helft van zijn spullen op zijn kamer hebben achtergelaten… En als ik nou poeslief zou bedanken? Dat betekende toch dat ik hun vijand werd, en als Kamel en zijn vriendjes dan gepakt werden, had ik ze verklikt… Oksana, Oksana, ik heb nu je naam gehoord, maar onder welke omstandigheden! Welke prijs moet ik daarvoor betalen! Mijn droom, mijn stralende godin, mijn enige… Ze willen haar in de grond stampen, vermorzelen, vernietigen. Nog drie, vier uur en ze verscheuren haar. En wat moet ik? Wat moet ik kiezen?
‘Hé? Sen..?’ zeurde Kamel. ‘Doe niet zo moeilijk, niks aan de hand! We gaan allemaal een keer over haar heen, dan snapt ze het wel. Ik zeg, die trut is toch helemaal de weg kwijt. Het koninginnetje…’
Op zulk soort momenten doet het gebeurde zich voor als een boze droom, probeer je jezelf weer terug in de realiteit te brengen, wakker te worden. Je wordt ook wel wakker, maar dan kom je in hetzelfde terecht en je begrijpt: die nachtmerrie is geen droom, het is allemaal echt.
‘Vorig jaar hebben we er ook twee zo’n beurt gegeven. En niks aan de hand, ze bleven gewoon bij kennis en ze wonen nog steeds hier, makkelijk zat. Wat je wilt, hoor, ik zag gewoon dat je op haar valt, net nu wij… Ik wilde het je aanbieden als gabbers onder elkaar.’
Gabbers… Natuurlijk, natuurlijk begreep ik dat, ze wilden mij alleen maar voor het geval dat. Als er iets loos was, dan had ik het allemaal gedaan, want Kamel is niet de enige die merkt hoe ik op dat meisje val, hoe ik naar haar verlang. Ik ben de eerste verdachte… (Ik had toen nog geen mensenkennis, kon niet begrijpen dat het een onbaatzuchtig voorstel was van Kamel, dat het uit aardigheid was).
‘Nou ja, kom op, neem een beslissing, doe niet zo moeilijk…’
Ik zag haar duidelijk voor me, stukken duidelijker en helderder dan als ik droomde, in gedachten en tegelijk bijna voelbaar verenigde ik mij met haar, opgesloten in een kamer of in een douchecel. En heel even, maar hevig en diep, voelde ik met een schok dat het lot zelf mij een handje hielp om me daadwerkelijk met haar te verenigen. Maar hoe..? Heel anders dan ik had gedroomd. Afschuwelijk, smerig, onpoëtisch. Wat moest ik doen? Bedanken, onderduiken of haar waarschuwen, of haar met Kamel op het braakliggend terrein opwachten?
‘Zeg, wat wordt het?’
En een duistere, maar o zo dichtbije kracht liet mij antwoorden: ‘Ja, ik doe mee.’
Kamel gaf me een klap op mijn schouder: ‘Er gebeurt niets. Zullen we nog wat roken?’
‘Met hoeveel zijn jullie?’
‘Drie, jij bent nummer vier. Pak aan.’ Hij reikte me het doosje met de nasvai aan.
 
Kamel liet me niet gaan, mijn mededaders had ik nog niet gezien, maar ze wisten vast al van mijn instemming. Kamel was rustig en had geen haast om hen te zien. We liepen samen naar de kantine voor het avondeten, daarna zaten we een tijdlang bij de studentenflat te roken. Om een uur of acht kwamen we de kamer van Kamel binnen, waar nog twee gasten uit Koesjka zaten. Dus dat zijn mijn medeplichtigen, concludeerde ik, maar alleen Moertaz bleek een van de mededaders, een korte, gedrongen en zwijgzame gast met een puistenkop. De andere, de voornaamste, was een zevenendertig jaar oude mentor van de derde verdieping, de Tataar Lenoer. Vanaf de eerste dagen van mijn leven in de flat had hij mij vaag onder zijn hoede genomen, zich een paar maal ermee bemoeid als ambachtsschooljongens me lastigvielen en me geld afhandig probeerden te maken. Maar toch vond ik het een onaangename man, er stak iets sluws en slechts in hem en dat leek een bedreiging voor mij… En nu kwam dan het moment waarop ik Lenoer terug moest betalen.
Ik probeerde nergens aan te denken, nergens aan terug te denken ook. Er was maar een ding dat voortdurend in mijn hoofd bonkte: ‘Afgelopen… afgelopen…’ Maar ik was niet bang meer, alsof er binnen in mij een veer was gesprongen, was losgeraakt en er een verboden deur was opengegaan. En ik bereid was om die wijd open te doen en naar binnen te gaan…
Op de kamer van Lenoer dronken we met z’n vieren een grote fles Psjenitsjnajawodka, die gasten keuvelden wat, maar ik luisterde niet, ik volgde wat er binnen in mij gebeurde, daar verstopte ik mij, en wachtte ik af.
Lenoer gaf me een por en beval: ‘Kijk eens normaal. We gaan zo…’
Ik knikte, probeerde te glimlachen. En opeens voelde ik me weer naar worden, opnieuw sloeg er een golf angst over mij heen, de herinneringen aan naïeve, kinderlijke dagdromen. Het was net alsof er vanaf het moment dat Kamel naast me kwam zitten en me voorstelde om mee te doen -hoe moest ik het noemen? Ik was bang om een naam te geven aan wat we over een half uur zouden doen – het was net alsof er dagen van ziekte voorbij waren gegaan, in nevel en koorts, van griezelige visioenen, van de nachtmerries van een zware, stroperige droom. Het was net alsof ik niet langer in mijn omhulsel zat, maar dat mijn echte ik in een hoekje zat, observeerde, giste wat er komen ging… Maar nee, ik ben het, hij daar, dat ben ik echt, dat is mijn echte ik. En het is nog niet te laat: ik kan weghollen, wakker worden, de verboden deur met een smak dichtgooien… Vanmorgen, vanmiddag aan de lunch nog was ik klein, dom, was ik blij en werd ik gepijnigd door mijn domme, belachelijke liefde. Onder de les probeerde ik in plaats van de bestudering van de kunst van het tegelzetten en het mengen van specie, gedichten te schrijven, was ik oneindig gelukkig als ik haar een secondelang zag, en nu was ik bijna haar moordenaar, was ik gedwongen, nee uitgenodigd, om mijn liefde te vermoorden, mijn zon, de vrouw die ik verafgoodde. En tegelijk wilde ik Oksana bewust, bijna beredeneerd verstandig op die manier overweldigen, wilde ik haar, de allermooiste, trotse, ongenaakbare, vermorzeld en bezoedeld zien, wraak nemen en haar laten zien dat ze mij eigenlijk maar gewoon bedrogen had, getreiterd, en een vies en zielig hoopje was dat aan mijn voeten lag…
 
Het werd donker, we hielden de wacht op het paadje van de bushalte naar de studentenflat. Het paadje liep over een braakliggend terrein, begroeid met hoog gras en scheve, pluizige boompjes, iets van wilgen. Daar, op dat braakland, was ook een lus van de tram om te keren… Je kon ook om het terrein heen, over het asfalt, maar dat was erg om en iedereen nam liever dat paadje… Lenoer stond iets opzij van ons en wij zaten op een stuk in de aarde verzakte betonplaat te roken.
Ik bibberde, nu was ik weer bang en wilde ik niet. Ik bad tot alle hogere machten dat ze niet op kwam dagen, dat ze verdween, onder een auto liep, vergiftigd werd, zolang ze maar niet hier op dit paadje verscheen… Lenoer zou in zijn eentje uit het niets een laken over Oksana heen gooien, haar tegen de grond werken. Dan zouden wij toeschieten en haar naar beneden sleuren, naar onder de bomen… Maar nee, het was gewoon een geintje! Lenoer wilde me gewoon voor gek zetten, mijn reactie zien, mijn gedrag… Dan kwam hij terug, draaide hij glimlachend het laken om: ‘Zo, Sen, je deed het in je broek, hè? Jij had echt gewild dat we haar pakten, hè? Haha, wat ben jij een maniak!’ Hij is immers een volwassen vent, een mentor, hij snapt toch best dat we daar gelazer mee krijgen, hij zeker… Ik was misselijk, van het onophoudelijke roken of van de gedachten aan wat komen ging. Angst en verlangen streden om de voorhand, weerzin en het zoete voorgevoel van genoegdoening.
Tientallen omstandigheden en kleine dingetjes hadden de operatie kunnen verstoren, maar dat gebeurde niet. Daar hoorde je gepluk en gesnuif, vervolgens het zachte fluitje van Lenoer. De Turkmenen stormden erop af, ik ging achter ze aan. Het was donker en tegelijk kon je alles zien. In de verte stonden de flatgebouwen van vijftien verdiepingen, hun ramen schenen verstrooid op het braakliggende terrein. De ramen waren net honderden ogen.
Lenoer stond voorovergebogen en gaf het neergehurkte meisje een klap, probeerde haar definitief op de grond te krijgen. Het laken zat om haar hoofd, de mentor drukte door het laken heen zijn brede hand op haar mond. Met wie vocht hij..? Het jasje, het witte truitje eronder, het korte leren rokje… Ze was het…
‘Wegslepen!’ zei Lenoer hees, met verwrongen en verdraaide stem.
Drie man sleurden het meisje vanaf het paadje naar beneden, naar de wilgen, ik liep achter hen aan, keek om, struikelde over stukken betonijzer en stenen… Ze vleiden haar op het gras neer. Kamel deed behendig haar rok omhoog, sneed met een mes haar slipje stuk, gooide dat opzij. Zijn vriend drukte haar ene been opzij, ik het andere. Lenoer drukte met zijn knieën haar armen neer, trok haar truitje over haar hoofd, haar bloesje… Vervolgens loste Kamel de mentor af en klom deze op Oksana.
‘Doe haar kont omhoog.’
Moertaz deed haar been hoger, ik deed hetzelfde. Lenoer stopte zijn vingers tussen haar benen, stootte die als een stormram naar binnen. Schel en opgewekt rolde een tram over de rails, van de kant van de studentenflat klonken flarden muziek. Over het paadje liepen mensen, luid pratend en lachend… Oksana kromp ineen, kreunde, haar been sidderde als een grote warme vis… Lenoer deed zijn trainingsbroek naar beneden, begon ritmisch te bewegen, met zijn hele lichaam… Ik deed mijn gezicht omhoog, keek naar de lucht, waaraan zwijgzame sterren naar beneden keken en knipoogden… Ik wiegde in de maat met de stoten…
‘Ooh!’ zuchtte de mentor vermoeid, en liggend op het meisje verslapte hij.
Het was de beurt aan Kamel. Hij hijgde, Oksana’s lichaam schokte, verzette zich en spartelde -ze deed nog een poging om zich los te werken… Kamel lag een minuut of tien op haar, en ze werd moe, het been dat ik beet had, werd rustig en ontspande zich, en ik begon het te betasten, er zachtjes in te drukken. Ik stroopte voorzichtig een kous af, bijna net zo als ik dat in mijn dromen gedaan had, talloze keren in mijn dromen had gedaan. Teder, langzaam, een en al opwinding… Kamels streekgenoot, de korte, gedrongen Moertaz, die onder les deed alsof hij geen Russisch kende als hem een moeilijke vraag werd gesteld, kwam snel klaar.
‘Klim er maar op!’ fluisterde hij, terwijl hij mijn been overnam.
Ik boog me over haar heen, over mijn heilige liefde van kortgeleden, mijn onmogelijke droom, onbereikbaar als de zon. Over haar had ik gedichten proberen te schrijven, haar had ik in mijn dromen gezien, met haar alleen had ik achtendertig dagen geleefd… Languit op de grond, met een laken om haar hoofd, onnatuurlijk uitgespreid, met opgetrokken benen. Twee kleine donkere vlekken op haar borsten, het kuiltje van haar navel, de stugge haartjes op haar venusheuvel… Was zij dat? Zij? Ja, ze was het, en ze moest zo zijn, en ik moest mij zo boven haar verheffen, en ik moest haar overweldigen, alles doen waar ik zin in had. Te lang was ik kind geweest! En mijn lid kwam tot leven, ik maakte haastig mijn broek open en ging met mijn volle gewicht op haar liggen. Eerst kon ik de opening niet vinden, waar ik in moest porren, maar toen ging mijn lid als vanzelf, makkelijk en alsof ik het gewend was, in het natte, warme en willoze putje. Ik begon haastig mijn bekken te bewegen, zoals de jongens hadden gedaan, legde mijn hoofd op haar arm, snoof de geur op van het tere parfum dat van haar truitje kwam. De rits op mijn jasje schramde haar borst, maar als ik een mes had gehad, had ik zonder twijfel de achtendertig dagen die mij gek hadden gemaakt in dat lichaam gekerfd. Op dat moment voelde ik alleen het verlangen om haar pijn te doen, wraak te nemen. Alle bitterheid van mijn eenzame orgasmen, alle schuchterheid tegenover dit schitterende dier, tegenover hen allemaal, klotste uit mij. Als kots spatte het sperma in dat verwonde, geradbraakte, voor mij zo bereikbare wezen. Het was als de eerste inhalering, als de fluim op een icoon van iemand die tot inzicht is gekomen. Er was geen God meer! En ook geen slaaf..!
 
Ik deed de hele nacht geen oog dicht, was doodsbang. Ik luisterde naar de sporadische voetstappen op de gang en dacht dat er elk moment op onze deur kon worden geklopt. Ze kwamen me halen… ‘Opstaan, handen omhoog!’ Hoe gaan die dingen?
We hadden haar op het braakliggende terrein achtergelaten en waren naar de studentenflat gerend, hadden onze kleren onder een lantaarnpaal afgeklopt, op orde gebracht. En waren naar binnen gegaan. De oude bewaker zat in zijn hokje televisie te kijken… Zou ze misschien dood zijn? Dat zou zowel haar als mijn redding zijn… Hoe zou ik haar morgen onder ogen komen? Hoe zou ik weten dat ze in de buurt was..? Nee, ik zou haar niet meer zien, ze konden me elk moment komen halen.
Op de bedden naast het mijne lagen jongens uit mijn groep rustig te slapen. Ze voerden heel vaak gesprekken over vrouwen, sneden op, zeiden openhartig in wie ze wel iets zagen… Nu dacht ik dat het kleine jokkebrokken waren, even dom als gelukzalig. Ik was benieuwd hoe ze tegen het gebeurde van vandaag zouden aankijken. Ik herinnerde me hoe ze allemaal smakelijk hadden moeten lachen om mijn verhaal van dat schoolfeest… Ik was gek op mijn klasgenoot Marina, vanaf de vierde klas al. En toen ik besefte dat we bijna uit elkaar gingen en ik haar nog niet eens had durven aanraken, nog geen twee woorden tegen haar had durven zeggen, was ik naar haar toegelopen en had haar omhelsd… Ik had toen behoorlijk wat gedronken… Ik had haar iets toegefluisterd… Ze nam me mee naar de zolder van het schoolgebouw en had zich aangeboden. Gewoon, als ouder meisje. Ik stond daar en wist niet wat ik moest doen… Hoe ik dat doen moest. En ze was in de lach geschoten, had aan mijn oor getrokken en was weggelopen… Nu zou ze niet meer weglopen, nu wist ik wat ik doen moest en hoe. Ik had geleerd.
…De volgende morgen werd er op de deur geklopt. Het was Lenoer die ons wekte. Ik trok snel mijn hemd aan, schoot de gang op. De mentor klopte al op een andere deur, hij glimlachte naar me, knikte bij wijze van groet. Was alles dan normaal? Net als altijd nam hij ons mee naar les… Ja, alles was normaal. En zou normaal blijven. Nog bedankt, dat je me geholpen hebt, ik ben nu zoals een mens moet zijn, zoals het hoort… Nog even en ik moest in het leger en nu was ik erop voorbereid. Ik kon nu doodgewoon kennismaken met een meid die me wel aanstond, ik wist wat ik moest doen. Ik was de verboden deur binnengegaan en had daar een nieuwe wereld gezien, een nieuw leven.
Bij het ontbijt liep ik Oksana tegen het lijf, ze zag er gewoon uit, ze was even mooi, niets vertelde van de dingen van gisteren. Maar niets schreeuwde het ook in mij uit, er was geen ingehouden adem, zoals altijd als ik naar haar keek. Ik was verbaasd over mijn kalmte. Ik wilde haar gewoon, in alle rust… Nog een keer die benen proberen, die borsten, dat lichaam onder mij voelen. Maar het mocht ook iemand anders zijn… En er kwamen ook anderen, en niemand was een mysterie, een raadsel, een kindergeheim. Alles was nu wat het moest zijn. Alles was simpel en goed.
In één avond had ik ontzettend veel geleerd. Ik was stoer en grof geworden en de mensen accepteerden me als een van hen.

Over de auteur:

Over de vertaler:

Arie van der Ent is vertaler Russisch (o.a. van werk van Viktor Jerofejev, Dmitri Danilov, Oleg Zobern, Ljoedmila Oelitskaja), mede-oprichter van uitgeverij Douane (waar hij ook de reeks Nieuwe Russen opzette) en initiatiefnemer en programmamaker van het Rotterdamse letterencafé Tsjechov & Co. Hij blogt op www.uitgeverijdouane.nl