thema: ,

Minuscule capsules vol vrijheid – of waarom er achter elke caravan een maan schuilgaat.

De volle maan en een caravan, in eerste instantie niet twee verschijnselen die een direct verband met elkaar hebben, zou je zeggen. In een van zijn essays over poëzie beschrijft Jan Wagner hoe hij op een wandeling door de Ierse bergen in de ban raakt van de volle maan die op dat moment opkomt. Tot zijn verbazing zijn zijn medereizigers allerminst onder de indruk – tot hij zijn bril opzet en ziet dat het vermeende natuurspektakel in werkelijkheid een caravan is waar het licht zojuist is aangegaan. Sindsdien zijn de maan en deze mobiele reishut voor Jan Wagner onlosmakelijk met elkaar verbonden en de maan kan niet meer aanschouwd worden zonder er een caravan achter te vermoeden, in elke caravan wordt een maan gezien. De in eerste instantie anders waargenomen werkelijkheid laat een sterke indruk achter, juist door de verschuiving en de overlapping van beide elementen.

Eenzelfde bekoring gaat volgens Jan Wagner uit van gedichten: ‛Waar het bij kortzichtigheid gebruikelijk is om het gebrek aan goed zicht te compenseren met verbeeldingskracht, weekt poëzie de dingen en begrippen weloverwogen en met voorbedachte rade los uit hun gangbare samenhang – en laat zo koppelingen ontstaan, die nieuw en verrassend zijn en daarbij in het gunstigste geval toch onmiddellijk voor de hand lijken te liggen. Wat een gedicht ook allemaal verder nog kan zijn, taalreflectie, amusement of simpelweg een kapstok voor een thema, het is altijd ook het volgende: een uitnodiging om vermeende vanzelfsprekendheden nieuw te zien, in het gewone het buitengewone, in het grootse het kleine te ontdekken en omgekeerd.’

Jan Wagner is een meester in het vervreemden van alledaagse dingen, niet in de zin dat hij de lezer ontredderd achterlaat, integendeel, vaak heb je als lezer juist inderdaad het gevoel dat het gepresenteerde beeld eigenlijk voor de hand ligt, hoewel je het zo nog niet had gezien. Euforische momenten van herkenning en vreugde over deze nieuwe waarneming van een alledaagse werkelijkheid zijn in de gedichten aan de orde van de dag. Teken te zien als speldenkoppen, wat ligt er eigenlijk meer voor de hand? De naaimetafoor die daaruit in het gedicht het westen ontstaat, wordt dan verder gesponnen in de verhouding mens – natuur. Maar deze beelden zijn niet slechts ter ijdel vermaak bedoeld, vaak zijn ze compositorisch middel in het gedicht, de draaideur naar een andere wereld. Zo stap je als lezer in het gedicht botanische tuin via de vergelijking van een kweekkas met een walvissenskelet van een parkbezoek in het heden naar jeugdherinneringen aan natuurkundige musea en zelfs naar tijden en gebieden waar de walvissen ooit zijn gestrand. In het gedicht haute coiffure wordt de aanvankelijke idylle van het kappersbezoek doorbroken, zodra de haarpluizen op de grond met een rebellerende meute worden vergeleken en zo dramaturgisch verder onheilspellends inleiden. Slechts één roestende spijker in het gedicht gelagkamers in de provincie is nodig om het vreedzame beeld van de plaatselijke voetbalhelden van vroeger in twijfel te trekken. En in het gedicht störtebeker versterkt de koppeling van störtebeker met een onthoofde kip – overigens door middel van een onschuldige overgang via wolken en veren – beide scènes in hun gruwelijkheid.

In elk van deze gedichten initieert een bepaald beeld een reis, hetzij daadwerkelijk door de verandering van decor, hetzij slechts associatief – een reis in ieder geval waarbij geografische verplaatsingen en bewegingen in de tijd onbeperkt zijn. Over de maatschappelijke betekenis van gedichten zegt Jan Wagner: ‛Nee, een gedicht zal de wereld niet veranderen – het is echter zelf al een verbazingwekkend veranderde wereld die je kunt binnengaan of ook niet. Wie dit niet doet, blijft in het gebruikelijke steken. Wie de stap waagt, wordt rijkelijk beloond. Op een paar vierkante centimeter papier ontdek je een immense ruimte waarin dat wat qua tijd, ruimte en betekenis ver uit elkaar ligt in harmonie is en waarin de meest tegengestelde dingen en paradoxen hand in hand gaan.’ Deze grenzenloosheid en het feit dat gedichten ‛zich het recht toe-eigenen de dingen zo te denken en te zien zoals ze nog nooit gedacht en gezien zijn’ maken dat ook gedichten in onze Westerse maatschappijen subversief zijn. Ook waar gedichten in politiek opzicht geen explosief potentiaal vormen, ‛miniscule capsules vol vrijheid’ zijn het altijd en overal.

Maar in welke verhouding staan vrijheid en vorm tot elkaar? Met deze vraag heeft Jan Wagner zich veelvuldig beziggehouden, zowel in zijn gedichten als in zijn essays. Het essay Vom Pudding, Formen junger Lyrik kan als verdediging van het experimenteren met oude dichtvormen door een groot deel van de jonge generatie Duitse dichters worden gelezen. Wagner experimenteert niet alleen met oude dichtvormen zoals bijvoorbeeld de sestina in het gedicht de veteranentuin of de villanella, hij zoekt ook naar nieuwe wegen als het om rijm gaat – niet naar het zuivere rijm wordt gestreefd, maar naar rijmen die veel onopvallender zijn – zoals bijvoorbeeld ‛koel’ en ‛kaal’ en ‛fin de siècle’ en ‛walvisskeletten’ in het gedicht botanische tuin – maar niettemin voor structurele en semantische samenhangen en verrassingen zorgen. Daarbij is de dichtvorm of het rijm niet het doel, maar eerder de weg in het ontstaansproces van het gedicht voor Jan Wagner. Elders zegt hij bijvoorbeeld over de functie van rijm: ‛niet alleen als onderliggende, in het gunstigste geval decente en misschien zelfs onzichtbare structuur, maar ook als compositorisch middel. Dat wordt het immers, als je het [het rijm] niet als voorwaarde, als plicht ziet die vervuld moet worden, maar als een creatieve stoorfactor in het schrijfproces, die associaties en het inslaan van andere, onverwachte paden uitlokt.’ Daarbij wordt niet alleen de lezer verrast, maar vooral ook de auteur zelf ‛als zijn eigen eerste lezer’. Nog verhelderender is het citaat van John Ashbery dat Wagner in het esssay Vom Pudding met betrekking tot oudere dichtvormen aanhaalt: ‛Ik heb wel eens tegen iemand gezegd dat het schrijven van een sestina te vergelijken is met een bergafdaling op de fiets, waarbij de pedalen je voeten aandrijven. Ik wilde dat mijn voeten gedwongen werden naar oorden te gaan waar ze anders nooit zouden zijn beland.’ Afdalend op de sestina-fiets stuurt Jan Wagner in zijn gedicht de veteranentuin niet voor niets de oude oorlogsveteranen langs oude mythen, Griekse filosofen, tot op de Matterhorn van hun herinnering, weer terug naar beneden langs de volgende generatie en via schaakspelbeelden weer terug op hun kamers en zorgt zo voor onverwachte wendingen in het gedicht – of beter gezegd: heeft zich tot deze onverwachte wendingen laten uitlokken door de vorm van de sestina. Nee, aldus Jan Wagner, vorm is geenszins een beperking voor de vrijheid in gedichten, maar zorgt juist integendeel voor een uitbreiding van de ruimte in het gedicht.

Dezelfde beweging ziet Jan Wagner ook op thematisch vlak: wie zich een groot thema, bijvoorbeeld vrijheid, ten doel stelt, zal uiteindelijk in clichés vervallen. ‛Wie zich echter geheel en al op een verloren witte handschoen in de goot concentreert, op het concrete detail dus, en niet op een abstract iets, die ontdekt iets kostbaars en zal eventueel een fascinerend gedicht over de vrijheid tot stand brengen.’ Details, de kleine alledaagse dingen zijn dan ook vaak het katalyserende element in Wagners gedichten. ‛De meest gewone dingen, die we eigenlijk alleen maar zo noemen omdat we te gewend aan hen zijn geraakt, openbaren vaak het grootste poëtische potentiaal als je er maar precies en lang genoeg naar kijkt.’ Welke poëtische kracht een van de meest alledaagse dingen kan hebben in combinatie met de compositorische aandrijving van een haiku, bewijst Jan Wagner met zijn gedicht theezakje – ook dit een miniscule capsule vol vrijheid.

 


Lees ook zeven gedichten van Jan Wagner, vertaald door Monique de Waal.

 

Over de auteur:

Monique de Waal (1974), vertaalster, studeerde Duitse Taal- & Letterkunde in Utrecht. Ze vertaalde eerder al voor Poetry International. Momenteel is ze werkzaam als medewerker marketingcommunicatie in Hamburg.