thema:

De muzikaliteit van Léon-Gontran Damas’ Black-Label

Ergens in de krochten van mijn geheugen weerklonk zijn naam: Léon-Gontran Damas. Ik hoorde voor het eerst van hem in zijn geboorteland, Frans-Guyana, vroeger een Franse kolonie, tegenwoordig ingelijfd als overzeese gemeente. Een schooljaar lang gaf ik daar les op een schooltje in het half door de jungle overwoekerde dorpje Apatou. In dit best bewaarde stukje Afrika buiten Afrika wonen afstammelingen van slaven die stroomopwaarts over de Marowijnerivier vluchtten, weg van de plantages. De directeur van het collège, een bijzonder belezen man, kwam oorspronkelijk uit de Elzas. Waar het voor hem op school verboden was zijn moedertaal te praten, maakte hij het voor zijn leerlingen mogelijk onderwijs in Creoolse talen te genieten. Regelmatig vertelde hij in geuren en kleuren over de geschiedenis en cultuur van de Franse overzeese gebieden. Namen van intellectuele en literaire grootheden afkomstig uit deze gebieden passeerden de revue. Zo introduceerde hij bij mij René Maran, de eerste zwarte man die, in 1921, de Prix Goncourt won, Frantz Fanon, wiens werk inspiratiebron is geweest voor vrijheidsstrijders als Steve Biko, Malcolm X en Che Guevara, en de gevierde dichter Aimé Césaire, die zesenveertig jaar lang burgemeester was van de Martinikaanse hoofdstad Fort-de-France. Tijdens een van zijn verhalen viel en passant de naam Damas. Wie dit precies was en waarom hij in dit imposante rijtje paste, bleef mij onduidelijk.
Pas twee jaar later, in de banken van de klassieke Sorbonne, werd ik aan zijn naam herinnerd. Tijdens de collegereeks Politiques de la littérature behandelden we werk van Fanon. Regelmatig werd er uitgeweid over de historische context waarin hij zijn boeken schreef. Zo ook over de politieke en literaire Négritude-beweging waarvan Damas medeoprichter was. De professor noemde hem in een adem met Césaire en Léopold Sédar Senghor, de latere eerste president van het onafhankelijke Senegal. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw zetten deze intellectuelen zich in tegen het kolonialisme, sociale en politieke ongelijkheid, geïnstitutionaliseerd racisme, culturele assimilatie en heersende negatieve vooroordelen omtrent de donkere medemens. Regelmatig werd werk aangehaald van Césaire, voornamelijk zijn Discours sur le colonialisme, alsook ideeën van Senghor. Opnieuw bleek Damas het ondergeschoven kind, stilte heerste rondom zijn figuur.
Damas’ (1912-1978) erkenning bleef uit: in tegenstelling tot Césaire is hij niet bijgezet in het Pantheon of, zoals Senghor, verkozen tot lid van de prestigieuze Académie française. Ook op politiek vlak was hij de mindere grote. Van 1948 tot 1951 zetelde hij als parlementslid in het Franse Lagerhuis, maar werd politiek geblokkeerd. Toch is hij niet geheel vergeten. Van de Guyanese bossen tot in de gangen van de Sorbonne wordt nog over hem gesproken. Toch lijkt zijn geest op zoek naar meer erkenning.
Deze poltergeist maakte mij tot zijn jongste slachtoffer. Ik zwichtte voor zijn onrust en besloot op zoek te gaan naar zijn werk. Dagenlang struinde ik boekhandels en boekenmarkten af, maar kreeg overal nul op het rekest. Uiteindelijk heb ik een bundel vanuit Frankrijk opgestuurd gekregen. Na twee weken viel het lange gedicht Black-Label bij me in de brievenbus. Meteen sloeg ik het tachtig pagina’s tellende gedicht, gepubliceerd in 1956, open en begon in het eerste van zijn vier delen. Na een urenlange worsteling legde ik het enigszins uitgeput naast me neer. De tekst liet zich allesbehalve gemakkelijk verstaan.
Het is een bijzonder gedicht, dat was mij duidelijk. Het is rijk, vol emotie en geëngageerd en tegelijkertijd onrustig. Centraal staan de herinneringen van een ongedefinieerde dronken verteller. Met whisky, de welbekende Johnnie Walker Black Label, probeert hij zijn verdriet te verdrinken. Deze pijn komt voort uit het slavernijverleden, uit zijn achtergestelde positie in de maatschappij als afstammeling van Afrikaanse slaven, uit zijn situatie als banneling, maar wordt ook veroorzaakt door vrouwen. In hoog tempo volgen vele intense herinneringen elkaar op. Hij vertelt onder andere over extatische rituele dansen rondom een trommel, over een knappe, naakte vrouw, genaamd Ketty, die voor zijn ogen verdwijnt door het dakraam uit te vliegen en over voorouders die van een schip overboord werden gegooid. Kortom, de rode draad laat zich moeilijk ontdekken. Een overvloed aan culturele en topografische verwijzingen maakt de tekst uitermate opaak. Gewapend met meerdere naslagwerken zette ik me dan ook aan een intensieve herlezing van de tekst. Dit leidde tot een groter inzicht van de tekst, toch begreep ik hem nog niet.
Dat weekend ging ik naar een concert van een groep die afrobeat speelde. Afrobeat is een genre dat in de jaren zeventig in het spoor van Fela Kuti opkwam en internationaal furore maakte. Het is een muzikale smeltkroes: hier komt jazz samen met Ghanese highlife en Nigeriaanse yoruba. Op de muziek worden in de regel politiek en sociaal geëngageerde teksten gezongen.
Eenmaal binnen dansten de geluidsgolven van de percussie tegen mijn trommelvliezen. Op het podium bewogen de heupen van twee schaars geklede vrouwen op het ritme. Hun gevlochten haren waren versierd met gekleurde kralen, hun gezichten geschminkt. In het midden stond de aanvoerder van de groep, in het wit gekleed. Zijn stem bracht het publiek in extase. De klanken van de saxofoon bliezen boven de trommels uit. De ruimte kolkte over van energie. Onwillekeurig dacht ik op dat moment aan het gedicht van Damas en opeens viel alles op zijn plaats. Ik begreep het gedicht. De samenhang van alle verschillende, schijnbaar incoherente, elementen zat hem in zijn muzikaliteit. Nog specifieker: zijn stijl en inhoud kwamen overeen met die van afrobeat.

De trommel

De trommel staat al eeuwenlang centraal in de West-Afrikaanse muziek. Hij is verweven in het dagelijks leven en is daarmee een sterke uiting van een gedeelde cultuur en identiteit. Vaak wordt er bij sociale gelegenheden, rituelen en feesten trommel gespeeld. Het instrument kan hierbij zangers, dansers en verhalenvertellers begeleiden. Ook binnen de Ghanese highlife en Nigeriaanse Yoruba staat de percussie centraal, deze bepaalt het tempo van de nummers. Hoe langer de muzikanten, dansers en het publiek naar het repetitieve trommelen luisteren, hoe krachtiger en dieper dat binnenkomt.
Ook in Black-Label speelt de trommel een belangrijke rol. Regelmatig wordt ernaar verwezen, in het bijzonder naar de tambour-ka, een type trommel dat onderdeel is van gwoka, een muziekgenre op Guadeloupe. De volgende passage is een onderdeel van een strofe waarin het beeld wordt geschetst van een groep mensen die zingen en dansen op de ritmes van de tamboer:

où dégainé le Tambour-Ka
où débandé le tambour-ka
enjambé le tambour-ka
entouré le tambour-ka
raisonné le tambour-ka
cajolé le tambour-ka
réchauffé le tambour-ka
résonné le tambour-ka
enivré le tambour-ka
ereinté le tambour-ka
essouflé le tambour-ka1

De zinnen volgen alle hetzelfde metrum: beklemtoond, onbeklemtoond, beklemtoond, onbeklemtoond, beklemtoond, onbeklemtoond, beklemtoond. Bij hardop lezen klinkt deze versmaat als slagen op een trommel. Zodoende komt de tekst tot leven, waarbij inhoud en vorm met elkaar versmelten. De lezer voelt de levendigheid en puurheid van de beschreven rituelen. Handelingen die diep verbonden zijn met het leven, liefde en de dood.
De Afro-Caribische cultuur, waarin Damas’ wortels grotendeels lagen, en uitingen ervan zoals de trommel, werden eeuwenlang onderdrukt en als achterlijk beschouwd. Het algemeen heersende beeld rondom mensen van Afrikaanse komaf was uitermate negatief. In rijmvorm brengt Damas dit negatieve stereotype krachtig in beeld:

NOUS LES GUEUX
nous les peu
nous les rien
nous les chiens
nous les maigres
nous les Nègres2

Zwarte mensen werden in het Frankrijk van de jaren vijftig in Damas’ bewoordingen beschouwd als niets meer dan honden. Het algemeen heersende idee was dat de superieure, beschaafde, blanke hem dan ook diende te civiliseren.
Black-Label is een aanklacht tegen deze negatieve stereotypering en het witte superioriteitsdenken. Net als andere uitdragers van de négritudebeweging draagt Damas bij aan de deconstructie van het negatieve beeld van de donkere medemens en dat van de superieure witte medemens. In zijn werk benadrukt hij positieve uitingen van de zwarte cultuur. Een voorbeeld hiervan is de passage over de tambour-ka. Het is een hommage aan de onderdrukte Afro-Caribische cultuur. Hiermee gaf hij een duidelijk signaal af. In heel het Caribisch gebied was de trommel immers eeuwenlang verboden geweest, omdat die door slaveneigenaren als bedreiging werd ervaren. Niet langer diende de zwarte mens zich te schamen voor zijn cultuur, voor zijn identiteit, en onder het juk te blijven van de kolonisator. Net als Césaire eigende Damas zich het negatief beladen woord nègre toe en droeg het vervolgens als een geuzennaam uit met trots. De neger moest zich ontdoen van de mentale ketenen en de eigen cultuur met trots uitdragen:

Jamais le Blanc ne sera nègre
car la beauté est nègre
et nègre la sagesse
car l’endurance est nègre
et nègre le courage
car la patience est nègre
et nègre l’ironie
car le charme est nègre
et nègre la magie
car l’amour est nègre
et nègre le déhanchement
car la danse est nègre
et nègre le rythme
car l’art est nègre
et nègre le mouvement
car le rire est nègre
car la joie est nègre
car la paix est nègre
car la vie est nègre3

Deze door Damas aangehaalde positieve elementen uit de zwarte cultuur, zoals vrolijkheid, wijsheid en dans, in de vorm van trotse exclamaties, klinken als slagen op een trommel: kort, krachtig, ritmisch en repetitief.
Deze stijl is geïnspireerd door Afrikaanse gedichten, waar Damas goed bekend mee was. Als een moderne opvolger van de gebroeders Grimm verzamelde hij orale volksvertellingen afkomstig uit Afrika. In 1948 bracht hij hiervan een bundel uit: Poèmes nègres sur des airs africains. Deze gedichten werden veelal gezongen en geïmproviseerd.4 Alles stond in teken van de overdracht, daarom waren melodie en cadans van groot belang. De thematiek behelsde alledaagse zaken en werd, al dan niet in rijmvorm, bezongen in spreektaal zodat deze voor het publiek begrijpelijk was. Herhalingen gaven de gedichten ritme, verhoogden het begrip van de tekst en zetten het kracht bij. Al deze elementen zijn terug te vinden in het werk van Damas.
Ondanks het alledaagse taalgebruik is Black-Label moeilijk te lezen. Net als Fela Kuti, die veelal zong in Nigeriaans pidgin-Engels, bediende Damas zich van lokale talen. Kathleen Gyssels en Christine Pagnoulle, die het gedicht in 2013 naar het Engels vertaalden, geven aan dat het werk van Creools doordrenkt is. Zo worden fruit, lekkernijen, planten, gebouwen met Creoolse termen aangeduid.5 Bovendien zal de Westerse lezer met veel topografische en culturele verwijzingen onbekend zijn, aangezien een groot gedeelte zich afspeelt op de Franse Antillen en in Frans-Guyana. Net als het verheffen van de trommel was dergelijk taalgebruik een daad van verzet. Creoolse talen werden als minderwaardig en niet-literair beschouwd. Gyssels en Pagnoulle geven aan dat Damas zijn ‘authentieke zelf’ uitte door zich te bedienen van het Creools en door regelmatig de conventionele regels van de Franse grammatica aan zijn laars te lappen.

De saxofoon

De saxofoon staat voor de jazz in afrobeat. Grondlegger Fela Kuti genoot een opleiding aan het Trinity College of Music in Londen waar hij fan werd van artiesten als Miles Davis en Dizzy Gillespie. Hij leerde trompet, drums, keyboard en bovenal saxofoon spelen. Zijn saxofoonsolo’s baseerde hij op de bebop, daardoor waren deze veelal geïmproviseerd.
Ook Damas was geen vreemde van de jazz, sterker nog, hij staat bekend als groot liefhebber. Dit is alleen al terug te zien in het vocabulaire van Black-Label dat doordrenkt is met woorden als rythme en trompette. Onlangs is er zelfs een boekwerk verschenen genaamd: Léon-Gontran Damas: le poète jazzy (Éditions à dos d’âne). Aan het eind van de jaren twintig komt Damas voor het eerst met jazz in aanraking. Hij begeeft zich in Parijs, waarheen hij is verhuisd, onder de zwarte artiesten en intellectuelen. Tijdens een van de vele jazzavonden die zij bezoeken, komt hij in contact met voorname figuren van de Harlem Renaissance, onder wie Langston Hughes. Het werk van deze avant-gardedichter wordt gekenmerkt door jazz-achtige ritmes en een geïmproviseerde schrijfstijl. In deze jazz poetry maakte hij veelal gebruik van repetitieve zinnen en syncopes, het verleggen van het normale accent. Deze stijl heeft een grote invloed op Damas en zijn werk.
Gyssels en Pagnoulle leggen uit dat Damas een techniek toepast die cumulative repetition wordt genoemd. Hierbij wordt een startzin bij iedere erop-volgende regel steeds verder wordt uitgeweid door middel van repetitief woordgebruik, waarna er weer wordt teruggewerkt naar de initiële regel. Model voor deze techniek staan de geïmproviseerde solo’s binnen de bebop die vertrekken vanuit een vast ritme en daar ook weer op terugkomen:

J’AI SAOULÉ MA PEINE
ce soir comme hier
comme tant et tant
d’autres soirs passés
où de bouge en bouge
où de bar en bar
où de verre en verre
j’ai saoulé ma peine6

Een andere trek die Damas’ gedichten met jazz delen is het associatieve, geïmproviseerde karakter. Vaak is het onduidelijk hoe twee opeenvolgende strofes, zinnen of zelfs woorden zich tot elkaar verhouden. Gyssels geeft aan dat Damas beïnvloed is door de surrealist Robert Desnos, met wie hij bevriend was en die een inleiding schreef voor zijn eerste dichtbundel, Pigments (1937).7 Bij de surrealisten staat de bewustzijnstoestand van de droom centraal en de daarmee gepaard gaande vrije associaties. In Manifeste du Surrealisme (1924) beschrijft André Breton het als volgt: ‘Automatisme psychique pur par lequel on se propose d’exprimer, soit verbalement, soit par écrit, soit de toute autre manière, le fonctionnement réel de la pensée. Dictée de la pensée, en l’absence de tout contrôle exercé par la raison, en dehors de toute préoccupation esthétique ou morale.’8
Dit idee heeft Damas weten toe te passen door middel van een dronken verteller. Het drinken veroorzaakt bij de hoofdpersoon een roes die uiteenlopende gedachtegangen in gang zet. Deze wisselen af tussen herinneringen aan een gezamenlijk slavernijverleden, persoonlijke herinneringen, emotionele en ongecontroleerde overpeinzingen, en hallucinaties. Damas lijkt op ongecontroleerde wijze fantasie met persoonlijke ervaring te vermengen, wat surrealistische droomachtige passages oplevert. Zo beschrijft hij hoe een gezichtloze menigte een baby aangaapt die uit de Seine is gevist en te drogen ligt, en even later vertelt hij over de mooie, blonde, naakte Ketty die door het dakraam wegvliegt. Daarbij verspringt het gedicht constant van tijd en plaats. Verhalen die zich eeuwen eerder afspelen, zoals de overtocht van geketende slaven naar de Nieuwe Wereld, worden afgewisseld met persoonlijke herinneringen en denkbeeldige gebeurtenissen die zich afspelen in Frankrijk, Frans-Guyana en op de Franse Antillen. In het gedicht vertroebelen de grenzen tussen fantasie en werkelijkheid, heden en verleden en geografische locaties.
De drank verdooft de verteller en biedt hem soelaas maar wekt ook verdriet en melancholie op, wat zich uit in negatieve gedachtestromen en verwijten. Veel pijn komt bovendrijven, zo ook om verloren liefdes. In zijn roes moeten zij het ontgelden:

La nuit dernière
au beau mitan du ciel
des Îles
un soleil rouge de feu rouge à brûler vif
des torses et torses et torses et torses nus
des bacouas
des bacouas des bacouas en bataille
des pantalons aux trois quarts retroussés
des coutelas flambants neufs
au lieu de belles cannes
coupaient
coupaient des théories de têtes
de têtes
de têtes
de têtes blondes
comme la vôtre
mon bel amour9

De kop die wordt afgehakt is die van Ketty. Een knappe, blonde vrouw naar wie de verteller verlangde maar die voor hem onbereikbaar was. Zij wordt het object van zijn frustraties. Hij fantaseert erover dat ze vermoord wordt door, hoogstwaarschijnlijk, slaven die op de suikerrietplantage werken. In deze strofe komen de surrealistische invloeden sterk naar voren. De regels van de tijd worden niet gerespecteerd; slaven uit het verleden hakken de kop af van een vrouw uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Ook wordt een algemene met een persoonlijke geschiedenis vermengd. Frustraties van Damas’ voorouders en die van hemzelf worden beide botgevierd op de blonde kop, die zowel symbool staat voor de blanke kolonisator als voor de onbereikbare blanke vrouw. Door middel van deze fantasie-achtige toestand kan de surrealistische automatische spontaniteit, die niet gebonden is aan moraliteit, zich ontvouwen. Een toestand waarin blonde hoofden worden afgehakt als vergelding voor slavernij en onbevredigde verlangens.

Muziek als wapen

Afrobeat dient in de regel ter bewustmaking van het publiek. De Pan-Afrikaanse ideologie klinkt sterk door in teksten van Fela Kuti. In zijn nummers zette hij zich af tegen het neokolonialisme en daarmee tegen opgedrongen religies zoals de islam en het christendom, en predikte een terugkeer naar een Afrikaans bewustzijn door verdieping in traditionele kennis, cultuur en religie. Daarnaast hekelde hij de sociale ongelijkheid in de Nigeriaanse dictatuur waaronder hij leefde en het misbruik van het geweldsmonopolie. In muziek lag de kracht tot verandering, vandaar zijn bekende uitspraak: ‘music is the weapon.’
Evenzo voert in Black-Label politiek en sociaal engagement de boventoon. Het eerste gedeelte van het gedicht is een aanklacht tegen de trans-Atlantische slavenhandel. Damas roept krachtige beelden op van de overtocht van Afrikanen die tot slaaf zijn gemaakt en vervoerd naar de Nieuwe Wereld:

Ceux dont les Ancêtres étampés
fleurdelisés
marqués de fer rouge
aux lettres du navire au Large
puis parqués
enchaînés
rivés
cadenassés
et calés
furent bel et bien du voyage
sans air
sans eau
sans fin

Ceux dont les Ancêtres furent jetés au cours du voyage
sans fin
sans eau
sans air

Ceux dont les Ancêtres
eurent la chair toute brûlée à vif
au-dessus des seins
sur les omoplates
sur le gras du bras10

Deze beelden dienen ter bewustwording van de daden van de Franse kolonisator aan wiens handen bloed kleefde. Even verder wenst hij deze dan ook een symbolische dood toe.
Tegelijkertijd sprak Damas zich uit tegen de zwarte die zich als minderwaardig gedroeg. Zoals Fanon uitgebreid betoogde in Peau noire, masques blancs leidde het opdringen van de dominante blanke cultuur tot een minderwaardigheidscomplex bij de gedomineerde zwarte bevolking waarbij de laatste zich wilde aanpassen aan de eerste. Damas verafschuwde deze psychopathologische toestand en veroordeelde de symptomen die ermee gepaard gingen, zoals het ontkroezen van de haren en het wensen van een smallere neus en dunnere lippen.11 Bovendien werd hiermee niet het doel bereikt aangezien de gekoloniseerde nooit als gelijkwaardig aan de kolonisator zou worden beschouwd omdat er onder het ‘blanke masker’ nog altijd een zwarte huid zat.
Zoals hierboven beschreven, diende de Afro-Caribische bevolking uit te gaan van zijn eigen kracht. Assimilatie was dan ook Damas’ grote vijand. Tijdens zijn leven zette hij zich in tegen de départementalisation van de Franse overzeese gebieden (Guyane, Martinique, Guadeloupe en Réunion). De overgang van kolonie naar een Frans departement belichaamde immers de essentie van assimilatie. In 1946 werd dit echter een voldongen feit. Twee jaar later werd Damas afgevaardigde in de Franse Tweede Kamer waar hij streed voor meer aandacht, betere voorzieningen en rechten voor deze gebieden. Hij werd echter consistent tegengewerkt en drie jaar later al moest hij met lege handen het schip ruimen. Waar zijn politieke carrière geen vruchten afwierp, koos hij zijn pen als wapen. Door middel van zijn poëzie zette hij de strijd voort:

Il s’agit moins de recommencer
Que de continuer à être
Contre
Le hara
Le musée
La caserne
La chapelle
La doctrine
Le mot d’ordre
Le mot de passe12

Damas was tegen le hara, kort voor de Japanse zelfdodingstechniek hara-kiri, oftewel een verloochening van de Afrikaanse wortels en cultuur. Ook was hij tegen le musée, la caserne, la chapelle en la doctrine, elementen die symbool staan voor de opgedrongen cultuur en fysieke onderdrukking. De gehele Westerse moraal, met in het bijzonder het christelijke geloof en het Franse onderwijssysteem, was volgens hem hypocriet en verwerpelijk. Toch verlangt de verteller van Black-Label naar een Westerse vrouw, de blonde Ketty.
Ook naar andere vrouwen is hij begerig, zoals naar de Antiliaanse Sicy-Chabine en Elydé. Hij weidt niet veel over hen uit en ze lijken dan ook inwisselbaar. Dit vooral vanwege een eigenschap die ze delen, of eerder waarvan ze de personificatie zijn, namelijk: assimilatie. De affaires met deze vrouwen falen allemaal omdat hij niet bereid is zijn eigen identiteit op te geven. Dit levert een onvervuld verlangen bij hem op dat symbool staat voor het verlangen van de verteller om tot de maatschappij te behoren. Naarmate het gedicht vordert, wordt zijn pijn steeds ondragelijker. Steeds weer komt hij terug op dezelfde conclusie:

ET BLACK-LABEL
pour ne pas changer
Black-Label à boire
à quoi bon changer13

Bij iedere herhaling wint deze boodschap in kracht. De wanhoop die veroorzaakt wordt door de bewustwording van de uitzichtloze situatie waarin hij zich bevindt wordt steeds voelbaarder. Onmogelijk was het immers zich te ontdoen van het stigmatiserende etiket: zwart.
Het drinken van de Black Label gaat gepaard met dronkenschap en een kater en veroorzaakt daarmee inertie. In die zin is het een daad van verzet: het heeft geen zin om te veranderen en daarom maar drinken om niet te veranderen. Uiteindelijk besluit de verteller over te gaan tot de voor hem enige oplossing: zelfdoding. In Rethinking Négritude through Léon-Gontran Damas (2014) geeft Bart Miller aan dat ook deze daad geïnterpreteerd kan worden als een vorm van rebellie tegen assimilatie.14 De verteller kan niet voldoen aan hetgeen de samenleving van hem vraagt, noch kan hij genoegen nemen met de inferieure positie waarin hij zich bevindt. Door zichzelf te doden, waarborgt hij én zijn eigen identiteit en trots én veroordeelt hij de hopeloze situatie waarin hij zich bevindt.

Een afrobeateske drie-eenheid

Als ik nu de drie eerst zo onsamenhangende zinnen teruglees, van de extatische rituele dansen rondom een trommel, van de knappe, naakte vrouw, genaamd Ketty, die voor de ogen van de verteller het dakraam uitvliegt en van zijn voorouders die van een schip overboord werden gegooid, zie ik de niet direct zichtbare samenhang. Deze vond ik in de afrobeateske drie-eenheid van percussie, saxofoon en een politieke en sociale boodschap. Net als afrobeat is Black-Label een product van een smeltkroes van culturen. Zoals Damas schrijft: ‘trois fleuves coulent dans mes veines’, waarmee hij doelt op de Amerindiaanse, Afrikaanse en Europese culturen die hij in zich draagt. In Black Label wordt de ene cultuur niet ondergesneeuwd door de andere. Dit maakt de tekst minder toegankelijk voor lezers die niet een of meerdere van deze culturele achtergronden delen. Waarschijnlijk is dit de reden waarom Damas minder groot is geworden dan Césaire of Senghor. Pas na een verdieping in het onbekende openbaart de tekst zich en met hem vele schatten. Slechts een deel ervan heb ik in dit stuk kunnen behandelen. De laatste tijd is er iets meer aandacht voor de rijke poëzie van Damas, naar het Nederlands is hij echter nog altijd niet vertaald. Wie zet met een vertaling de deur open naar het Nederlandse publiek?

 

[1] Léon-Gontran Damas, Black-Label (2014, Gallimard) p. 75-76.‘wanneer getrokken de Tambour-Ka / wanneer ontspannen de tambour-ka / er overheen gestapt de tambour-ka / omringd de tambour-ka / geoordeeld de tambour-ka / bemind de tambour-ka / opgewarmd de tambour-ka / geresoneerd de tambour-ka / beschonken de tambour-ka / uitgeput de tambour-ka / buiten adem de tambour-ka’

[2] Ibidem, p. 49.

‘WIJ ARMOEDZAAIERS/ wij weinigen / wij nietsnutten / wij honden / wij mageren / wij Negers’

[3] Ibidem, 51-52.

‘Nooit zal de Blanke neger zijn / want schoonheid is neger / en neger wijsheid/ want uithoudingsvermogen is neger/ en neger moed / want geduld is neger / en neger ironie / want charme is neger / en neger magie / want liefde is neger / en neger heupwiegen / want de dans is neger / en neger ritme / want kunst is neger / en neger beweging / want de lach is neger / want blijdschap is neger / want vrede is neger / want het leven is neger’

[4] Ibidem, 121.

[1] Kathleen Gyssels en Christine Pagnoulle, ‘The Négraille’s Testament: Translating Black-Label’ in: Intimate Enemies: Translation in Francophone Contexts (2013, Liverpool University Press), p. 130-131.

[5] Damas, Black-Label, p. 16.

‘IK HEB MIJN LEED MET DRANK VERDRONKEN / vanavond net als gisteren / zoals zoveel en zoveel / andere voorbijgaande avonden / wanneer van dans naar dans / wanneer van bar naar bar / wanneer van glas naar glas / ik heb mijn leed met drank verdronken’

[6] Gyssels en Pagnoulle, ‘Translating Black-Label ‘, p. 133.

[7] André Bréton, Manifeste du Surrealisme (1924, Éditions du Sagittaire) p. 9.  

Het pure geestelijk automatisme waarin men, verbaal, geschreven, of in welke vorm dan ook, zich voorneemt het werkelijke functioneren van de gedachte uit te drukken. Gedicteerd uit de gedachte, verstoken van iedere  controle van de rede, buiten alle esthetische of morele bekommernis.

[8] Damas, Black-Label, p. 41.

‘Afgelopen nacht / precies in het midden van de hemel / Eilanden / een rode zon van rood vuur om levend te verbranden / torso’s en torso’s en torso’s en ontblote torso’s / bakouas*/ bakouas bakouas scheef op het hoofd / broeken tot drie kwart opgerold / gloednieuwe kapmessen / in plaats van mooi suikerriet / kapten / kapten rijen koppen / koppen / koppen / blonde koppen / zoals de jouwe / mijn mooie geliefde’

* traditionele strohoed uit Martinique.

[9]Damas, Black-Label, p. 20-21.

‘Zij wiens Voorouders gemerkt / met een lelie / gemerkt door brandijzer / met de letters van het schip voor de kust/ daarna geparkeerd / geketend / vastgeklonken / geboeid / en vastgemaakt /gingen goed en wel op reis / zonder lucht / zonder water / zonder einde / Zij wiens Voorouders overboord zijn gegooid gedurende de reis / zonder einde / zonder water / zonder lucht / Zij wiens Voorouders / hun huid weg zagen branden / boven de borsten / op de schouderbladen / op het vet van de arm’

[10] Ibidem, p. 17-18.

[11] Damas, Black-Label, p. 30.

‘Het gaat minder om opnieuw beginnen / dan om doorgaan te zijn / tegen / hara / museum / kaserne / kapel / doctrine / leus / wachtwoord’

[12] Ibidem, p. 11.

‘EN BLACK-LABEL / om niet te veranderen / Black-Label om te drinken / wat baat het te veranderen’

[13] Bart Miller, Rethinking Négritude through Léon-Gontran Damas (2014, Brill / Rodopi) p. 199.

[14] Damas, Black-Label, p. 11.

‘Drie rivieren stromen door mijn aderen’

Over de auteur:

Vadim Dijkshoorn (1990) heeft een voorliefde voor Franse taal en literatuur. Hij gaf Nederlandse les in Frans-Guyana en studeerde aan de Sorbonne. In Nederland studeerde  hij Geschiedenis en Franse taal en cultuur en doorloopt de research master Literary Studies aan de Universiteit van Amsterdam.