thema:

Mystiek voor goddelozen (fragment)

Fragment uit het eerste gesprek: De naam

 

Wie ben je?

Je fluistert een naam, jouw naam. Dat is mooi. Dat raakt me. De oneindige afstand die er tussen ons was, lijkt daardoor ineens overbrugbaar. Want het is alsof je met het noemen van je naam zegt: ‘Dit is mijn deur. Hij zit nog dicht, maar als je vaak genoeg klopt, zet ik hem misschien op een kier.’
Te horen dat je een naam hebt, stelt me ook gerust. Want nu je een naam hebt, weet ik dat je ooit genoemd bent en dat andere mensen, hoogstwaarschijnlijk je vader en je moeder, je in de ogen hebben gekeken en hebben gedacht: ‘Wie je ook bent, we houden van je en daarom willen we je optillen uit het voortrazen van de tijd en je opnemen in onze gemeenschap en je de kans geven om iemand te worden in onze samenleving.’ Ik wil maar zeggen: zonder die naam had je je niet aan de natuur kunnen onttrekken en had je je geen plek kunnen verwerven tussen de mensen.

Je wilt wat zeggen, maar doet het niet. Je lijkt licht te protesteren. Misschien wil je me erop wijzen dat het dragen van een naam niet alleen maar rozengeur en maneschijn is. Je hebt daar gelijk in. Eenmaal getooid met een naam kun je niet meer uitkruipen onder de mogelijkheden en verwachtingen die vast zijn geklonken aan het dragen van die naam. Die kun je niet meer naast je neerleggen. Als je een naam hebt, moet je invulling geven aan die naam; dan moet je voort; dan heb je een afzetpunt, een begin. Sterker nog: die naam ís je begin. En elke keer als je naam genoemd wordt, begin je opnieuw, word je weer opgetild uit de natuur, word je weer ingevoegd in de gemeenschap, worden er weer verwachtingen over je heen gelegd en word je weer gekend zonder gekend te worden.
Dat je een naam hebt, is daarom mooi en pijnlijk tegelijk. Mooi omdat die naam een toekomst voor je heeft vrij gelegd en telkens weer vrij legt. Pijnlijk omdat je naam als een kram staat in de wond van je herkomst. Niet om die wond te genezen, maar om hem open te houden. Want je naam is de verbinding tussen de taal en je lichaam, tussen de cultuur en je natuur. In je naam sta je uit naar alles wat je in de taal niet kunt zijn en naar alles wat je eronder moet houden om in de taal wel te zijn. De naam die je me net zei en waar je waarschijnlijk al je hele leven in om gaat, die naam is de pijn aan je oorsprong en de pijn aan je einde. Jij schrikt er niet voor terug mij met die pijn op te zadelen. Dat raakt me. Dankjewel dus voor je naam.
Toch is die naam me niet genoeg, want ik wil weten van je zijn en je zelf. Je naam geeft me dat niet. Natuurlijk, je naam legt wel een knoop in je wezen en maakt je ook roepbaar. Dat is makkelijk, want dat maakt je tot een van ons en ik wil dat je een van ons bent. Dat jij bij ons hoort. Dat jij bij mij hoort. Maar of jij dat ook wilt?

Stilte. Twijfel. Het lijkt erop dat je nog niet wilt wonen in je naam. Waarschijnlijk weet je maar al te goed hoe dat mis kan gaan. Misschien heb je aan den lijve ondervonden dat de anderen je naam met liefde kunnen zeggen, maar hem ook kunnen gebruiken om je tot de orde te roepen of om schuld op je schouders te schuiven en je buiten te sluiten. Het is zelfs zo dat iedere keer dat iemand je naam noemt, je wordt ingesloten én wordt uitgesloten. Misschien is dat laatste je te vaak overkomen en ben je daarom wat terughoudend.
Of wil je me slechts duidelijk maken hoe je naam je heeft getekend, misschien wel heeft gestigmatiseerd? Je zou daar een punt hebben, want wat kleeft er niet allemaal aan een naam? Hoeveel culturele identiteit is er niet in opgeslagen, hoeveel verwachting en sociale dwingelandij? Juist door enkel en alleen je naam te noemen confronteer je mij daarmee en zeg je: ‘Kijk, hier ga ik vanaf het begin af aan al onder gebukt. Die naam van mij mag me dan de kans geven om mens te zijn en een stil toevluchtsoord zijn in een verwarrende wereld, maar hij is net zo goed een gevangenis, een kleine martelkamer voor een opgroeiend kind.’
Als troost kan ik je zeggen: je bent je naam en je hebt een naam. Dat is allebei waar. En precies omdat dat allebei waar is, zit er ruimte tussen jou en je naam. Je naam bepaalt voor een deel wie jij bent, geeft aan tot welke bevolkingsgroep of nationaliteit je behoort, spiegelt wat je ouders met je voor hadden. Maar zonder jou is je naam niets. Het is aan jou om invulling te geven aan je naam. Je naam is in zekere zin een leeg omhulsel dat jij met je bestaan inkleurt. Je naam is een hoopje letters dat jij betekenis geeft met je leven. Je naam is een tent waarin je schuilt en een schil waarin je rijpt. Ik ben blij dat ik nu weet in welke schil jij bent gerijpt. Vooral omdat je naam nu niet alleen aan jouw begin staat, maar ook aan ons begin.
Een tweede begin is altijd anders dan een eerste begin. Daarom ben ik zo benieuwd naar wat je zegt als ik nog een keer aan je vraag: Wie ben je?

Weer fluister je je naam. Dezelfde als net. Het lijkt alsof je daar een bedoeling mee hebt. Alsof je denkt dat door het herhalen van je naam, je naam pas je naam is. Of wil je me door die herhaling duidelijk maken dat die naam een gat is in de taal, een lettercombinatie die zijn betekenis nooit vrij zal geven en daarom even betekenisloos als geheimzinnig is?
Ik snap het wel. Met je naam hang je in de taal en neem je deel aan het menselijk bedrijf. Jij beseft waarschijnlijk dat het een voorrecht is om daaraan mee te doen en dat wie een naam heeft, eigenlijk is gered. Jij begrijpt ongetwijfeld dat  het simpele feit een naam te hebben al tot oneindige dankbaarheid moet stemmen. Niet alleen omdat je met een naam erbij hoort, maar ook omdat je enkel en alleen vanwege die naam uniek bent, uniek moet zijn. Die naam geeft je kortom de kans echt iemand te zijn. En inderdaad vroeg ik: Wie ben je?
Ik snap dus wel dat je me weer antwoordt met het zeggen van je naam. Stilzwijgend lijk je ervan uit te gaan dat als ik je naam ken, ik jou ook ken, misschien nog wel beter dan dat je jezelf kent. Toch, je intonatie verraadt ook zelf een vraag, een bede bijna. Ergens in de verte wil je me zeggen: ‘Kijk, dit is mijn naam, hier draait alles om wat ik ben. Doorgrond mijn naam, dan doorgrond je mij. Noem die naam, want alleen als ik genoemd word, kan ik zelf zijn. Ik heet mijn naam, maar kan mijzelf niet roepen, niet tot werkelijkheid maken. Jij wel, jij kunt mij noemen, jij kunt mij schreeuwen, jij kunt mij fluisteren. Doe dat, want pas dan besta ik, leef ik hier en nu en ben ik iemand die er mag zijn.’
Alles leuk en aardig, maar het kan ook heel goed dat je me gewoon niet verder wilt laten komen dan je naam en dat je je naam gebruikt als vesting en als buitenkant. Het kan ook heel goed dat je me twee keer je naam zegt om me duidelijk te maken dat er op mijn vraag simpelweg geen ander antwoord mogelijk is dan het zeggen van een naam. Het kan ook heel goed dat je me lui vindt en vindt dat ik me niet echt inspan om de sleutel tot je binnenwereld te vinden Dat je vindt dat ik me er met mijn simpele vraag vanaf maak.
Maar het ingewikkelde is: ik weet niet hoe het anders moet. Ik kan vragen: ‘wat ben je?’ of: ‘hoe ben je?’, maar in het eerste geval reduceer ik je tot een ding, hoe levendig en spannend je ook als ding kunt zijn. En in het tweede geval ga ik ervan uit dat je op een bepaalde manier functioneert en zie ik je dus als een machine. En dat wil ik niet. Ik wil niet zo naar je kijken. Ik wil jou kennen, jou begrijpen, jou serieus nemen, jou misschien wel lief hebben. Daarom wil ik weten wie je bent, wil ik weten waar je geheim in schuilt. Kun je me dat zeggen?

________________________________

Mystiek voor goddelozen verschijnt maart 2017 bij uitgeverij Querido.

Over de auteur:

Henk van der Waal is dichter en filosoof en geeft met enige regelmaat lezingen en voordrachten. Zijn bundels werden meermaals bekroond en voor verschillende prijzen genomineerd. In juni 2012 publiceerde hij een filosofisch werk: 'Denken op de plaats rust. Ontwerp van een filosofische levenshouding'. In April 2014 verscheen zijn dichtbundel 'In de ogen van de god'.