thema:

Nibelungen revisited

Vertaling:

Steeds weer vergeet ik
 
… wat er in het Nibelungenlied gebeurt. De Nibelungen die je verwacht komen er niet in
voor en aan het eind heten figuren ‘Nibelungen’ die even tevoren nog Bourgonders waren
– en zijn allemaal dood. In dat opzicht lijken ze op de vermiste, oorspronkelijke Nibelungen:
Nibelung en Schiltunc, die Sîfrits hulp inriepen bij de verdeling van hun erfgoed. De
ridderheld uit Xanten vroeg als vergoeding vooraf het zwaard Balmunc, kreeg het – en
sloeg er de goedgelovige erfgenamen het hoofd mee af. Nibelungen, dat zijn dus zij die
verdwenen zijn; die men iets heeft afgepakt, die werden bedrogen. In zoverre past de
titel toch weer goed. In de loop van het verhaal zijn er meer die van hun erfgoed beroofd
worden. Vrouwen bij voorkeur. De legendarische schat verzinkt in de Rijn. En het lied? Een
epos van verdwijningen.
Steeds weer vergeet ik hoe de handeling van het Nibelungenlied in elkaar steekt. Die
maakt sprongen, creëert open plekken, maakt zich vrolijk. Over het geheugen en het ik.

Steeds weer vergeet ik wat erin gebeurt.
 
Roman van het bedrog
 
Uit het raam van hun palas zien Brünhilt en haar vrouwen hoe een boot met vier mannen de
IJslandse kust nadert. De koningin herkent Sîfrit. Maar hij komt als eigenmann van Gunther,
als diens vazal. Gunther, koning van de Bourgonders uit Worms aan de Rijn, slaagt voor
de huwelijkstest: hij overwint Brünhilt bij het verspringen, steen- en speerwerpen. Dat het
in werkelijkheid Sîfrit was die hem in zijn onzichtbaar makende mantel eigenhandig heeft
gedragen, dat Sîfrit met de kracht van twaalf helden de daden volbracht, terwijl Gunther
alleen maar de bijbehorende gebaren maakte, dat zal Brünhilt nooit te weten komen.
Maar haar leven lang vermoeden.
De eerste heimelijke daad wordt op de voet gevolgd door een tweede. Sîfrit verlaat
haastig het eiland in de ijszee, keert per omgaande met honderd Nibelungse helden terug.
Nu moet het succes van de eerdere krachtmeting worden bestendigd. Brünhilt wordt van
haar macht beroofd. Haar toekomstige echtgenoot en de man die hem bijstond dwingen
haar het eilandenrijk waarover ze heerst op te geven. Ze moet afstand doen van al haar
bezittingen, al haar erfgoed. Ze spelen met haar – spelen vals spel en zetten haar naar
hun hand.

Thuis in Worms, waar ze niet thuis is, hangt ze hem aan een spijker, de man. Hij is zwakker
dan zij. Dat er in IJsland bedrog gepleegd is wordt duidelijk zichtbaar, nu Gunther daar
aan zijn eigen slaapkamermuur hangt te trappelen.
Het zijn me de spijkers wel, daar aan de Rijn.
In de nacht die volgt, wordt de IJslandse krachtmeting herhaald. Sîfrit en Gunther
komen als één man, getweeën. Stiekem sluipt de Niderlander mee de slaapkamer in. Het
huwelijk wordt voltrokken, maar door wie? De verteller vertelt het zo slim dat zijn toehoorder
of lezer het naar eigen goeddunken mag invullen. Sîfrit neemt Brünhilts ring en gordel
mee als hij uit haar slaapkamer terug naar zijn Kriemhilt sluipt.

Nu heeft hij tijd voor haar. De volgende ochtend wordt Kriemhilt, zojuist met Sîfrit
getrouwd, op haar beurt van haar erfgoed beroofd. Sîfrit schenkt het aan haar familie.
Hij is zelf immers rijk genoeg! Zonder iets moet de Bourgondische koningsdochter hem
naar Xanten volgen. Brünhilt blijft in Worms, bij Gunther en zijn broers, moeder Ute, oom
Hagen. Haar zoontje noemt ze Sîfrit. Zorgt voor zijn opvoeding. Vreest dat hij net zo’n
mannetje wordt als zijn vader. Piekert, maakt ruzie, zoekt Hagens blik.

Brünhilt doet een ontdekking. Bij vernedering groeit het brein. Vooral het deel dat herinnering
heet. Voortaan is het Hagen, de zwarte zon uit Worms, spin in het wereldwijde
nieuwsweb, die haar zal leiden. Gunthers vrouw gaat naar de kerk, zwijgt. Tien jaren
verstrijken, dan stuurt ze een uitnodiging naar het paar in Xanten.

Aan het hof van Worms heet een kerk ook burcht. Ze noemen het een trutz, een vesting.
Tot het moment waarop Brünhilt haar gordel en ring terugvindt, bidt ze daar. Kriemhilt
brengt de verloren gewaande voorwerpen bij haar langs. Het is wat de koningin al
vreesde, wat ze al hoopte. Het gesprek vindt plaats in Brünhilts vertrek. Kriemhilt zit weer
te borduren omdat ze daar thuis is. Dat Sîfrit haar op de avond na de ruzie in de kerk bont
en blauw heeft geslagen is het verschil met Brünhilt.

De ruzie van de twee vrouwen? Allebei zetten ze een keel op. Voor de mannen is het
alleen maar gesis. Nu sissen ze inderdaad, die vrouwen, reken maar dat het niet met een
sisser zal aflopen. Het gaat om hun beeld van de toekomst – hun zelfbeeld. Ze hangen het in
de wapenkamer, tussen de speren en harnassen. De enige plek die daarvoor beschikbaar
is. Brünhilt glimlacht, ze heft haar arm op.

Als ze ’s avonds in het warme bad zit, herhaalt ze het gebaar. Als ze het water voelt,
vergeet ze niet.

 
Het epos
 
Vers, strofe, rijm. De vorm van het Nibelungenlied verraadt de orale traditie aan de hoven.
Presentatie in plaats van lectuur, monden en oren. Geen voorlezen, maar reciteren. Zoals
het Engels zegt: to know by heart. Kijken we naar de stof (de handeling, het knopen van de
intrige) ontdekken we de in het epos verborgen roman.

Het is een roman ‘van buitenaf’: figuren handelen, worden verhandeld. Geen psychologie.
Wat zich in hun binnenste afspeelt wordt alleen indirect getoond. Wij, vandaag de
dag, doen op grond van onze cultuur en leesgewoontes juist nooit iets anders dan speculeren
naar de gevoelswereld. In het middeleeuwse epos daarentegen valt op dat zoiets
ontbreekt. Lange beschrijvingen van kostuums en rekwisieten, heldenparades, slagordes,
schenkingslijsten schijnen bedoeld om die leegte te vullen. We krijgen handeling te zien,
maar vrijwel nooit wordt er een gevoel beschreven of zelfs een enkele uiting daarvan. Eén
keer doet Isolde bij het zien van Tristan een stap naar achteren, haar hart vervuld van schrik
voor de liefde, voor mogelijk bedrog? Eén keer voelt Parzival zijn borst opzwellen, als hij,
de jonge knaap, de vogels in het bos hoort zingen. Het duurt tweehonderd jaar of meer
tot de Duitstalige literatuur na deze voorbeelden opnieuw een vorm van vertellen vindt
waarbij een lichamelijke reactie op een innerlijke belevenis wijst.
Middeleeuwse verhaalwerelden kennen wel gevoelens, maar demonstreren die aan
de hand van een uitrusting, een harnas, een gewaad en de glans daarvan. Vreemd voor
ons – maar beter te begrijpen als we proberen ons te realiseren hoe rond 1200, toen deze
versverhalen ontstonden, de stand van zaken was betreffende het voor ons zo centrale ik.
Dat woordje ik bestaat wel in de middeleeuwse taal, natuurlijk, als grammaticaal voornaamwoord.
Wat nog niet bestond was het idee op een neutrale, vredige, onschuldige
manier ‘iemand’ te zijn. Als ‘iemand’, man of vrouw, ben je alleen. Alleen zijn, betekent
eenzaamheid, levensgevaar. Een held is wie het waagt er zonder anderen te paard op uit
te trekken. Buiten de kasteelmuren: het woud, de monsters, het nieuwe.

De reusachtige, nog niet in kaart gebrachte wereld.
Normaliteit daarentegen, veiligheid, huiselijke geborgenheid is alleen gegeven in een
toestand van ‘meerzaamheid’. Daar hebben wij tegenwoordig geen woord meer voor.
Levenservaring behuisd in een collectief lichaam. ‘On(af)gescheiden zijn’.

‘Geschîde’ (‘gescheit’) daarentegen was iemand die juist wel het vermogen had te
kunnen scheiden, het vermogen scheidslijnen te kunnen trekken.

Dat is waar het in het Nibelungenlied allemaal om draait: verschil maken. Geschillen
uitvechten. Ze ontkennen.

Onze indruk dat de figuren daardoor (slechts) exemplarisch blijven, uitsluitend stereotypes
zijn (als zodanig zeer duidelijk worden, maar er ontbreekt iets) is de keerzijde van
deze medaille.

Gevoelsleven: achter botten, schedels, ijzer verborgen.
Verborgen voor de figuren zelf.
Onzichtbaar, ontoegankelijk, niet denkbaar. Ultramodern.
Het woordje ‘sêr’, (hartzeer bijvoorbeeld) betekent in het Middelhoogduits ‘gewond’. Het
is afgeleid van ‘versehrt’(gekwetst). Hier ontmoeten de 12e en de 20e eeuw elkaar: ook op
de huidige dag is het innerlijk leven in ombouw. Postpost-psychologie. In een wereld waarin
de innerlijke ervaring vloeibaar gemaakt en weer in sociale verbanden herschapen wordt.

 
Roman van bedrog, andermaal
 
Een list, een eenvoudige truc: Hagens plan berust op het feit dat Kriemhilt hem, haar oom,
vertrouwt. De rest is doodsimpel: twee steekjes, een kruis. Hagen krijgt Kriemhilts geheim
voor het opscheppen. Zij kent het lijf van haar man, kent het naakt, kent het ene plekje waar
de huid van de draak moet ademen, zacht is, poreuze mens.
Maar de intrige heeft omvat veel meer. Om Sîfrit te kunnen vermoorden moesten eerst
de Xantenaren naar Worms worden gelokt. De jacht op het everzwijn is puur voorwendsel,
moet worden geënsceneerd. Kriemhilts kruissteekje is maar een onderdeel van Hagens
plan.

Het verhaal van het Nibelungenlied zit vol herhalingen, verdubbelingen, symmetrieën:
de bedrogen Brünhilt correspondeert met de bedrogen Kriemhilt; de eerste uitnodiging
(Kriemhilt rijdt naar Worms) wordt in spiegelbeeld gevolgd door een tweede (Günther en
zijn mannen rijden van Worms naar Kriemhilt). Herhalingen in het groot, in details. Mogelijk
veroorzaakt door het mondelinge vertellen. Veel wezenlijker: herhalingen dienen ter
verklaring van de wereld.

Literatuur herhaalt – in variaties. Ze reikt een sleutel aan, biedt een ingang in onze eigen
werkelijkheid, waarin we patronen herkennen van wat ons verteld wordt. Daarin schuilt
mogelijk een stukje bedrog. Dat is vruchtbaar. Zoals in de fabel waarin een vader zijn drie
zonen 17 kamelen nalaat. De oudste krijgt de helft van de dieren toebedeeld, de middelste
een derde en de jongste een negende. Wat veel dode kamelen ten gevolge heeft. Maar
wat precies opgaat als je een beetje sjoemelt: door er een kameel bij te zetten – die je later
weer weghaalt.

Wat een kruisverbinding van fictie en non-fictieve werkelijkheid! Anders dan de kleine
fabel biedt het Nibelungenlied geen (nuttige) oplossing. Het Lied laat het ‘werkelijke’
verhaal als verhaalde werkelijkheid opnieuw gebeuren, spiegelt het feitelijke gegeven in
dimensies van tijd, ruimte en personages en verhaalt het opnieuw als reëel gebeuren. Wat
we zien: een groots spel, zo menselijk als maar wat. Dankzij de beweging van de stiknaald
tussen werkelijkheid en verhaal en terug wordt elk personage zo levensecht dat het naar
alle kanten zijn schaduw werpt.

 
Roman van Sîfrit
 
Eerst heeft het weinig om het lijf, dan lijkt het aldoor hetzelfde: hij komt de poort in
gereden, slaat krijgshaftige taal uit.
Sîfrit als ‘held’ opgetuigd wil veroveren, moet oorlog voeren. Zijn naam alleen al (Siegfried)
zegt genoeg.

Wie hij was?
Zijn moeder vergoot tranen. Moest het met alle geweld Kriemhilt zijn? Dat hij naar
Worms ging om naar haar hand te dingen, is hij al vergeten op het moment dat hij daar op de binnenplaats
staat. Pas als Gunther en zijn familie, doorgewinterde conflictmijders,
diplomatiek de lont uit het kruitvat hebben gehaald, schiet hem te binnen waar hij eigenlijk
voor gekomen was. Dan is hij al ingeperkt door de hoofse muren, die zijn doelstellingen en
gedachtes vasthouden. Hagen, de nieuwslezer van de Wormse clan, maakt Sîfrit tot een
onderdeel van Gunthers plannen. Ze steken dwars de zee over, het ene huwelijksaanzoek
leidt tot het andere – en wederom Sîfrit, die vecht, op hoge toon zijn toekomstige bruid
reclameert.

Niet veel later ligt Kriemhilt bij hem in bed, hoewel hij Brünhilt veroverd heeft. Gek dat
hij en de mythische koningin, twee gelijkwaardige ijzervreters, elkaar niet weten te vinden,
alles tekens wijzen er toch op dat ze het ideale paar vormen?

Tekenlezers komen al gauw op een dergelijke gedachte. De halfsemiotici. Evenzeer
het deskundige 13e eeuwse publiek van het epos. Maar het Lied zelf neemt opnieuw de
vrijheid het stramien te doorbreken. Het negeert de semiotische logica van de vertelde
wereld en laat daaruit, geheel tegen onze verwachting als psychologisch geschoolde
romanlezers in, geen innerlijk drama van de personages voortkomen.

Wat er gebeurt draait om een uiterlijk aspect: stand, aanzien, gewicht.
Sîfrit, de held, is leeg. Niet leger welteverstaan dan alle anderen. De focus van de verteller
blijft op de buitenkant gericht – radicaal. De van buitenaf zichtbare, tot op de wortels
afgepelde werkelijkheid vult het personage met innerlijk leven, maakt hem tot mens. Als
we ons dat realiseren (dat proberen te voelen) verliezen we de bodem onder onze voeten.
Snel genoeg, jawel, ligt Kriemhilt in Sîfrits bed. Een vrouw die hij door het bedrog jegens
Brünhilt heeft verkregen. Tevens verkregen: tien levensjaren zonder strijd, gevuld met ridderspelen
en een zoon die Gunther heet, die opgroeit en eerst op hemzelf, dan op Kriemhilt
en dan op zijn oom lijkt.

Hij, Sîfrit, was blind voor de verschijning van de draak. De draak die zijn leven was.
Die aan kwam schuifelen op zijn buik, ‘sêr’ van de lange weg. Geroepen-ongeroepen
verscheen hij op het toneel.

Hij hoorde hem.
Toen verdreef hij hem.
Aan het eind jaagt hij op het wilde zwijn dat hij een ever noemt. Jaagt en vliegt op
… als een blazoen, licht als een valk.

 
De Roman van Kriemhilt
 
Kriemhilt wilde een man hebben, hoewel ze gewild had er geen te willen. Hij trekt naar
het hof van haar broers, zij stikt haar borduurwerk; hij blijft, vecht, dient. Broers, oom,
gevolg, ridders, vazallen, getrouwen: van begin af aan is de veelgeprezen vrouwe
omringd door mannen. De grote meerderheid. Ooit zal Uote, haar moeder, sterven.
Ze zal haar missen. De mannen trekken aan haar, ook als ze haar met geen vinger durven
aan te raken. Met hun blikken trekken ze aan haar haar, haar sluier, haar kleed.
Vroeg moeten de meisjes uit de burcht.
Brünhilt wordt binnengehaald, er wordt twee keer getrouwd. Ook nu weer alleen zonen.
Jammer genoeg. De meisjes kiften, zoals gebruikelijk. Of zijn het van meet af aan de
koninginnen? Die gezangboeken droegen, tegen elkaar opzongen en van elkaar wilden
leren? In zekere zin, zei men later, waren de twee Hildes aan elkaar gewaagd. ‘Mijn recht’
en ‘mijn recht’ boven jou verheven te zijn. Kriemhilt stikte haar kruissteek, viel in de val,
viel diep.

Daarna werd alles jarenlang heel benauwd. Een tweede kind wond zich om haar
lichaam, trok haar in zijn leven. Ze bleef verstoken van enig bericht. Haar moeder, haar
vader – verloren. Ze had alleen nog haar bodes en de daarop gevestigde hoop, brief na
brief. Afstand, verstrijkende tijd. Etzels keuken, Etzels vertrekken, Etzels land. Ze had het
ene kind vervangen door het andere, droomde van Sîfrit of gaf die naam aan wat haar
bewoog.

Zij, het hoofse megedîn: jong, goed opgevoed, in haar rol geschikt. Zij: op het eind
monster, furie, sterke vrouw?

Kriemhilt volgde ook na Sîfrits dood de rollen die de maatschappij voor haar openliet.
Maar ze vergat niet op te ruimen, vergat haar rechten niet. Zag Hagen, zag Gunther,
had leren liegen. Een vrouw met rimpels om ogen, mond, met grijze plukken in het haar.
Minne, triuwe en êre – ze sprak het uit. En brak het. Toen kwamen ze aangereisd, een
overweldigende schare. Zij kende ze nog. Hagen, dunner geworden, met ronde rug.
Lachend vertelden de mannen uit Worms hoe hij de kapelaan het water in gejaagd had,
hoe die als een vette karper de oever had gehaald zonder dat-ie kon zwemmen. Ze schrok
van Hagens koelbloedigheid, zijn doodsverachting, voelde met tegenzin dat ze hem erom
bewonderde. Ook zijn ogen waren kleiner geworden.

Het hoofd van haar kind tuimelde als vanzelf in haar schoot. Het was wat ze had gedroomd.
Alleen erger.
Daar stond ze, met alles en iedereen afgerekend, grenzeloos. Ze vloog, was weg. Weg
de kemenade. Maar diep in haar binnenste vond ze haar weer: de jonge vrouw die op de
matras had gelegen. Daarin zonk ze, in haar droom, terug. De hal stond in brand en stonk
als een oordeel. Knaagdieren vlogen piepend uit alle hoeken en gaten, bloed stroomde
over de vloer. Het ene beekje zwartbruin, het andere rood; ze zag hoe het voortrolde,
zwaar als lava, hief het zwaard.

 
 
 

Over de auteur:

Ulrike Draesner (1962) is schrijver, vertaler en criticus. Zij publiceerde Anis-o-trop (1997), für die nacht geheuerte zellen (2001), kugelblitz (2005), berührte orte (2008), Vorliebe (2010), Richtig liegen (2011), Heimliche Helden, over Heinrich von Kleist, James Joyce, Thomas Mann en Gottfried Benn (2013) en de roman Sieben Sprünge vom Rand der Welt (2014).

Over de vertaler:

Ard Posthuma (1942) is vertaler, redacteur, lector en docent. Hij vertaalde Martinus Nijhoff, Cees Nooteboom, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens en Tsjêbbe Hettinga, Ingo Schulze en Johann Wolfgang Goethe. In 2015 won Posthuma de Brockway Prize.