thema:

Nieuwe Mythologieën

Vertaling:

De GPS

door Frédéric Beigbeder

 

Na de dood van God dacht de mens het spoor bijster te zijn, gelukkig heeft satellietbegeleiding hem in staat gesteld de weg terug te vinden. Deze uitvinding, die aanvankelijk voorbehouden was aan autobestuurders, bestaat inmiddels ook op draagbaar scherm. Steeds meer voorbijgangers dragen in de zak van hun overjas zo’n klein zwart doosje met zich mee dat hen gesproken bevelen geeft: ‘Sla over 300 meter linksaf.’ De monotone stem van het apparaatje is niet erg goed opgevoed (ze zegt geen ‘alsjeblieft’ of ‘dank je wel’), maar de dolende ziel geeft toch gewillig gehoor aan haar geboden, omdat hij weet dat ze de waarheid in pacht heeft. Hij weet dat het GPS-doosje een signaal duizenden kilometers boven zijn hoofd de lucht in zendt, dat dat signaal op de centimeter nauwkeurig zijn positie bepaalt en dat een scherm hem vervolgens op een wegenkaart zal tonen welke weg hij moet volgen. Het is een revolutie waarvan hij de omvang nog niet beseft.

Millennialang heeft de mens aan onbekenden zijn weg moeten vragen: dat was vernederend, soms belachelijk, maar het bood hem de gelegenheid nieuwe vrienden te ontmoeten en onverwachte plekken te bezoeken. Terwijl hij verdwaalde, ging hij als Christoffel Columbus of Claude Lévi-Strauss op ontdekkingstocht naar nieuwe horizonten en exotische volksstammen. Tegenwoordig weet hij overal ter wereld waar hij heen gaat, zelfs op de hoek van zijn eigen straat, en wisselt hij met niemand nog een woord. Hij wordt in kaart gebracht, gerustgesteld, beschermd. Als hij zou willen verdwalen, hoeft hij alleen maar zijn apparaatje uit te zetten (of te wachten tot de batterij leeg is), maar dat verlangen kent hij niet meer. De hedendaagse mens waant zich bevrijd van een zekere beperking: in werkelijkheid heette zijn enige beperking vrijheid. Want de satelliet is ook een surveillance-apparaat. Met de GPS weten we waar we zijn, maar wij zijn niet de enigen. De mens is het enige levende wezen dat geografisch opspoorbaar is geworden. Elke keer dat hij zijn mobiele telefoon of GPS aanzet, kan hij zich niet meer verbergen: men kan raketten op hem afsturen, of de politie, of zijn vrouw. Tegelijk met zijn voorliefde voor geslenter en zwerftochten heeft hij ook een andere luxe opgegeven: het geheim.

 

 

De sluier

door Patrick Grainville

 

De sluier is een rechtstreekse aanwakkering van obsessies en de kwelling van het verborgene. Er hangt een vleugje geheim rond en de ontsluiering daarvan. De sluier die het doel zou hebben het lichaam te omsluiten, de blik teniet te doen en het verlangen te blussen, schept juist dynamiek en roept vragen op. Het bewustzijn is een tocht door uiterlijke schijn, tilt de vodden en illusies op. Het ont-dekt… Zo dramatiseert de sluier het vrouwenlichaam dat hij verbergt. Hij signaleert en geeft aan wat verdient gezien te worden. Coulissen wekken altijd de verwachting van een opkomst in het licht. Het geheiligde lichaam, tot tempel of cella geworden, dwingt respect af, verering, maar wakkert ook het tegendeel aan: genot van begeerte en ontheiliging: geschonden graftombes, geroofde schatten… De sluier pronkt met de suggestie van het goud dat hij bedekt, het goud van naakte huid. Hij versterkt wat hij verbergt! Hij maakt de verboden schoonheid tot een totem. Dat is het omgekeerde van wat hij officieel beoogt.

Onder de sluier zit het haar verstopt: ongetemde weelderigheid. Het lichaam geeft ontembare lokken vrij, die woekeren, omlijsten, uitwaaieren over de borsten, neervallen op de twee pronkstukken van de billen. De sluier houdt dat wilde dier opgesloten, legt de driften aan banden van dat glanzend woelige monster waar de geuren en diepe zonden vanaf walmen. Het oog, de neusgaten, de handen verlangen niets anders dan een duik te nemen in die ruisende oceaan. Hoofdhaar is natuurlijk het metonymische equivalent van het schaamwoud. Hetzelfde verwilderde ontspruiten, krullen, een Bacchus-dans, tomeloze geuren, feest van schuim en schittering, opgewonden kruintjes, wervelende massa’s. De sluier is niet meer dan metafoor geworden schaambedekking. Ondoorschijnend valt hij over die levendige schittering van de verleiding en de zachte nacht van de onzedige lichamen. Hij verduistert het zwarte en wonderschone spektakel van de liefde. Dat is de prijs van kuisheid. Daarom is de sluier de drijvende kracht van de toeschouwer. Hij geeft de impuls voor de dramaturgie, het verloop en de stadia van het verlangen. In dat opzicht heeft de striptease dit proces geperfectioneerd. Die vangt en leidt de blik door opklimmende etappes: de omwegen van het afstropen van de kledinglagen. Eenmaal naakt verlaat de danseres als de gesmeerde bliksem het toneel. Ze wordt onzichtbaar. Voordat het oog teleurgesteld wordt. Want het object van het verlangen is oneindig. Het oog zal er nooit meer dan een voorspiegeling van metaforen en illusies van te zien krijgen. Alles laten zien betekent hem de volle omvang tonen van wat hij ontbeert en hem terugwerpen in het doolhof van zijn grote zoeken. De pornografie probeert het verrassingseffect te doen voortduren door alle grenzen te verleggen. Een wijd open lichaam, tot in alle hoeken en gaten onder de loep genomen, alsof daar, in de verhulde plooien van het lichaam, opnieuw iets verborgen blijft. De pornografie heeft dus veel gemeen met bitterheid en moord: de sluier aan stukken scheuren, het geheim ontrafelen.

Het luidruchtige debat over de hoofddoek, met al zijn toespraken en vaandels, verwijst naar twee verschillende mythologieën die niets met elkaar te maken hebben. Het blijven dragen werkt sensationele hysterie in de hand. De sluier benadrukt wat hij omkleedt. De sluier toont! Dat is het grootse karakter van de sluier, zijn geheime uitnodiging tot inbraak, strooptocht, onderworpenheid en de ontaarding van al deze dingen, maar ook zijn inwijdende en romaneske karakter: de ware schoonheid zal altijd verborgen blijven, voorbehouden aan de uitverkorenen, aan de meesters, de patriarchen, de helden, de scherpzinnige schakers. Door het verbod op het dragen van een hoofddoek daarentegen, betreden we een tijdperk van democratische hygiënistische transparantie. Want wat verborgen is, raakt doortrokken van de sensationele walm van het geheime. De identiteit van de gezichten wordt dan automatisch bevestigd, blootgesteld zonder ritueel dat ons aantrekt of prikkelt. Een niet-confessionele republiek van gelijkwaardige lichamen. Vrouwen kunnen hierdoor vrij ademhalen en hun lot kalm het hoofd bieden.

Het fantasme van de sluier is vooral een dwanggedachte van mannen. Wat zoeken zij, bevend van opwinding, onder de drapering van het masker en het mysterie en taboe dat eraan kleeft? Welk onwaarschijnlijk object? Welk idool? Welke fetisj? Welke ontkenning van de castratie bezielt hen nu weer? Per slot van rekening resulteert Salomé’s dans van de zeven sluiers in een doorgesneden hals. Het vraagstuk van de sluier wijst hen op hun aangeboren levensangst. Zien of niet zien? Zozeer is hun fallische levensavontuur schatplichtig aan het zichtbare onder de sluier.

 

 

Authenticiteitskoorts

door Gilles Lipovetsky

 

De hyperconsumptiemaatschappij is paradoxaal: terwijl de noviteitscultus en de logische wetten van de mode zegevieren (beeld, spektakel, mediaverleiding, spel en ontspanning), zien we hoe zich – in tegengestelde richting van dit soort structurele lichtzinnigheid – een maatschappelijke authenticiteitsfantasie ontwikkelt. Elke dag zijn daar de effecten van waar te nemen: de zoektocht naar onze ‘wortels’ en de wildgroei van musea en ecomusea (geen kleine stad meer zonder ecomuseum, zoals het Crêpe-Museum in Bretagne). Het gaat allemaal om de verheerlijking van het erfgoed, met zijn gerenoveerde wijken, gerestaureerde flatgebouwen, omgebouwde hangars – om nog maar te zwijgen over het succes van rommelmarkten, een van de meest gewaardeerde vrijetijdsbestedingen van de Fransen. Vintage is ook in de mode. De authenticiteitslogica dringt vele sectoren binnen, met inbegrip van de voedselbranche met zijn veelbesproken aanduidingen van beschermde afkomst die de consument verzekeren van de echtheid van het product. Het zou in feite onbegonnen werk zijn om alle manifestaties van die zucht naar echtheid te inventariseren. Dan zouden we het ook moeten hebben over de toeristische tendens om te reizen naar ‘ongerepte’ gebieden of het in zwang raken van ‘de waarheid spreken’ in de politiek, en over het succes van redevoeringen voor en verwijzingen naar gemeenschapszin. De terugkeer naar religie maakt hier ook deel van uit, in zoverre die ‘echte’ waarden stelt tegenover de holle samenleving die wordt geregeerd door vergankelijkheid, oppervlakkigheid en kunstmatigheid. Het al-eeuwige tegenover het onbestendige: die twee bewegingen voeden elkaar natuurlijk, de opmars van lichtzinnigheid werkt die van authenticiteit in de hand.

Deze fantasie ontstaat uit de beklemming die samenhangt met de ongebreidelde modernisering van onze maatschappij, de technisch-wetenschappelijke vooruitgang, de nieuwe gevaren die onze planeet bedreigen. Ze is de uitdrukking van een nostalgisch verlangen naar een geïdealiseerd verleden, naar een tijd die zichzelf niet verwoestte, maar waarin men beter wist te leven. Zonder enige twijfel een illusie, die gepaard gaat met een kritische blik op ons eigen stereotiepe saaie universum, waar vriendelijkheid en zintuiglijke gevoelens verbannen worden en waar, in plaats daarvan, de dictatuur van markt en merken regeert. Door haar warmte compenseert authenticiteit die afwezigheid van wortels en menselijkheid. Het is een beschermende fantasie die een wereld oproept die tegen dergelijk onheil beschut is.

Is deze authenticiteitsbehoefte een uitdrukking van een ouderwetse gedachtegang, een wederopleving van de traditionele waarden? Geenszins: ze hangt samen met de uitputting van het welzijnsideaal zoals dat gedurende de naoorlogse Dertig Glorieuze Jaren werd geconstrueerd en tegelijkertijd met de hedendaagse nieuwe eis van nog meer welvaren, nu auto’s, televisies en badkamers zich over alle lagen van de bevolking hebben verspreid. Authenticiteit is niet het tegenovergestelde van hypermoderniteit: het is slechts één van haar aspecten, één van de manieren waarop het nieuwe gezicht van welzijn zich manifesteert. Een emotioneel welzijn, geladen met verwachtingen op gevoelsniveau en culturele en psychologische weerklanken. Een welzijn in het kwadraat, niet slechts functioneel meer, maar betrekking hebbend op het geheugen, de ecologie, de kwaliteit en de esthetiek in dienst van de bevestiging van onze individualiteit. De ironie hiervan: de authenticiteitscultus, die teruggaat tot Rousseau, en die via Heidegger de tegencultuur heeft aangewakkerd, heeft zich in de jaren ’60 en ’70 ontwikkeld uit onvrede met het bourgeoisisme en de ‘onderdrukkende’ conventies. Nu is dat wel anders: van iedere protestdimensie ontdaan, ontpopt de authenticiteitscultus zich als de nieuwe manier van dromen en kopen van de hedendaagse Homo consumericus.

Over de auteur:

Over de vertaler:

Vicky Francken (1989) is dichteres en vertaalster. Ze publiceerde gedichten in o.a. Hollands Maandblad en het Liegend Konijn, kreeg een Talentbeurs Literair Vertalen toegekend door het Nederlands Letterenfonds en haar afstudeerscriptie werd genomineerd voor de facultaire scriptieprijzen van de Universiteit Utrecht. Momenteel richt ze zich op het vertalen van Frans- en Engelstalige literaire (non-)fictie en poëzie.