thema:

Noot van de vertaler

Soms worden op de geschiedenis geënte verhalen voorzien van de aanbeveling ‘waargebeurd’. Voor De Elf kan die aanbeveling niet gelden, al is de verhaalstof die Pierre Michon behandelt ook geen zuiver verdichtsel. Zoals alle verhalen van Michon is De Elf een mengeling van fictionele elementen en archiefmateriaal, een bouwsel van fictie dat is opgetrokken op een uitputtend gedocumenteerde historische ondergrond. Om De Elf te lezen kan het dus helpen om het artikel ‘Franse Revolutie’ op te slaan, in een oude encyclopedie als de Winkler Prins of in een nieuwe als Wikipedia. Allerlei feiten en termen die terloops in Michons relaas aan bod komen en waarmee Franse lezers vertrouwder kunnen zijn dan Nederlandse, krijgen tegen zo’n achtergrond reliëf.

 

De grote breuklijnen van het achttiende-eeuwse tijdskader structureren de tekst. Deel I speelt in het Frankrijk van vóór de Revolutie, het Ancien Régime, de ‘tijd van het zoete leven’; deel II speelt tijdens de Revolutie. Die Revolutie werd aangezwengeld met het uitroepen van de Staten-Generaal op 5 mei 1789 en de bestorming van de Bastille-gevangenis op 14 juli van dat jaar. Zij vond haar dramatische hoogtepunt in de Terreur, het schrikbewind van de elf leden van het Comité de salut public (het ‘Comité tot heil van het algemeen’) dat Frankrijk tussen juni 1793 en juli 1794 in zijn greep hield, tot de val van Maximilien Robespierre op 27-28 juli 1794, oftewel op 9-10 thermidor van het jaar II. Thermidor, de gangbare aanduiding van dat historische breekpunt dat het einde van de Terreur zou markeren, verwijst, net als nivôse en ventôse, naar de ‘republikeinse’ of ‘revolutionaire’ kalender, die toentertijd de kerkelijke gregoriaanse kalender verving. Zo duiken ettelijke andere met de Revolutie verbonden termen in De Elf op: de citoyens of burgers, van wie de universele rechten waren afgekondigd in de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen uit 1789, en die zich onder meer keerden tegen de zogeheten ci-devant, ‘voormalige’ oftewel prerevolutionaire aristocraten; de chouans, royalistische boeren uit de Vendée, die door de revolutionaire legers bloedig werden onderdrukt, en de sansculottes, uit het volk afkomstige oproerlingen, die lange broeken droegen in plaats van de met de adel geassocieerde kniebroeken. Ook de bij Michon veelvuldig voorkomende uitdrukking à la nation verwijst naar de revolutionairen; in het beroemde pamflet van Emmanuel Sieyès uit 1789, Qu’est-ce que le tiers-état?, algemeen beschouwd als het manifest van de Franse Revolutie, werd de zogeheten derde stand nadrukkelijk gelijkgesteld aan de natie, waarvan de adel en de clerus door hun spreekwoordelijke ledigheid moesten worden uitgesloten. Diezelfde revolutionairen waren verdeeld in uiteenlopende, rivaliserende facties, ‘orthodoxen’, ‘gematigden’ en ‘buitensporigen’, onder meer op grond van hun houding tegenover het koningschap; in De Elf wordt zijdelings verwezen naar de executie van Lodewijk XVI, onthoofd op 21 januari 1793 op de Place de la Révolution (nu Place de la Concorde), en naar de opsluiting van zijn zoon kroonprins Lodewijk XVII in de Temple-gevangenis, waar hij tussen 1792 en tot aan zijn overlijden in1795 werd bewaakt door de ‘snode’ schoenlapper Simon – volgens Michon het evenbeeld van de oudere François-Élie Corentin, de legendarische fictieve maker van het wereldberoemde fictieve schilderij De Elf.

 

Maar van menig door Michon genoemd historisch detail hoeft ook de Franse lezer van Les Onze niet op de hoogte te zijn. Uit de context wordt genoegzaam duidelijk wat een houppelande of een criarde is, dat de Commune de Paris, de revolutionaire Parijse gemeenteraad, was onderverdeeld in buurtgebonden sections, en dat maman-putain, Jeanne-Antoinette de Pompadour, in een wijk van Versailles, het Parc-aux-Cerfs, voor koning Lodewijk XV de functie van hoerenmadam vervulde. Michon geeft vaak zelf en passant tekst en uitleg bij historische begrippen, bijvoorbeeld bij het functioneren van de beruchte Comités, die in de hoogtijdagen van de Terreur de macht monopoliseerden. Bovendien ironiseert hij voortdurend de historische simplificaties zoals die te vinden zijn in de ‘verklarende bijschriften’ bij beroemde schilderijen – en evengoed in encyclopedieën. En ten slotte is Michons omgang met de historische feiten bijzonder vrij; werkelijkheid en fictie zijn in zijn tekst onlosmakelijk verweven. De hyperbolisch beschreven massa-executie van contrarevolutionaire opstandelingen bij Lyon in de herfst van 1793, door Jean-Marie Collot d’Herbois, één van de elf leden van het Comité de salut public, vond niet met marinekanonnen plaats, om maar iets te noemen. Sommige historische citaten, die her en der gecursiveerd in de tekst opduiken, komen regelrecht uit Michons koker. En wie in hoofdstuk III van het zestiende boek van de Histoire de la Révolution française van Jules Michelet op zoek gaat naar de ‘twaalf definitieve pagina’s’ over De Elf komt bedrogen uit.

 

De Elf – het boek, niet het doek – is niet tot één genre te herleiden; het is een reflectie over het begrip ‘representatie’ in politiek, theater en schilderkunst, en tegelijk een erudiete mystificatie, een historische parabel, een fictieve biografie, een zijdelings zelfportret, de opsomming is niet uitputtend. Maar niets let ons te geloven dat De Elf waargebeurd had kunnen zijn.

 

Naar het fragment uit ‘De Elf’ in vertaling van Rokus Hofstede

Over de auteur:

Rokus Hofstede (1959), vertaler van Franse literatuur. Recente solo-vertalingen: Koningslichamen (Pierre Michon), Maigret en het dode meisje (Georges Simenon), Palmyra (Paul Veyne). Recente duo-vertalingen (met Martin de Haan): Swanns kant op (Marcel Proust), Wereld, wereld! (Régis Jauffret) (www.hofhaan.nl).