thema:

Notities van een reis per vlot

Vertaling:

In 1866 bezocht een delegatie Chinezen diverse landen in Europa in het kader van wat we nu een fact finding missie zouden noemen. Doel van de reis, die zeven maanden zou duren, was inzicht te verwerven in andere landen en culturen, en meer te weten te komen over technologie die van nut kon zijn voor het keizerrijk. Deze belangstelling voor westerse kennis dient gezien te worden in de context van de Chinese zelfversterkingsbeweging in het midden van de negentiende eeuw. De overheid wilde meer weten over de wereld om China heen om zo beter het hoofd te kunnen bieden aan binnen- en buitenlandse dreigingen. In 1861 werd het Kantoor voor Algemene Regeling (Zongli Yamen) opgericht, feitelijk een ministerie van Buitenlandse Zaken. Het was dan ook deze instelling, onder leiding van de hervormingsgezinde Prins Gong, die opdracht gaf tot de missie naar Europa. Aan het hoofd van de delegatie stond de voormalig magistraat Bin Chun (1804-1871), op dat moment al 63 jaar oud, maar buitengewoon geïnteresseerd in die nieuwe wereld. Bin Chun werd onder meer vergezeld door drie studenten van het in 1862 geopende Instituut voor Verbindende Studies (Tongwenguan), waar men buitenlandse talen als Japans, Engels, Frans en Duits onderwees. Bij het gezelschap waren ook Bin Chuns zoon Guangying en de vertalers Edward Bowra en Emile de Champs. Hoewel de missie informeel van aard was, werd het gezelschap ontvangen door vertegenwoordigers van regeringen en ontmoette Bin Chun in Engeland zelfs koningin Victoria.

Bin Chun hield onderweg een dagboek bij, dat na terugkomst in China gepubliceerd werd onder de titel Notities van een reis per vlot. Zoals dat een goed ambtenaar betaamde, schreef hij ook een aantal gedichten over zijn wedervaren; deze werden in twee aparte bundels uitgegeven. Hieronder zijn de dagboekpassages die Nederland betreffen vertaald, evenals een aantal gedichten uit de bundel Snelle krabbels bij bezoeken aan overzeese bezienswaardigheden. De teksten tussen haakjes zijn latere toevoegingen door Bin Chun zelf, als commentaar op zijn oorspronkelijke tekst.

Het is mogelijk het bezoek van het gezantschap aan Nederland deels te reconstrueren aan de hand van verslagen uit toenmalige Nederlandse kranten. Zo weten we dat de delegatie in Den Haag verbleef in Hotel de l’Europe, terwijl men in Amsterdam in De Doelen overnachtte.[1] De Nederlandse gastheren wisten niet precies wat het doel van de delegatie was. Het Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage schrijft dat het niet om een handelsmissie gaat: ‘Als wij wèl ingelicht zijn, dan zou hun echter geenerlei officieele noch officieuse zending zijn opgedragen, maar zouden zij slechts eene reis door Europa maken om zich met al het wetenswaardige bekend te maken en daarover bij hunne terugkomst in China een boekwerk uit te geven.’[2]

 

Vijfde maand, dertiende dag [maandag 25 juni]. Onbewolkt.

’s Ochtends om zeven uur kwamen we aan in de haven van Antwerpen, in België, na over zee een afstand van ongeveer 630 mijl te hebben afgelegd. Om negen uur stapten we in een stoomtrein, die ons 51 mijl verderop vervoerde, voorbij Roosendaal, de grens met Nederland. Daarna gingen we nog enkele mijlen verder naar de zee, waar we om elf uur de stoomboot namen.[3] Na het middageten stapten we om twee uur alweer over op een trein die ons naar Den Haag vervoerde, in het zuiden van Nederland. De totale reisafstand was ongeveer 300 mijl.

 

Veertiende dag [dinsdag 26 juni]. Bewolkt.

Bezoek gebracht aan de premier van het land, Graaf Bao, alsmede aan het corps diplomatique.[4] Ook een bezoek gebracht aan de paleistuinen, waar we een wandeling hebben gemaakt.[5] De straten hier zijn heel schoon, de hoogste gebouwen zijn vier of vijf verdiepingen hoog, en alles ziet er goed onderhouden uit. Er zijn veel rechte en lange waterwegen, ook de talrijke bomen vallen op. De mensen wonen sober, precies zoals over dit land in de geschriften staat.

(Nederland is 650 mijl in de lengte, 350 mijl in de breedte. Het noordwesten ligt aan de kust van de Atlantische Oceaan, het land is vlak en bergen ontbreken, maar havens en waterwegen vertakken zich in alle richtingen. Omdat de bevolking in het verleden getroffen is door overstromingen, is men bedreven in allerlei waterwerken, zoals de aanleg van dijken. Ook beoefent men de verre vaart overzee. In de verschillende eilandrijken in de Zuidelijke Oceaan hebben de Nederlanders overal havens aangelegd, te beginnen bij Java. Het is dan ook feitelijk te danken aan Nederland dat er koopvaardijschepen naar Zuidoost-Azië varen. Ten tijde van de noordelijke Song (960-1127) heeft een stormvloed de dijken doorbroken, waardoor de inwoners in een gebied van enige honderden mijlen allen verdronken.[6] Toen het water zich had teruggetrokken, ontstond het Haarlemmermeer. Na enkele tientallen jaren van opnieuw bewerken van het land, was men nog rijker dan voorheen. Het land was ooit verdeeld in de noordelijke en zuidelijke Nederlanden. Ten tijde van de Zes Dynastieën werden ze een vazalstaat.[7] Tijdens de Ming-dynastie (1368-1644) was hun leenvorst wreed en meedogenloos, en de zuidelijke Nederlanden weigerden hem te gehoorzamen, waarna er meerdere oorlogen plaatsvonden. Aangekomen in het elfde jaar van de Daoguang-keizer (1831), werd [het zuiden] heer en meester van het eigen gebied, dat België werd genoemd.)

 

Vijftiende dag [woensdag 27 juni]. Onbewolkt.

Graaf Bao retourneerde mijn bezoek en stuurde heer Xu om ons te vergezellen.[8] Deze heer Xu was oprecht hartelijk en aardig. We gingen langs bij de viceconsul van Amoy, heer Fei.[9] Daarna gingen we nog naar een openbare ruimte waar we voorwerpen uit alle landen van de Oostelijke Oceaan bekeken, en tientallen beroemde schilderijen, die alle heel verfijnd waren.[10] (Op straat zagen we veel koopwaar gevent worden vanaf karretjes waar twee honden voor gespannen waren.)

 

Zestiende dag [donderdag 28 juni]. Onbewolkt.

Om negen uur vertrokken we met de trein om na vijftig mijl Leiden te passeren. In deze stad bevindt zich een grote academie. Na nog eens zeventig mijl bekeken we een stoomgemaal, waarmee water uit de Haarlemmermeer wordt gepompt. Men past deze methode al meer dan twintig jaar toe, en heeft daarmee meer dan 300.000 mu[11] aan vruchtbare landbouwgrond drooggemaakt.[12] Een opzichter toonde ons tekeningen en landkaarten. De velden en akkers zijn duidelijk afgebakend en worden doorsneden door rechte sloten. Hoe men hier verzilte grond heeft veranderd in vruchtbare velden is echt het summum van wat waterwerken vermogen.

We stapten over in diligences en reisden nog zestig mijl, tot we in Amsterdam aankwamen, een grote stad in het noorden van het land. Deze stad ligt laag, en haar bewoners hebben de waterwegen gereguleerd, palen in het water geplaatst en daar stenen funderingen op aangebracht. Daarop plaatsten ze houtconstructies en zetten er huizen van zes of zeven verdiepingen neer. Langs de kanalen hebben ze aarde opgeworpen en bomen geplant, maar niet zonder twee à drie zhang[13] vrij te laten voor wegen zodat er verkeer van paarden en wagens mogelijk is. De fraai bewerkte balustrades en de bontgekleurde huizen zelf worden gespiegeld in het water, en het duizelde me, alsof ik een domein van onsterfelijken had betreden. In deze stad van dertig mijl in de omtrek vind je meer dan honderd grachten, en alle zien ze er zo uit. De grachten mogen dan verschillen van breedte, elke gracht kent verschillende bruggen, zodat wagens erover kunnen. Boten en scheepjes kunnen door de hele stad hun weg vinden. Er is berekend dat er in de hele stad 760 bruggen zijn. Waar het water breed is, zoeken grote binnenschepen hun weg, het is één groot knooppunt voor handelswaar. Deze florerende handel heeft de stad gemaakt tot een ware metropool op het Europese continent.

 

Zeventiende dag [vrijdag 29 juni]. Onbewolkt.

Om elf uur reisden we per boot naar de plaats waar het water wordt uitgemalen. Het water in de Haarlemmermeer ligt enige tientallen zhang lager dan het water in de zee. De opziener leidde ons rond langs de verschillende soorten werken die ze daar uitvoeren: langs de vaart leggen ze dijken aan, dan leiden ze het water naar de voet van de dijken, waar ze vervolgens met behulp van een stoomwiel raderen in beweging zetten om het water met reusachtige emmers omhoog te pompen en het via de vaart naar de zee te leiden. De hoogte die overbrugd wordt is enkele ren, dagelijks pompen ze enkelen duizenden dan water.[14] Zonder de kracht van het stoomrad zou dit niet mogelijk zijn.

(Bergbewoners in de provincies Jiangsu en Zhejiang gebruiken bamboegoten om water uit de bergbeken te halen en hun hooggelegen velden te irrigeren. Ook benutten ze de wateropvang van beken bij het dorsen van de rijst, maar bij beide toepassingen volgen ze de natuurlijke richting van het water. Voorbeelden van watermolens langs rivieren om water omhoog te hijsen, en door ossen aangedreven molens die rechts van de rivier water uit putten overhevelen om velden te irrigeren, druisen tegen de natuur van het water in en kunnen worden gebruikt om droogte te bestrijden. Het probleem is dat dit veel mankracht kost en dat het geïrrigeerde oppervlak niet groot is. China gebruikt stoomwielen momenteel wel om kanonnen op schepen te hijsen, maar als men die methode zou uitbreiden tot de landbouwgrond van de gewone burger, zou men binnen het rijk gevrijwaard blijven van de zorg om droogte en overstroming.)

Na onze terugkeer bezochten we het Kristallen Paleis.[15] Alle denkbare gebruiksvoorwerpen van over de hele wereld zijn daar te vinden.

 

Achttiende dag [zaterdag 30 juni]. Onbewolkt.

Om negen uur lieten we ons fotograferen. Om elf uur bezichtigden we het Paleis. Om één uur bezochten we de Tuin der Levende Wezens, met een ware overvloed aan leeuwen, olifanten, tijgers, panters en dergelijke wilde dieren. Ook waren er talloze zeldzame en bijzondere vogels. Bij de pythons waren de grootste zo dik als een kommetje, ze lagen eigenlijk vooral opgerold tussen de rotsen en de planten, glas scheidde hen van de bezoekers. De verzorger jutte ze op zodat ze zich aan ons lieten zien. Een zwart gevlekte, zo dik als een grote schaal, stortte zich sissend en al op het glas, woedend, en joeg ons de stuipen op het lijf.

De directeur van het park nodigde ons bij hem thuis uit.[16] Zijn echtgenote en dochter zijn ooit in Indië geweest en waren heel vertrouwd met de aanblik van Chinezen. Hun dochter was vijftien, een schattig en heel mooi meisje. Ze was helemaal niet timide en leidde ons in eigen persoon rond door het huis, waar ze alle kamers liet zien. Ook vroeg ze ons om een foto. Het gedicht dat ik gisteren had geschreven over ons bezoek aan de sluis was al opgenomen in hun krant, en in een oplage van enkele tienduizenden door het hele land verspreid.[17] Vandaag had de directeur van het park Chinese penselen en inkt klaar laten leggen, en verzocht me een gedicht te schrijven. Ik schreef een knotvers voor hem, dat hij met zichtbaar genoegen in ontvangst nam.

Die avond om tien uur voeren we per stoomboot noordwaarts. De maan kwam net op boven de zee, en aan de oevers klonk muziek en hingen lampjes, drommen mensen waren op de been. Wij voeren er in een kleiner bootje naartoe om het goed te bekijken. Op een gegeven moment staken ze schitterend veelkleurig vuurwerk af. Sommig vuurwerk schoot een heel eind de lucht in, zoals de soort die wij in China ‘vuuraanjagers’ noemen, tientallen zhang hoog, en daar veranderden de pijlen in tienduizenden heldere lichtjes, hun glans werd weerkaatst op zee, in rood en groen. Het was echt een uitzonderlijk schouwspel.[18]

 

Negentiende dag [zondag 1 juli].

Ons schip was de avond ervoor om half twaalf vertrokken. De hele dag regende het. We zaten rustig bij elkaar en hadden niets omhanden. In een opperbeste stemming dronken we thee en praatten over poëzie. Die dag legden we ongeveer zeshonderd mijl af.

 

 

 

 

Gelegenheidsgedichten over het bezoek aan Nederland

1/ De veertiende overnachtten we in Den Haag (naam van een stad in het zuiden van Nederland), waar we naar de Noordzee [Scheveningen] gingen om de zonsondergang te zien.

 

De ondergaande zon beschijnt de lange pier,

wandelaars gaan westwaarts bij de kademuur.

Groenblauw raakt avondrood, de Melkweg hoog,

het rood zakt in de zee, de hemel laag.

Gebouwen stoven onder de avondgloed,

trommelklanken nemen het geraas van het tij over.

Op de terugweg klimt de heldere maan aan de hemel,

diep tussen de bomen betovert ons de avondmist.

 

(Er zijn daar een paar kiosken waar muziek wordt gemaakt, dat zijn plekken waar de wandelaars kunnen rusten en wat kunnen eten en drinken.)

 

2/ Op de zestiende ging ik naar Amsterdam (in het noorden van Nederland, waar ik zag hoe een stoomgemaal op uiterst vernuftige manier water uit de Haarlemmermeer pompte (dit gebied was ooit overstroomd door de zee, maar deze methode heeft al voor meer dan 300.000 mu vruchtbaar land gezorgd).

 

Nederland pronkt van oudsher met zijn beroemde steden,

goede akkers gewonnen op de zee – hoe anders dan toen.

Rode bruggen geven plezierschepen overal ruim baan,

bochtig groenblauw water grenst aan lange straten.

Kristallen gordijnen tien mijl lang vormen een heldere spiegel,

de schijf van de maan in duizend poelen weerkaatst de parels van de nacht.

Men bouwt stoomgemalen en zet waterwerken op,

scheuten jonge gierst kleuren de hele Haarlemmer groen.

 

Het Algemeen Handelsblad publiceerde dit gedicht in onderstaande vertaling (Bowra had het Chinese gedicht in het Engels vertaald)[19]:

 

Aan Holland

Een koningrijk beroemd en van oude vermaardheid!

Waar eens de zee woedde, wild en woest, daar geven nu de aardbezie hare vruchten, en de wuivende aren haar graan.

Lange bruggen maken van verwijderde oevers één, en schepen glijden liefelijk langs breede kanalen.

Lange reijen huizen vonkelen in het maanlicht, waaronder de stroomen helder als edelgesteenten glinsteren.

Dank, vriendelijk dank, is men schuldig aan hen, wier kunde dit heeft gewrocht, wier energie groot was, aan wie het land zijn bloei is verschuldigd.

Zulke vermogens, zulk werk, zulke Inspanning moeten nimmer vergeten worden.

PING-CHUN, Chineesch commissaris.

Die van den Haag naar Amsterdam kwam

op den 19den van de 5e Maan.

 

3/ Amsterdam kent enkele tientallen lange rivieren, aan weerszijden van elke gracht zijn hoge huizen gebouwd. Ze gebruiken de grachten als straten, nergens onder de hemel treft men zo’n wonderbaarlijk tafereel. De gebouwen zijn bovendien stuk voor stuk fraai en prachtig, met honderden voet aan versierde balustrades. Wanneer dit alles in de heldere golven wordt gespiegeld, biedt het de aanblik van een schilderij.

 

Gebouwen rondom lijken op een schilderij,

in de lange rivier gespiegeld zijn onder en boven gelijk.

Plots hoor ik hoog de zang van een wielewaal,

nu ze was opgemaakt trok de schoonheid de doek van zijn kooi.

 

4/ Na het zien van het stoomgemaal gisteren, schreef ik een normgedicht dat al in de kranten is verschenen in een oplage van enkele tienduizenden en door het hele land is verspreid. Vandaag bezocht ik de Tuin der Levende Wezens, met zijn vele zeldzame vogels en bijzondere wilde dieren.

Op verzoek van de directeur, die Chinese penselen en inkt had klaargelegd, schreef ik dit gedicht.

 

Taferelen en zaken uit verre oorden – o zo verrassend en fraai,

hier tref ik penseel en inkt voor nog een regelpaar.

Een gedicht vandaag vers opgeschreven

Wordt morgen al met duizend monden doorgegeven.

 

 

5/ Op de achttiende gingen we ’s avonds scheep. Langs de oevers maakte men muziek en was er een vuurwerkschouwspel.

 

Zoete klanken onder de volle maan,

drommen mensen op de balkons, bij de huizen.

Bonte wolken trekken door de hemel,

bomen van vuur, zilveren bloemen – gespiegeld in het water.

 

 

Bronnen:

Biggerstaff, Knight. ‘The First Chinese Mission of Investigation Sent to Europe’, Pacific Historical Review, Vol. 6, No. 4 (Dec., 1937), pp. 307-320.

Huangfu, Zhengzheng. Internalizing the West: Qing envoys and ministers in Europe, 1866-1893. Proefschrift UC San Diego, 2012.

 

Voor de Nederlandse kranten: www.delpher.nl.

[1] Hotel de l’Europe, vermeld in o.a. Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage, d.d. 27 juni 1866. De Doelen wordt genoemd in het Algemeen Handelsblad, d.d. 19 juni 1866.

[2] Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage, d.d. 28 juni 1866.

[3] Met ‘de zee’ verwijst Bin Chun vermoedelijk naar het Hollands Diep.

[4] Graaf Bao: Julius van Zuylen van Nijevelt, premier en minister van Buitenlandse Zaken, in een kabinet dat standhield van juni 1866 tot 1868.

[5] De Nieuwe Rotterdamsche courant van 27 juni meldt dat de delegatie een bezoek bracht aan Paleis Huis ten Bosch en de Groote Koninklijke Bazar van Boer en Zn. Deze bazar was een van de eerste warenhuizen van Nederland.

[6] Dit verwijst vermoedelijk naar de Sint-Luciavloed van 1287.

[7] De periode van de Zes Dynastieën is 222–589. Hier lijken Binchuns aantekeningen niet te kloppen.

[8] De heer Schimmelpenninck, volgens de Rotterdamsche courant d.d. 30 juni.

[9] Ik heb niet kunnen achterhalen op wie Bin Chun hier doelt. Nederland had in die tijd al wel een viceconsulaat in Amoy (het huidge Xiamen).

[10] Het Kabinet van Zeldzaamheden.

[11] 1 mu is ongeveer 666 m2.

[12] De drooglegging van het Haarlemmermeer vond plaats tussen 1844 en 1852. Het stoomgemaal dat Bin Chun bezocht is De Cruquius bij Heemstede.

[13] 1 zhang is ongeveer 3,3 meter.

[14] 1 ren is ongeveer 1,8 meter ; 1 dan is ongeveer 60 liter.

[15] Dit is het Paleis voor Volksvlijt.

[16] Gerardus Frederik Westerman (1807-1890), de eerste directeur van Artis.

[17] In het Algemeen Handelsblad, d.d. 29 juni. Het artikel werd nog eens overgenomen in de editie van 3 juli.

[18] Kunstvuurwerk bij het Buiksloter Tolhuis, waarvoor druk geadverteerd werd in het Algemeen Handelsblad.

[19] Algemeen Handelsblad, d.d. 3 juli 1866. Er staat niet bij wie het gedicht vanuit het Engels naar het Nederlands heeft vertaald.

Over de auteur:

Over de vertaler:

Anne Sytske Keijser (1962) studeerde sinologie aan de Universiteit Leiden. Sinds haar afstuderen is ze als taaldocent verbonden aan de opleiding Chinastudies van de Universiteit Leiden. Naast klassiek en modern Chinees doceert ze ook Chinese literatuur en film. Ze vertaalde Chinese literatuur naar het Nederlands, o.a. de romans Berg van de Ziel van Nobelprijswinnaar Gao Xingjian (Meulenhoff, 2002) en Nanjing 1937 van Ye Zhaoyan (Ambo, 2003). Daarnaast vertaalde ze korte teksten uit zowel klassiek als modern Chinees voor het tijdschrift Het trage vuur. Op dit moment werkt ze met Silvia Marijnissen en Mark Leenhouts aan de vertaling van de klassieke roman Droom van de rode kamer.