thema:

Over het nut van fictie: Twee theorieën over het vertellen van verhalen.

Sprookjes worden vaak beschouwd als verhalen voor kinderen. Ze spelen in een fantasiewereld vol reuzen en heksen en tovenaars, waarin alles kan en elk probleem op magische wijze wordt opgelost.  Leuk voor de kleintjes, die nog in een fantasiewereld leven, maar als volwassene ben je daaraan ontgroeid.

Toch is dat wat al te simpel geredeneerd.  Niet alleen zijn niet alle sprookjes even geschikt voor kinderen, ook kunnen zelfs de meest fantastische sprookjes inzichten bevatten die interessanter zijn dan wat de meest realistische verhalen voor volwassenen te bieden hebben.  De vertellingen van duizend en een nacht, een van de mooiste sprookjesverzamelingen ter wereld, beginnen bijvoorbeeld met een sprookje over overspel, en bevatten verder ook veel erotische sprookjes die niet erg geschikt lijken voor de kinderkamer.  Bovendien biedt het kadersprookje een verrassende visie op het vertellen van verhalen, die ook in de andere sprookjes wordt uitgewerkt.

Hoe gaat het ook weer: twee vorstelijke broers komen erachter dat hun vrouwen overspel plegen; vol wrok trekken ze de wereld in, om te ontdekken dat geen macht ter wereld vrouwen kan verhinderen hun lusten te bevredigen met wie ze maar willen. Voor een van de twee is dat de reden om voortaan iedere nacht door te brengen met een andere vrouw, die hij de volgende dag laat ombrengen.  Totdat Sheherazade, de dochter van de grootvizier, zich tegen de wil van haar vader aanbiedt als zijn volgende slachtoffer.  Zij vertelt de koning in bed een verhaal dat hem zo boeit, dat ze uitstel van executie krijgt om de volgende nacht verder te vertellen, en de nacht daarop weer, en ook de daarop volgende nacht: zo rijgt Sheherazade het ene sprookje aan het andere, –  sprookjes waarin ook voortdurend verhalen verteld worden, want het ene verhaal lokt het andere uit – en redt daarmee niet alleen haar eigen leven, maar weet met al haar verhalen de koning uiteindelijk ook van zijn wraakzucht te genezen.

De sprookjes van duizend-en-één-nacht gaan over de macht van het verhaal. Over het vertellen van verhalen als overlevingsstrategie.  Keer op keer weten de personages in de sprookjes die Sheherazade vertelt zich uit de hachelijkste situaties te redden door het vertellen van hun verhaal.  En hoe sprookjesachtig al deze verhalen ook zijn, deze visie op het vertellen is realistischer dan je zou denken.  Ze wordt sinds kort zelfs bevestigd door evolutionistische theorieën over het nut van fictie.

 

In On the origin of stories (2009) ontwikkelt Brian Boyd op basis van de evolutietheorie en de bevindingen van de cognitieve psychologie zijn theorie dat het vertellen van verhalen een belangrijke, zo niet een cruciale rol speelt in de evolutie van de menselijke soort.

Hij verklaart het ontstaan van kunst in het algemeen vanuit het spel, dat ook bij andere, hogere diersoorten voorkomt: ogenschijnlijk doelloos, worden op die manier vermogens en vaardigheden ontwikkeld die nodig zijn om te overleven.  Dat geldt ook voor het spel met ritmes, klanken, kleuren en patronen waaruit muziek, dans en visuele kunsten zijn ontstaan.

Ons brein is gespecialiseerd in patroonherkenning, en dat speelt op een hoger niveau, los van een bepaald zintuig, ook een doorslaggevende rol bij het ontstaan van fictie uit ‘pretend play’ (doen-alsof), dat uniek is voor de mens.  Omdat wij sociale dieren zijn, en zelfs een ultra-sociale soort, zijn we zeer afhankelijk van het uitwisselen van informatie met soortgenoten en dankzij de taal kunnen we dat op een intensieve en heel gedetailleerde manier doen: door middel van verhalen, zelfs fictieve verhalen. Die focussen de aandacht, en dienen als ‘cognitive play’ de ontwikkeling van de hogere intelligentie:  zo leren we het gedrag van soortgenoten te doorgronden en erop te anticiperen.

Boyd beschouwt fictie als een evolutionaire adaptatie. Al heel vroeg, tussen het tweede en het vijfde levensjaar, ontwikkelen kinderen een zogeheten ‘theory of mind’ (ToM), dat wil zeggen:  ze veronderstellen in de ander dezelfde mogelijkheden (gedachten, reacties etc.) die ze zelf hebben.  Fictie komt tegemoet aan onze voorkeur voor het spelen en variëren met patronen, het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Dardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat zijn toekomstige problemen op te lossen.  Zo helpt fictie ons dus te overleven.

 

Sheherazade, zou je kunnen zeggen, maakt in een extreme, levensbedreigende situatie slim gebruik van de natuurlijke interesse in fictie die ze deelt met al haar soortgenoten en redt zo haar leven.  Het blijft natuurlijk een sprookje, maar dat neemt niet weg dat  het een kern van waarheid bevat:  met verhalen kun je niet alleen de aandacht trekken, ze kunnen ook begrip wekken voor de situatie waarin iemand verkeert en op die manier het gevaar van een gewelddadige confrontatie bezweren.

Ook in breder verband is het waarschijnlijk dat verhalen – in casu: archaische mythen – functioneerden als een manier om het onbegrijpelijke en bedreigende te bezweren en zo hanteerbaar te maken.  De list van Sheherazade is zo gezien slechts een heel specifiek (en vereenvoudigd) geval van wat Boyd laat zien als een evolutionaire noodzaak.  Volgens hem ontwikkelde de mens de fictie als een instrument om zijn mogelijkheden als ultra-sociaal dier te vergroten, en dus in dienst van de overleving van de soort.  Dat fictie ook in individuele gevallen levensreddend kan zijn (zoals in de verhalen van Sheherazade), komt in Boyds theorie niet aan de orde.  Dat past niet in zijn evolutionaire benadering, want wàt er verteld wordt, en wat dat kan betekenen, doet er in zijn theorie veel minder toe: het gaat vooral om het verder ontwikkelen van de ToM, om het herkennen van, en het spelen met ‘high-intensity patterns’ van sociale informatie.

 

Een heel andere benadering van het vertellen is te vinden in Christopher Bookers omvangrijke studie The seven basic plots (2004), met de ondertitel Why we tell stories.

Booker gaat juist uit van wàt er verteld wordt, en poneert de intrigerende stelling dat alle verhalen die mensen kunnen verzinnen in feite zijn terug te brengen tot zeven fundamentele plotstructuren:

  1. Overcoming the monster (het verslaan van een monster)
  2. Rags to riches (‘Van krantenjongen tot miljonair’)
  3. The quest (De zoektocht)
  4. Voyage and return (Een verre reis en terugkeer)
  5. Comedy (Komedie)
  6. Tragedy (Tragedie)
  7. Rebirth  (Wedergeboorte)

De eerste vier zijn ons vertrouwd uit talloze mythen en sprookjes. Komedie en tragedie zijn ontwikkeld in de klassieke Griekse cultuur, en in het wedergeboorte-scenario herkennen we een typisch christelijk motief (dood en wederopstanding).

Deze plots overlappen elkaar deels, en zijn op hun beurt volgens Booker weer te reduceren tot een universeel schema waarin de held of heldin steeds een innerlijke transformatie moet ondergaan door wat hij/zij meemaakt. Dat houdt in dat hij/zij een balans moet bereiken tussen de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen: dat wordt in het traditionele happy end gesymboliseerd door een huwelijk of een vereniging van geliefden (animus en anima): de realisering van het Zelf.

Uiteindelijk, zegt Booker, gaat het steeds om de overdracht van levenservaring van de oudere op de jongere generatie, die pas volwassen is wanneer ze in staat is zelf een nieuw gezin te vormen (symboliek van het huwelijk en de opvolging van het koningschap).  Alle avonturen verbeelden die volwassenwording, die een innerlijke transformatie behelst.  Vindt die innerlijke transformatie niet plaats, dan is een happy end niet mogelijk, en gaat de held ten onder – zoals in de tragedie gebeurt.

Elk van deze fundamentele plots wordt door Booker gedemonstreerd aan de hand van talloze voorbeelden, niet alleen uit de literatuur, maar ook uit films, opera’s, musicals en toneelstukken.

Uit de hele opzet, en de manier waarop hij de verhalen analyseert en interpreteert, blijkt duidelijk dat Bookers theorie gebaseerd is op Jungs theorieën over het onbewuste en de functie van archetypen.  Zijn hele boek is eigenlijk een pleidooi voor de Jungiaanse benadering van verhalen, waarbij de veronderstelling is dat die plotstructuren als het ware zijn ingeprogrammeerd in ons onbewuste: het zijn mechanismen die ons de weg wijzen naar de ‘Individuation’ – de integratie van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, de realisering van het Zelf.

Zodra dat duidelijk wordt, en dat is vrij snel, worden Bookers interpretaties nogal eentonig – steeds komt het weer op hetzelfde neer.  Het jungiaanse schema duikt overal op, tot vervelens toe, en als het eens niet lijkt te kloppen, blijkt het met behulp van omkeringen (‘inversions’) van ‘lichte’ en ‘duistere’ figuren toch weer wel te kloppen.  (Dat is het handige van alle theorieën over het onbewuste:  ook wat er tegen pleit, of eraan ontsnapt, blijkt er uiteindelijk toch in te passen – je kunt er alles mee ‘bewijzen’.)

De moraal van Bookers verhaal is dat alle verhalen zelf een ingebouwde moraal bezitten en als die in het ongerede raakt dan bewijst dat volgens hem dat het contact met het onbewuste (en met de natuur) is verbroken.

 

Is het nu zo dat Boyds benadering en die van Booker elkaar uitsluiten?  Boyd beschouwt fictie als een functionele adaptatie, een instrument om onze intelligentie te trainen en onze vaardigheid in het verwerken van sociale informatie te vergroten.  Booker ziet in verhalen de manier waarop het onbewuste probeert ons tot een juiste levenshouding te bewegen.  Het verschil is duidelijk:  wat voor Boyd een waardevrij, bio-cultureel verschijnsel is dat zijn nut heeft voor de instandhouding van de soort, is voor Booker vooral een moreel kompas (dat door de natuur in onze soort is ingebouwd). Hun theorieën sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar eerder aan.

 

Waar Boyd kijkt naar het effect (het nut) van verhalen, en denkt in termen van patroonherkenning en socialisatie, is Booker vooral geïnteresseerd in de betekenis van die patronen, die relevant is voor individuen.

Voor Boyd is het feit dàt we interpreteren (en ons zo oefenen in ‘high-intensity patterns’) belangrijker dan hoe we interpreteren, terwijl het voor Booker juist op dat laatste aankomt.  Want de verhalen gaan over wie wij zijn en hoe we zijn.  En in de plotstructuur zit volgens hem een boodschap verborgen, die zelfs als er iets mee misgaat nog te achterhalen is.  Maar daarin schuilt ook het zwakke punt van zijn boek, want hoe vaardig en vaak overtuigend hij zijn jungiaanse schema’s ook weet toe te passen – daarmee zijn de interpretatiemogelijkheden van de verhalen die hij bespreekt zeker niet uitgeput.  Bovendien zijn er tal van mythen waarvoor ze naar mijn idee niet opgaan.  Om zijn theorie overtuigend te vinden moet je eerst geloven in de algemeen-geldigheid van Jungs opvattingen over het collectief onbewuste.

 

Zoiets zou je natuurlijk ook over Boyd kunnen zeggen:  wie de evolutietheorie verwerpt, zal ook Boyds theorie niet overtuigend vinden.  Maar voor de evolutietheorie zijn er wel  meer ‘harde’ wetenschappelijke bewijzen.  Een van de interessantste aspecten van Boyds theorie is dat hij aannemelijk weet te maken dat veel voorwaarden voor het ontstaan van fictie al aanwezig zijn voordat er sprake is van taal  (bijvoorbeeld imitatiegedrag en wat hij ‘pretend play’ noemt: doen-alsof).  Dat de taal het vervolgens mogelijk heeft gemaakt dit spel te verfijnen tot een verhaal – een imaginaire wereld waarin we allerlei patronen van sociale informatie kunnen herkennen – dat is voor hem eigenlijk niet meer dan de verfijning van een instrument dat in aanleg ook bij andere diersoorten aanwezig is.

Dat het ook van alles kan betekenen, dat we emotioneel geïnvolveerd kunnen raken – dat interesseert de evolutie-theoreticus minder.  Het gaat er immers alleen om dat we met dat instrument steeds slimmer worden in patroonherkenning en het variëren met patronen, zodat we steeds beter en creatiever worden in het oplossen van problemen.  Op die manier zijn we zelfs zo slim geworden dat we ook hebben kunnen ontdekken hoe de evolutie werkt.

 

Maar met de constatering dat fictie bestaat uit patronen die we (leren) herkennen, is die fictie verre van toereikend beschreven:  de aantrekkingskracht van verhalen bestaat niet alleen uit herkenbare, maar vooral ook betekenisvolle patronen.  Verhalen worden pas interessant  als je er een betekenis in ontwaart.  En als het zo is dat we daardoor hebben leren denken, is het dan niet een vreemde manoeuvre om die betekenis te reduceren tot iets zuiver instrumenteels, zoals Boyd doet?  Tot patronen die we herkennen en waarmee we kunnen spelen en variëren?  Met andere woorden:  kun je de betekenis van verhalen wel reduceren tot de functie ervan?

Een verhaal is iets dat enkel kan functioneren bij de gratie van de betekenis. Want de patronen waaruit het bestaat kunnen toch alleen hun functie vervullen als ze voor degene die ze herkent iets betekenen?

      Dat het, beschouwd vanuit de evolutietheorie, irrelevant is wat onze verhalen betekenen, dat wil nog niet zeggen dat die betekenis er voor onszelf niet toe doet.  Het is toch juist die betekenis geweest – hoe imaginair ook – die ons gebracht heeft waar we nu zijn?  De ‘uitvinding’ van de goden, bijvoorbeeld, is niet voor niets geweest: uit de religie is de filosofie ontstaan, en uiteindelijk de wetenschap.  Zonder het (imaginaire) domein van de geest, die aan alles betekenis toekent, is de hele menselijke beschaving ondenkbaar.  En ook al heeft dat alles ons nu zover gebracht dat we zelfs die betekenissen kunnen doorzien als illusoir – dat maakt ze nog niet irrelevant of nutteloos.  Voor de ontwikkeling van de menselijke intelligentie zijn ze van cruciaal belang gebleken.  Zonder de betekenis van de woorden die we gebruiken zou elke kennis immers onmogelijk zijn?

Daarom is de theorie van Booker – hoe aanvechtbaar ook – niet minder legitiem dan die van Boyd.  Ze vullen elkaar aan, en overlappen elkaar zelfs in de notie van de ‘natuur’ als sturende factor.  Voor Booker is de natuur het onbewuste in de mens, dat zou proberen hem middels die zeven plotstructuren in harmonie met zijn omgeving te brengen.

 

Wanneer je dit alles terugkoppelt naar de wereld van Sheherazade, dan kun je constateren dat de functie van haar verhalen was:  interesse wekken en daardoor de sultan afleiden van zijn voornemen om haar om het leven te brengen.  Dus uiteindelijk: overleving.  Maar daarbij was de inhoud van de verhalen zeker niet irrelevant:  dat zoveel protagonisten in haar sprookjes hun leven weten te redden met hun verhaal is één ding;  het tweede is dat haar verhalen ook de sultan uiteindelijk tot inkeer brengen.  En dat ze daarin slagen, is omdat ze begrip kunnen wekken voor het leven van anderen en zo de empathische vermogens versterken.

De vertellingen van Duizend en een nacht illustreren dus enerzijds de honger naar verhalen die terug te voeren valt op de patroonherkenning van Boyd, en het belang van het trekken (en manipuleren) van aandacht, maar dat die verhalen anderzijds in individuele gevallen ook zulke positieve effecten kunnen sorteren – dat lijkt buiten het kader van Boyds theorie te vallen.

Hij interpreteert in zijn boek ook de Odyssee, en zijn interpretaties zijn boeiend en overtuigend.  Maar wat blijkt?  Hij belicht vooral de aspecten die zijn theorieën bevestigen, en doet dus eigenlijk hetzelfde wat hij literaire critici verwijt die theorieën van Lacan of Derrida toepassen op literair werk.  Zijn interpretaties geven vooral een evolutionaire verklaring voor het duurzame succes van dit verhaal.  Het komt erop neer dat hij de betekenis steeds ontdekt in de (evolutionaire) functie,  terwijl Booker omgekeerd de functie afleidt uit de betekenissen die hij aan de plotstructuren toekent.

 

Hoe de theorieën van Boyd en Booker elkaar aanvullen kan geïllustreerd worden met het sprookje van Ma’roef de schoenlapper.

Het is het laatste sprookje dat Sheherazade vertelt, en het gaat over Ma’roef, een straatarme schoenlapper, die mishandeld en belasterd wordt door zijn vrouw (Fatima De Schurft).  Dankzij een ifriet (een soort geest) ontsnapt hij uit Cairo naar een ver land, waar hij zijn vroegere vriendje Ali als welgesteld koopman terugvindt. Deze helpt hem met een lening en raadt hem aan zich voor te doen als een rijke koopman.  Op alle vragen over zijn koopwaar moet hij antwoorden: ‘daar heb ik een heleboel van’, en steeds verwijzen naar de karavaan met zijn rijkdommen, die hem achterna zal komen: dan zal hij alles met rente terugbetalen.

Ma’roef volgt zijn raad op;  omdat iedereen denkt dat hij schatrijk is, lenen ze hem veel geld, wat hij vervolgens royaal uitdeelt.  Als hij zo een reputatie als rijkaard (en een grote schuld) heeft opgebouwd, verwijt zijn vriend Ali hem dat hij intussen niets heeft gedaan om geld te verdienen en trekt zijn handen van hem af.  Maar inmiddels heeft ook de koning van zijn (veronderstelde) rijkdom vernomen, en biedt Ma’roef zijn dochter aan, om zo zijn schatten in handen te krijgen.  Ma’ roef verspilt op dezelfde manier de rijkdommen uit de schatkist – steeds met een beroep op zijn karavaan, die nog altijd uitblijft.

De enige die wantrouwend is, is de vizier (die ook een oogje op de koningsdochter heeft).  Als de bodem van de schatkist in zicht komt, stemt de koning in met het plan van de vizier om de dochter te gebruiken om achter de waarheid te komen.  Ma’roef vertelt haar dan inderdaad de waarheid: dat hij arm is, en dat er geen karavaan bestaat.  Maar omdat zij van hem houdt, verzint ze een list.  Hij ontsnapt ‘s nachts en zij vertelt haar vader dat hij zijn karavaan tegemoet is gereisd, na de tijding dat die overvallen is door Bedoeïnen.

Intussen komt Ma’roef bijna om van de honger als hij een arme boer ontmoet, die hem een maaltijd belooft.  Terwijl de boer weg is om het eten te halen, ploegt Ma’roef uit dankbaarheid het land voor hem en stuit op een schatkamer vol goud en edelstenen, waar hij een ring vindt die alle wensen vervult.  Met behulp van (de dienaar van) de ring stelt hij vervolgens een rijke karavaan samen, en laat een brief aan de koning bezorgen: ‘Kom me tegemoet.’

Opnieuw verspilt hij enorme rijkdommen, wat de achterdocht van de vizier andermaal wekt.  Die stelt de koning nu voor, zijn schoonzoon dronken te voeren om achter de waarheid te komen.  Zo verraadt hij het geheim van de ring, die ze hem vervolgens afpakken. Ma’roef wordt door de ‘dienaar van de ring’ in de woestijn gedropt, en nadat de vizier de ring heeft bemachtigd, laat hij ook de koning daar droppen.

Nu heeft hij de macht en wil de dochter van de koning huwen.  Maar andermaal is zij hem te slim af en krijgt de ring te pakken, waarna de vizier in de kerker verdwijnt en Ma’roef en de koning worden teruggehaald.

De koning sterft, Ma’roef volgt hem op, krijgt een zoon, en als na vele jaren zijn vrouw (die de ring in bewaring heeft) sterft, draagt hij hem zelf.  Tot hij op een nacht plotseling weer met zijn oude vrouw Fatima geconfronteerd wordt (die na een leven als bedelares door dezelfde ifriet naar hetzelfde land is getransporteerd).  Ze toont berouw, Ma’roef  vergeeft haar en schenkt haar een paleis.  Maar zodra ze het geheim van de ring kent, wordt ze afgunstig en probeert hem te stelen.  Ze wordt betrapt door zijn zoon, die haar ten slotte onthoofdt.

 

Bezien vanuit de theorie van Boyd, illustreert dit sprookje het nut van fictie voor de ontwikkeling van de Theory of Mind (ToM):  Ma’roef speculeert op de goedgelovigheid van mensen als hij over zijn fictieve karavaan vertelt.  Hij suggereert daarmee een onmetelijke rijkdom en weet zo van iedereen leningen los te krijgen.  Men redeneert:  hij is schatrijk, dus zal hij het mij dubbel en dwars terugbetalen.  Ze lenen hem om er zelf beter van te worden.  Dit is wat Boyd false belief noemt:  de lezer weet dat het een leugen is, maar de verhaalpersonages weten dat niet.  Ma’roef anticipeert met zijn karavaanverhaal op hun manier van redeneren en maakt er gebruik van.

Maar wat er vervolgens gebeurt, valt buiten Boyds theorie:  Ma’roef deelt alle rijkdommen die hij zo verwerft meteen weer uit.  Dat past niet in de evolutionaire cost-and-benefit analyse van Boyd.  Odysseus is een slimme overlever, Ma’roef helemaal niet.  Hij werkt zich steeds in de nesten en is uiteindelijk alleen nog te redden door een sprookjesachtige wending:  het vinden van de schatkamer en de magische ring.

Hier biedt alleen Bookers interpretatie uitkomst:  het sprookje is een ‘rags to riches’ verhaal.  En Ma’roefs succes is alleen te begrijpen als de rijkdom die een centrale rol speelt in het verhaal symbolisch wordt opgevat.  Het gaat om innerlijke rijkdom:  alles draait om de edelmoedigheid van Ma’roef, die zijn (geleende) rijkdommen nooit voor zichzelf houdt en alles weggeeft.  Zijn goede inborst blijkt ook wanneer hij uit dankbaarheid het ploegen van de boer overneemt, en later nog eens wanneer hij zijn voormalige vrouw Fatima vergeeft en laat delen in zijn rijkdom.

Daarom is het verhaal over de niet-bestaande karavaan ook geen echt bedrog:  wat op het eerste gezicht oplichterij en pure verspilling lijkt, is bij nader inzien niets anders dan de vrijgevigheid en goedhartigheid van Ma’roef, die wordt beloond door de ‘gedroomde’ karavaan uiteindelijk werkelijkheid te laten worden.  Wat zoveel wil zeggen als:  de ware rijkdom is de innerlijke rijkdom, die onuitputtelijk is.  Het is de menselijke goedheid die anderen ten goede komt.  Daarom is Ma’roef een geschikte huwelijkskandidaat voor de prinses, en de ideale opvolger van de koning.

Zo weerspiegelt dit sprookje ook de situatie van Sheherazade en het geheel van de Vertellingen van duizend en een nacht:  Sheherazade bezit niets anders dan de imaginaire rijkdom van haar fantasie (vgl. de karavaan van Ma’roef), die ze wegschenkt aan de sultan.  Daarmee weet ze hem zodanig te overtuigen dat hij haar ten slotte niet alleen het leven schenkt, maar haar bovendien zijn liefde verklaart.  De ware rijkdom is gedeelde rijkdom, en geldt dat niet bij uitstek voor verhalen, die immers bestemd zijn om verteld, dat wil zeggen: met anderen gedeeld te worden?

Dat soort rijkdom lijkt de evolutie-theoretici te ontgaan.  Het sprookje van Ma’roef laat zien waar de theorie van Boyd tekortschiet:  zijn wetenschappelijke benadering kan wel de functie van fictie verhelderen, maar niet de betekenis ervan.  Zijn evolutionaire benadering van fictie spreekt van ‘patroonherkenning’ – maar dat is iets anders dan het herkennen van symboliek.  Wetenschap streeft naar eenduidigheid, ondubbelzinnigheid.  Daarom is zij blind voor symboliek.  De representatieve taal van de fictie is daarentegen van nature dubbelzinnig en symbolisch.

 

Mij interesseren zowel de functie als de betekenis van fictie, maar hoe verhouden die twee dingen zich tot elkaar?  De functie van Sheherazade’s verhalen in De Vertellingen van Duizend en Een Nacht is duidelijk:  het uitstellen van de executie door het manipuleren van de aandacht van de koning.  (Dat komt overeen met Boyds theorie).

Maar de betekenis van de verhalen ligt op een ander vlak:  anders dan de functie, die aantoonbaar is in het sociale verkeer, is de betekenis van een verhaal iets veel complexers, en veel minder aantoonbaar omdat ze per individu kan verschillen en omdat de ene betekenis de andere niet per se uitsluit.  Voor zover zich uit de enorme hoeveelheid sprookjes van Duizend en Een Nacht een overkoepelende betekenis laat destilleren, zou ik zeggen dat het geheel één grote celebratie is van het vertellen:  het vertellen als verleiding, als waarschuwing, als geschenk, maar vooral als een middel om elkaar te leren kennen en waarderen.  Zoals ik in een eerder essay schreef, is de betekenis van deze sprookjes voor mij vooral dat ze de humaniserende macht van het vertellen demonstreren:  de verzoening met het vreemde en het andere.  Dat strookt meer met Bookers theorie, maar het sluit Boyds benadering niet uit.

Wat Boyd ‘patroonherkenning’ noemt, is dat niet hetzelfde als wat Booker de archetypische basisstructuur van zijn plots noemt?  Maar voor zoiets als symboliek is in Boyds theorie geen plaats.  Daarom blijft zijn benadering onbevredigend – vergelijkbaar met die van neurologen die op basis van hersenonderzoek vergaande conclusies menen te kunnen trekken over de illusoire waarde van gedachten of ideeën.  Ze vergeten gemakshalve dat ze zulke uitspraken alleen maar kunnen doen dankzij het bestaan van ideeën die, hoe illusoir ook, hun onderzoek mogelijk hebben gemaakt.

Misschien kun je het daarom nog het beste zo formuleren:  dat fictie de functies heeft zoals ze door Boyd worden beschreven, is te danken aan de betekenis van de patronen  zoals ze door Booker worden geïnterpreteerd (en die overigens ook anders geïnterpreteerd kunnen worden).

 

Die betekenis ligt namelijk niet vast, ze wordt steeds opnieuw toegekend door degenen die het verhaal horen of lezen, en de ene betekenis sluit de andere niet uit.  Zo wordt een verhaal naarmate het langer wordt doorgegeven en geïnterpreteerd, steeds rijker aan betekenissen.  Daarom kan de betekenis van een verhaal ook nooit wetenschappelijk worden vastgesteld.

Maar dat wil zeker niet zeggen dat die betekenissen er niet toe doen.  In tegendeel:  historisch gezien hebben ze de basis gelegd voor de ideeën waaruit religie, filosofie en wetenschap zijn voortgekomen.  Ze hebben ons leren denken.  En als we nu, dankzij die wetenschap, ook de bio-sociale functies van het vertellen van verhalen beginnen te doorgronden, worden de betekenissen die we erin kunnen ontdekken alleen maar waardevoller.  Overleven is één ding, maar wat zou dat leven waard zijn als we het niet, van binnenuit, konden bekleden met een weelde aan betekenissen?

Over de auteur:

Piet Meeuse (1947) is schrijver en vertaler. Hij vertaalde werk van Paul Valéry, Francis Ponge en Milan Kundera uit het Frans en van Hermann Broch en Hans Magnus Enzensberger uit het Duits. Zijn eigen werk verschijnt bij De Bezige Bij. Van 1982 tot 1991 was hij redacteur van De Revisor en van 2000 tot 2009 redacteur van Raster. In 2014 publiceerde hij de essayroman Het labyrint van meneer Wolffers.