thema:

Ondergronds

Vertaling:

I
 
Doodsbang rende ze over het spoor. Het schommelen van haar enorme buik van acht manen zwangerschap kon ze amper in toom houden.
Achter zich hoorde ze het geluid van een brekend bot. Ze hoefde zich niet om te draaien om te weten wat er gebeurd was. Twee grote stappen eerder had ze op een kapotte dwarsligger getrapt. Haar stiefzoon rende achter haar, en zijn voet was erin blijven steken.
Idioot. Hij liep vast uit de pas.
Tot vervelens toe was het herhaald: “In de pas blijven, degene voorop geeft de pas aan, niet uit
de pas raken, zodat er maar één is die gevaar loopt als je niet goed kunt zien”.
Zonder achterom te kijken wist ze dat hij met een gebroken been tussen de rails lag.
Ze hoorde hem kermen, kennelijk was hij niet buiten westen geraakt. Des te erger voor hem, hij zou de pijn moeten verdragen.
Een gedachte schoot door haar hoofd: haar mes. Ze had het aan hem gegeven om wat schimmels af te schrapen die boven groeiden, in de tunnel. Het was eigenlijk haar plicht, maar door haar buik was ze te zwaar om te klimmen.
En zo stond zij beneden toe te kijken hoe haar stiefzoon aan het plafond van de gang hing, toen ze de wolven hoorden.
Ze begonnen te rennen. En het stiefkind had haar mes gehouden!
Ze kon niet plotsklaps afremmen. Een hand dwarsbalken verderop slaagde ze erin vaart te minderen, om te draaien en weer terug te lopen.
De roedel was dichtbij, heel dichtbij, te dichtbij. Niet alleen was het gegrom te horen maar ook de poten tegen het spoor en de balken. Het waren er veel.
In het schemerdonker van de tunnel kon ze het geheven hoofd van de stiefzoon onderscheiden. Hij had haar gezien. Verdomme!
Ze moest terug. En de wolven waren dichtbij, heel dichtbij, te dichtbij.
Ze haastte zich zoveel ze kon, hoewel dat niet veel was. De jongen bleef maar naar haar kijken, op zijn gezichtje van amper zes merktekens was een ingehouden schreeuw te zien.
De afstand tot haar stiefzoon werd kleiner, maar die tot de beesten ook. Toen ze op amper drie dwarsliggers was, stak de jongen een hand uit.
Ze week uit en rende met haar voeten aan weerszijden van de rails. Ze begon in te houden. Toen ze dichtbij genoeg was om in het schemerdonker te kunnen zien, merkte ze dat het ongeluk erger was dan ze dacht: een wit bot stak uit de kuit van de jongen. Het moest veel pijn doen. En de geur van bloed had de dieren gek gemaakt.
Ze kon het niet laten hem aan te kijken. Hij was een geslagen hond die om vergiffenis vraagt.
Voorzichtig kwam ze dichterbij. Hij strekte zijn armen en probeerde zich aan haar vast te grijpen. Ze ontweek hem. Ze gaf een ruk aan de knapzak van hondenleer die hij schuin over zijn borst droeg. De riem gaf niet mee en door de ruk werd de jongen meegetrokken. Ze zag hoe hij een schreeuw onderdrukte.
Elke tel was een dwarsligger minder tussen hen en de wolven. Ze deed de tas open en onderdrukte de neiging haar hand er diep in te steken. Haar eigen mes was scherp als een scheermes. Als ze zich zou bezeren, ook al was het met handschoenen aan, zou de geur van het bloed een heel duidelijk spoor zijn voor de roedel.
Voorzichtig stak ze haar hand in de tas. Het geluk was met haar. Heilige Duisternis! Het eerste wat ze aanraakte was het heft. Ze greep het vast en trok het mes eruit. Ze zocht nog een keer en vond het steekwapen van het stiefkind. Ze stopte het in zijn hand.
Weer keek ze naar de ogen van de jongen. Ze zag angst, ze zag dat hij het had begrepen: hij was enkel nog aan het wachten tot hij eindelijk gedood werd.
Ze besloot dat hij haar levend meer tijd zou opleveren dan dood. Ze glimlachte naar hem en zette het op een lopen in de richting die tegengesteld was aan het wolvengejank, dat al dichtbij, heel dichtbij, te dichtbij, te horen was.
Ze hoopte dat de stiefzoon zou proberen zich te verdedigen, ze was er niet zeker van hoe lang hij weerstand kon bieden, maar voor haar telde elke seconde.
Het alfamannetje van de roedel zou stoppen en hem van voren aanvallen, terwijl de andere wolven dat van achteren zouden doen. De jongste dieren zouden maar heel weinig tijd nodig hebben om door te krijgen dat er niets van die prooi voor ze overbleef, en op dat moment zouden ze doorrennen om jacht op haar te maken.
 
 
II
 
 
Ze won aan snelheid. Haar buik schudde heen en weer op het ritme van haar stappen, sneller, steeds sneller.
Ze wist niet zeker waar ze was, ze had in pure wanhoop gerend. Het was te laat om te denken aan die eeuwig herhaalde zin van manwijf Grac: “Kijken in het schemerdonker, je oriënteren, dan pas rennen”.
Haar lot hing af van de staat van het spoor. Een plas, een kapotte dwarsligger, en zij en haar foetus zouden in de muil van de wolven eindigen.
Maar ze rende. Rende. Rende zo hard als haar lichaam het toeliet. Rende met het mes in haar hand. Ze hield het heft vast, hield via het heft de ziel vast van het kind dat ze ter wereld zou brengen.
Van dat lemmet had zij haar ziel gekregen, met dat lemmet zou zij die ziel overdragen aan haar nakomeling… als ze kon ontsnappen aan de roedel.
Hopelijk baarde ze een vrouwtje, zodat dat meisje de ziel zou kunnen behouden en de vrouwen met meer merktekens haar in de kringspelletjes van de stam zouden vertellen hoe haar moeder was ontsnapt aan de wolven, hoe ze het mes was kwijtgeraakt, hoe ze in de richting van de wilde beesten was gerend om het weer terug te krijgen, hoe ze het uit de knapzak van de stiefzoon had gehaald om de geest van haar dochter te behouden.
Hopelijk werd er een vrouwtje geboren dat zou opgroeien en paddenstoelen zou verzamelen met datzelfde mes, en dat mes nooit aan haar stiefzoon zou geven zoals zij had gedaan, zij die door die stommiteit nu bijna verslonden werd.
Hopelijk werd er een vrouwtje geboren dat zou opgroeien, en na haar eerste menstruatie zou deelnemen aan de Paringsceremonie, en het Applaus zou ontvangen omdat ze meteen de eerste keer zwanger raakte, en weer een vrouwtje zou baren dat ook Proc zou heten, zoals zij heette, zoals haar moeder had geheten, en zoals haar grootmoeder had geheten.
En zo zou op de muur onder de naam Proc nog eens dezelfde naam toegevoegd worden, onder die van haar grootmoeder, van haar moeder, van haarzelf.
Hopelijk zou ze die wolven overleven en kunnen baren, ook al was het een mannetje, want mannetjes hebben een andere ziel, die hun niet toestaat een mes te hebben. Ook al zou haar zoon een steekwapen hebben in plaats van een mes. Op dezelfde wijze zou hij die naam dragen, ook al was het met een o, hij zou Proc-o heten, hij zou haar zoon zijn, en haar naam voortzetten.
En als een vrouwtje haar mes verloor, zouden de ouden haar dat van haar geven, en die vrouw zou dan Proc gaan heten.
Of, als ze een Ruil hielden met een andere stam, honden tegen vrouwtjes, zou een van de nieuwe vrouwtjes de ziel van Proc krijgen, en haar naam.
En in al die gevallen zou de zoon die zij zou kunnen baren als ze erin slaagde te ontsnappen aan de wolven, dat vrouwtje gaan dekken bij de volgende paring.
En die nieuwe Proc zou haar geschiedenis bestuderen, die van haar moeder, die van haar grootmoeder. En ze zou haar verleden overnemen, ze zou een nieuwe grootmoeder hebben, een nieuwe moeder, ze zou weten hoe haar moeder rende en rende voor de wolven om de geest te redden die ze met dat mes aan haar doorgaf.
 
 
III
 
 
Een nog harder gejank bracht haar terug in de werkelijkheid. Bijna struikelde ze. Ze besefte dat denken haar hielp om sneller te rennen, zonder zich zorgen te maken over het gewicht van haar buik.
Zoals de oude Birm zei: “Angst komt uit het hoofd, niet uit het lichaam. Angst verlamt, verhindert je te rennen, te vluchten”. Verder vluchten, naar willekeurig welke plek ver van de wolven, ver van de tanden die zich vastzetten, die rukken, die gek worden door het genot van bloed, door de smaak van verscheurd vlees, levend losgerukt, vermalen op het geluid van de schreeuw, van de pijn.
Het was donkerder, ze zag amper wat er voor haar was.
Achter haar waren de muilen die haar lichaam zochten, haar buik, haar foetus die daarbinnen gevangen zat, zonder eruit te kunnen, haar foetus die zich niet kan verdedigen, die zich slechts kan laten doden door de wolven, door de honger van de wolven.
Dichtbij, heel dichtbij, te dichtbij, hoorde ze de poten van de wolven op het hout, tegen het metaal van de rails, op de kiezels tussen de dwarsliggers.
En de tunnel werd donkerder, zelfs nog donkerder dan de tunnels die ze kende, die om de zoveel meter een opening in het plafond hebben waardoor de zon naar binnen dringt, het licht van de zon, een licht waaraan je je niet moet blootstellen omdat het brandt; de zon verlicht maar verbrandt ook de huid, en veroorzaakt bulten in de oksels, in de liezen, over het hele lichaam.
In deze tunnel waren geen openingen, en ze kon nauwelijks verder dan vier of vijf dwarsbalken kijken, en de muren vertoonden geen enkele splitsing, geen teken van deuren die soms opduiken, met donkere kamers vol onbegrijpelijke voorwerpen.
Ze spande zich in om verder te kunnen zien. En nog wat verder. Ze ving een glimp op van een zwarte vlek, een eind verderop.
De tunnel kon ingestort zijn, de gang versperd. Dat kon niets anders betekenen dan een paar stenen om haar dood uit te stellen.
Het kon een bocht zijn, een bocht geeft altijd hoop.
Plotseling was de schaduw links van haar nog donkerder dan de rest. Drie of vier dwarsliggers breed. Ze dacht niet na. Ze minderde vaart.
Als het slechts een deel was van een nog donkerder wand, zou ze vlees voor de wolven zijn.
Ze slaagde erin stil te blijven staan en keerde om. Ze kon het gegrom al horen. Ze waren dichtbij. Heel dichtbij. Te dichtbij.
Een opening. Zonder licht. Ze tastte met haar voet: de diepte. Ze hield zich vast aan de zijkant om niet te vallen en tastte met haar hand, met haar voet: meer diepte.
Ze meende iets te zien, maar was daar niet zeker van. Ze keek naar achteren, naar het spoor. Daar waren ze.
De wolven.
Ze telde ze niet; een, twee, of meer, dat maakte niets uit, wat telde waren de tanden.
Ze sprong de diepte in. Met haar handen naar voren.

Over de auteur:

Het oeuvre van de Argentijnse schrijver Rafael Pinedo (1954-2006) bestaat uit drie romans en drie verhalen, in totaal amper vierhonderd pagina’s. Zijn eerste roman Plop werd in 2002 onderscheiden met de Premio Casa de las Américas, Frío was in 2004 finalist van de Premio Planeta Argentina. Subte verscheen postuum in 2012. In zijn werk reflecteert hij op wat hij zelf de ‘dood van de cultuur’ noemt. Met zijn dood in 2006 kwam een eind aan een veelbelovende literaire carrière die nog nauwelijks was begonnen.

Over de vertaler:

Melani Reumers (1967) is in april 2013 afgestudeerd aan de Vertalersvakschool als literair vertaler Spaans. Vertalingen van haar hand zijn eerder gepubliceerd in nummers van KortVerhaal en Terras; verhalen van Antonio Ortuño, Antonio José Ponte en Guadalupe Nettel en gedichten van Antonio José Ponte. Sinds kort schrijft ze ook, zowel in het Nederlands als in het Spaans. In januari 2014 verschijnt een Spaanstalig verhaal van haar in een bloemlezing van Aula de Escritores in Barcelona.