thema:

Over Anatoli Nikolajevitsj Gavrilov

Anatoli Nikolajevitsj Gavrilov (1946) werd geboren in Mariöepol, een havenstad in de Oekraïne bekend om zijn staalindustrie. Hij groeide op tussen de slakkenbergen, werkte als postbode en woont nu in Vladimir, tweehonderd kilometer ten oosten van Moskou. In 1978 voltooide hij het Gorki-instituut voor literatuur, dé schrijfopleiding van het land. Hij schrijft weinig, maar wat hij schrijft oogst bewondering in een kleine, trouwe kring. Op Wikipedia staat het zo: ‘Karakteristiek voor het minimalistische proza van Gavrilov zijn het ultiem laconieke van de literaire middelen, het absurdistisch groteske van de situaties en tegelijkertijd de unieke muzikale stijl. […]’
Gavrilov is een uiterst gevoelige man die scherp om zich heen kijkt en zaken die hem al dan niet bevallen genadeloos opschrijft. Geen man die eropuit is literaire vrienden te maken. Hij haat het literaire wereldje en vertoeft er zelden in. Hij zit goed in Vladimir, in een miniflatje waarin ik hem in 2008, samen met enkele schrijvers en tevens bewonderaars van zijn werk, mocht bezoeken.
‘Nu zul je eens het echte Russische platteland leren kennen. Nu is het gedaan met de moderne zegeningen van de hoofdstad. Nu trekken we de achterlijkheid in, vijfhonderd kilometer heen en terug, de kansen dat we het heelhuids halen, heen en terug, met mijn vijfje, schat ik op fifty-fifty’, waren de bemoedigende woorden van de jonge Russische schrijver Oleg Zobern die achter het stuur zat van het ‘vijfje’, zijn Zjigoeli (Lada) uit 1986 met traditionele barst in de vooruit.
Alles marcheerde voortreffelijk. Wat files op de ringweg van Moskou, dat wel, maar het oppikken van Dmitri Danilov daarlangs ging mirakels goed: toen we ons meldden bij de bushalte waar Danilov zou staan, stopte daar net zo’n vijfje als het onze, waar Danilov uitstapte. We tuften naar Vladimir. De weg lag er even stralend bij als het weer en na een kilometer of tweehonderd reden we voor in een super de luxe SPAR, waar we eten en drinken insloegen om de grote schrijver cadeau te doen.
Na ampel beraad kozen we voor een liter Flagman-wodka, vier koude halve liters Stella Artois, anderhalve kilo ‘dokters’-worst, een soort topkwaliteit boterhammenworst, en een ferm stuk Maaslander, of iets dergelijks. In één keer reden we op de flat van Gavrilov af, zonder iets te zien van de beroemde kathedraal ter plekke en werden buiten opgewacht door een zenuwachtig heen en weer lopende, slanke, met pet, spijkerbroek en kek jack uitgeruste schrijver met een getekend gelaat dat op meer dan zijn leeftijd wees.
Eenmaal in de flat werden we snel naar de werkkamer van de schrijver geloodst. Vrouw en dochter waren in de keuken bezig. Gavrilov haalde een opklapdis tevoorschijn en stalde zijn boterhammetjes met zalm, ingelegde paddenstoelen en augurken, twee soorten brood, een kan sap uit en, natuurlijk, onze wodka, bier, worst en kaas. Vier klassieke, geribde, wodkaglazen werden volgeschonken.
Gavrilov vertelde. Wat hij gedaan had in het leven. Hoe hij in Vladimir terecht was gekomen. Hoe hij het Gorki-instituut had gedaan. Hoe hij als schrijver nooit een poot aan de grond had gekregen voor de perestrojka. Hoe de beroemde Ljoedmila’s Petroesjevskaja en Oelitskaja hem te verstaan hadden gegeven dat zijn verhalen niet opportuun waren. Hoe dit en hoe dat. Geregeld werden de glazen hervuld.
Zo kwam het dat ik in 2010 een verzameling verhalen van Gavrilov mocht publiceren, getiteld En de zon komt op en 53 andere verhalen. Het voorwoord is van professor Aleksandr Michajlov, van het Gorki-instituut, die ik graag citeer: ‘Het werk van Gavrilov wordt hoofdzakelijk bevolkt door onaangepaste, weerloze, mislukte mensen, kortom, gewone sovjetmensen die eerder heel anders werden neergezet. De schrijver verwent ons niet met een keur aan achtergronden bij de beschrijving van het leven van zijn helden. Bijna al zijn hoofdpersonages zijn geboren in Slakkendorp, bij de Slakkenberg, ze wonen in een uit slakkenbeton opgetrokken flatgebouw, en hun stortbergen worden omringd door mijnen, schoorstenen, conussen en piramides van fabrieken.’
Gavrilov is een vrolijke pessimist, hij schrijft in een soort romantisch-filosofische telegramstijl. Hij is een prozadichter, een woordcomponist, de meester van de korte baan, al ben ik zelf ook een bewonderaar van de langere verhalen ‘Op de drempel van het nieuwe leven’, dat zo op toneel kan en vooral ‘Elegie’, over mannenvriendschap en de dood.
Dag in dag uit lopen Gavrilovs helden in de tredmolen van hun troosteloze bestaan, ‘zoals alle sovjetmensen’, maar desondanks leven ze in de verwachting van ‘iets onverklaarbaars’, hopen ze dat het hun vroeg of laat eens meezit en ze naar elders kunnen vertrekken, ergens een nieuw leven beginnen. Het is dan ook geen toeval dat een van Gavrilovs bekendste verhalen ‘Op de drempel van het nieuwe leven’ heet.
Dat nieuwe, andere leven is steevast aanwezig in het werk van de schrijver, in de verbeeldingswereld van zijn helden. De trieste personages, het sombere decor van zijn vertelling, de elementen van zijn naturalistische schrijftrant gaan in zijn proza op wonderbaarlijke manier samen met sentimentaliteit en tederheid, liefde eigenlijk, voor dit uiterlijk troosteloze, maar toch prachtige leven.
Bezien we tot slot het opgenomen verhaal ‘Mest’, een evocatie van een uitzichtloze Sovjettijd, maar ook van de condition humaine tout court – je kunt niet eens aan dierenstront komen, alleen er in wegzakken. Literair gezien is zo’n klein dingetje (in mijn vertaling 453 woorden, titel incluis) een meesterstuk: waar andere klein- of grootheden minstens tien- en soms honderdmaal zoveel woorden nodig hebben, kan Gavrilov het met nog geen halfduizend af. Lyrisch cynisme van de bovenste plank.

Over de auteur:

Arie van der Ent is vertaler Russisch (o.a. van werk van Viktor Jerofejev, Dmitri Danilov, Oleg Zobern, Ljoedmila Oelitskaja), mede-oprichter van uitgeverij Douane (waar hij ook de reeks Nieuwe Russen opzette) en initiatiefnemer en programmamaker van het Rotterdamse letterencafé Tsjechov & Co. Hij blogt op www.uitgeverijdouane.nl