thema:

Over het vertalen van de poëzie van Ken Babstock

Ongeveer tien jaar geleden kwam ik, in het kader van het toenmalige Poetry International Festival, voor het eerst in aanraking met de poëzie van de Canadese dichter Ken Babstock. Hij had zojuist zijn tweede bundel uitgebracht, Days into flatspin. Vooral het gedicht uit deze bundel ‘Carrying someone else’s infant past a cow in a field near Marmora, Ont.’ maakte grote indruk op me. Het kenmerkt zich door persoonlijke anekdotiek (de titel spreekt voor zich), het vermogen onvermoede werelden bij een voorstelbare dagelijksheid te denken, een ritmisch strakke, maar wel idiosyncratische vorm van telkens opnieuw aflopende, slinkende kwatrijnen en een lexicale rijkdom die een groot talig bewustzijn verraadt.
Sindsdien heb ik Babstocks ontwikkeling zo goed als dat gaat gevolgd. Enkele jaren geleden verschenen er vertalingen uit zijn vorige bundel Airstream Land Yacht in het Vlaamse tijdschrift nY. Inmiddels heeft hij zijn vierde, gelauwerde bundel Methodist Hatchet geschreven. Uit deze bundel stammen de gedichten die nu in vertaling in Terras verschijnen. Babstocks werk is in de afgelopen vijftien jaar niet wezenlijk veranderd. Nog steeds weet hij (op het oog) persoonlijke ervaringen met allerlei vreemds te associëren en hanteert hij een strakke, maar eigenzinnige vorm, die ik zo ongeveer ben gaan beschouwen als Babstocks gepersonaliseerde geloof in de poëzie. Binnen die vorm buitelen de beelden, gedachtes, ingevingen en invallen op beheerste wijze over elkaar. Wel is hij in de loop van de jaren steeds grilliger, associatiever, ‘wilder’ geworden. Van de anekdotiek blijft daardoor steeds minder over.

Canadezen, veronderstel ik, ervaren de ‘natuur’ op een heel andere manier dan Nederlanders. Misschien ervaren Nederlanders de ‘natuur’ helemaal niet omdat alle flora en fauna deel uitmaken van een gecultiveerd landschap. Wil een Nederlander de ‘natuur’ ervaren, dan moet hij op vakantie, op reis. Volgens Willem Kloos moet je er geloof ik vooral iets te drinken bij hebben.
Met ‘natuur’ bedoel ik dus zoiets als een ruimte die zich niet door mensenhand laat vormen, een ruimte die er gewoon is en waar mensen slechts met grote moeite kunnen overleven. Canada is een land dat grotendeels bestaat uit dergelijke ruimtes en de poëzie van Babstock getuigt daarvan. Hoewel het Engels, ook zoals de Canadezen dat gebruiken, zeer verwant is aan het Nederlands, maakt dit Babstocks werk fundamenteel anders dan dat van welke Nederlandse dichter dan ook. In Nederland moet  je op zijn minst dilettantbioloog zijn om een sleutelbloem, kooluiltje of een zandpad te identificeren. Deze woorden komen al snel gemaniëreerd over in het Nederlands. Ze behoren tot een zeer specifiek woordveld. Wie ze als dichter gebruikt, laadt al gauw de verdenking op zich een soort ‘natuurdichter’ te zijn. Dat hoeft niet het geval te zijn: de taal voor de natuur lijkt mij een claim op die natuur, een instrument om die chaotische natuur te beheersen, menselijk te maken.
Babstock is zeker geen natuurdichter, een boerendichter evenmin. Daarvoor getuigt zijn poëzie te zeer van het leven in de stad, bijvoorbeeld in een gedicht als ‘Het conservatisme in Adorno afhouden’. Echt een tegenstelling vormen stad en land in dit werk niet, omdat landbouw net als stedenbouw een manier van cultivatie is, van beschaving (denk bijvoorbeeld aan de landbouwer Robinson Crusoe). Stad en land delen hun dialectische verhouding tot de natuur. Zo kan Babstocks poëzie zowel grootsteeds als ruraal, zowel pastoraal als industrieel zijn. Natuur zou je dan als een toestand van chaos kunnen beschouwen. Die chaos loert. In ‘Het conservatisme in Adorno afhouden’ is de stad in allerlei opzichten onderhevig aan verval. De straathoek is aan het verpieteren (in het Engels staat er ‘festering’, dat meer ‘zweren’ en ‘etteren’ betekent, maar dat als hyperbool in het Nederlands wat mij betreft niet werkt), de tags op muren geven de buurt een verloederd karakter. Ook de regels waarin broodbakken als ambacht bedreigd wordt, duiden op verval.
In die stad, met behulp van google maps al snel te herkennen als Babstocks woonplaats Toronto, duikt ook Adorno op. En daarmee valt een ander kenmerk van Babstocks poëzie op, het intellectuele gehalte ervan. Meer dan in zijn eerste bundels verwerkt Babstock filosofische teksten (of zijn lectuur van filosofen) in zijn poëzie. De eigenzinnigheid waarmee hij de filosofie zijn gedichten inloodst draagt bij aan de complexiteit van zijn werk. Als lezer houd ik daar erg van, als vertaler ben ik er vaak door op de proef gesteld.
Dat geldt niet alleen voor de verwijzingen naar de filosofie van Adorno en George Berkeley (in ‘Avalon, Helikopter’), maar ook voor de manier waarop hij gebeurtenissen, ervaringen en producten van zijn arcadische (maar ook spartaanse) achterland Newfoundland (uit te spreken als: Newfunlèèn, met de klemtoon op de laatste lettergreep) verwerkt. Om de Newfoundlandse dimensie van een gedicht als ‘Avalon, Helikopter’ recht te doen, was het bijvoorbeeld nodig om de naam van die specifieke cola te behouden. Anderzijds heb ik ‘bog bikes’ doorvertaald (moerasracer), hoewel het hier volgens de dichter simpelweg gaat om quads, hier tamelijk zeldzame vierwielers die je nog wel eens op een Zuid-Hollands strand ziet. Maar omdat de dichter het woord ‘quad’ omzeilt, voelde ik me genoodzaakt een Nederlands alternatief te vinden. Enfin, van dergelijke afwegingen treft de lezer in de komende pagina’s het resultaat.

________________________

De vertaalde gedichten Het conservatisme in Adorno afhouden en Avalon, helikopter staan hier.

Jan-Willem Anker (1978), schrijver en vertaler. Recente publicaties: Donkere arena (poëzie, 2006), Wij zijn de laatste geliefden in de wereld (poëzie, 2009), Een beschaafde man (roman, 2012).

Over de auteur: