thema:

Over vliegvelden, of: Levenslessen van een niet-plaats

Enkele jaren geleden las ik op het vliegveld van Lanzarote, een van de Canarische eilanden, een aanzienlijk deel van George Perecs meesterwerk Het leven een gebruiksaanwijzing. Ik was blij dat ik me niet had laten misleiden door de reputatie van die roman als zijnde een vroeg, of zelfs ultiem, voorbeeld van de ‘postmoderne’ of ‘deconstructivistische’ roman en hem gewoon had meegenomen op vakantie. Het is weliswaar bepaald geen airport novel, maar bleek meeslepende verhalen te bevatten. En het maakte de titel ook nog eens helemaal waar.

Tijdens de vakantie had ik het boek niet uit gekregen, wat zeer goed uitkwam toen bleek dat we op de terugweg vast kwamen te zitten op het vliegveld. Ons vliegtuig had ‘s middags moeten vertrekken, maar het werd ver na middernacht; op een gegeven moment konden we de schoonmakers uitzwaaien. De vlucht bleef maar uitgesteld worden, tot groeiende ergernis van onze medereizigers, totdat ze op den duur murw waren en er over de vertrekhal een gelaten rust neerdaalde. Ondertussen ging ik op in Perecs hersenspinsels.

Na lezing van het essay Een week op de luchthaven van Alain de Botton kreeg ik spijt dat ik destijds de gelegenheid niet te baat had genomen om eens goed rond te kijken in de vertrekhal. De Bottons essay is een verslag van een verblijf als ‘writer in residence’ op vliegveld Heathrow. Je zou het een reisverslag kunnen noemen, ook al gaat hij juist niet op reis. Het is wat dat betreft vergelijkbaar met Xavier de Maistre’s Reis door mijn kamer, een reis die Maarten Biesheuvel ook al eens ondernam. Net als bij De Maistre zijn bij De Botton de ‘belevenissen’ onderweg steeds aanleiding tot min of meer filosofische beschouwingen.

Vertrekhallen, ‘de transportknooppunten van de moderne wereld’, bieden volgens De Botton bij uitstek de mogelijkheid ‘om discreet mensen te observeren, jezelf te vergeten in een zee van verscheidenheid en je fantasie de vrije loop te laten bij het eindeloze aanbod van flarden verhalen die via je oren en ogen tot je komen’. Ongeveer zoals de verteller in Edgar Allan Poe’s verhaal ‘De man in de menigte’ bespiedt De Botton enkele voorbijgangers en kiest er af en toe één uit die hij stiekem achtervolgt.

De Botton stuit al doende op genoeg materiaal voor wel tien boeken en concludeert enthousiast:

‘Als je een marsmannetje een plek [mijn cursivering, p.h.] zou moeten laten zien die een overzicht geeft van het scala aan thema’s waardoor onze beschaving wordt gekenmerkt – van ons geloof in technologie tot aan de manier waarop we de natuur verwoesten, van onze onderlinge verbondenheid tot aan onze romantische voorstelling van reizen – dan zou je vrijwel zeker uitkomen bij […] vertrek- en aankomsthallen.’

 

Let er op dat De Botton vertrek- en aankomsthallen plekken noemt. In navolging van de Franse antropoloog Marc Augé beschouwen de meeste cultuurwetenschappers vliegvelden in het algemeen als zogenaamde ‘niet-plaatsen’ bij uitstek. Augé c.s. zijn het wel met De Botton eens dat vliegvelden kenmerkend zijn voor onze beschaving. Vliegvelden, zou je kunnen zeggen, zijn symptomen van de postmoderniteit – Augé maakt in dit verband zelfs gewag van een ‘supermoderniteit’ of ‘hypermoderniteit’ (surmodernité).

 

Augé deed aanvankelijk, zoals het een antropoloog betaamt, onderzoek in niet-westerse werelddelen, maar legde zich later juist toe op de hedendaagse en alledaagse westerse cultuur. Zo verrichte hij antropologisch veldwerk in Parijse parken en de metro. Hij ging zich uiteindelijk toeleggen op de zogenaamde globalisering, een voor antropologen nogal ongemakkelijk onderwerp, gewend als ze zijn verschillen te bestuderen. Antropologen onderzoeken volgens het cliché ‘vreemde volkeren’, maar die lijken niet meer te bestaan, alles is ‘normaal’ geworden. Augé onderzoekt nu de normen voor dit ‘Nieuw Globaal Peil’.

Beroemd werd Augé met het boek(je) Non-lieux. Introduction á une surmodernité uit 1992, hoewel hij pas – als dat geen bewijs is van globalisering, weet ik het ook niet meer – academische wereldfaam verkreeg met de Engelse vertaling van dat boekje in 1995: Non-places… In Raster 106 (‘De plek’) vertaalde Piet Meeuse een fragment uit Augés Non-lieux. Aan de hand van snelwegen legt hij daarin uit wat hij bedoeld met ‘non-lieux’ (Meeuse vertaalde dat overigens met ‘vrijplaatsen’). Kort gezegd kenmerkt een snelweg zich erdoor dat hij de gebruikers niet naar een plek toe leidt, maar langs plekken – snelwegen zelf leiden nergens heen. De snelweg zelf is een soort niemandsland, een ‘nergens’: een niet-plaats. Op een soortgelijke manier beziet Augé vliegvelden: als je landt op Schiphol, ben je eigenlijk nog niet ergens. Schiphol is niet de plaats van bestemming. Het heet dan wel ‘aankomsthal’, maar aankomen doe je er niet, je passeert. Op niet-plaatsen worden mensen passagiers.

Ook in de (zeer omvangrijke) bloemlezing Dat is architectuur. Sleutelteksten uit de twintigste eeuw is een fragment van Augé over niet-plaatsen opgenomen.    Daarin is deze poging tot definitie te vinden: ‘Als men kan zeggen dat een plaats wordt gedefinieerd door de identiteit, relaties en geschiedenis van zijn bewoners, dan moet een ruimte die niet in termen van identiteit, relaties of geschiedenis gedefinieerd kan worden, de definitie zijn van een niet-plaats.’

Het academische geworstel met definities achter mij latend, zou ik willen zeggen dat Augé het heeft over tefal-architectuur, anti-aanbak-vormgeving: er zijn geen sporen van leven te vinden en het is ook onmogelijk die achter te laten, of althans niet de bedoeling. Niemand is aan deze ruimtes, op de een of andere manier, letterlijk of figuurlijk, gehecht of ermee verbonden. Zoals een plek altijd een soort ‘lieu de memoire’ is, is een niet-plaats een ‘vergeetplek’.

Wat moeten we ons concreet bij een niet-plek voorstellen? Dat is, als ik het goed begrijp,  eigenlijk verrassend eenvoudig, ze zijn volmaakt verbeeld door Edward Hopper in schilderijen zoals ‘Hotel lobby’, ‘Compartment C, Car 193′, ‘Gasstation’ en natuurlijk ‘Nighthawks’ . Het gaat kortom om anonieme doorgangs- en verblijfruimtes zoals hotels, lobby’s, treinen (‘Compartment C, Car 193′), ziekenhuizen en treinstations.

Volgens Augé komen er steeds meer niet-ruimtes bij. Hij lijkt te vrezen dat de hele wereld een grote niet-plaats word. In dat verband spreekt hij van ‘supermoderniteit’, wat als het ware de keerzijde is van het postmodernisme. Dat postmodernisme had iets uitdagends en vrolijks, maar Augé zag al vroeg de donkere kant ervan. Hij ziet (in de vertaling van Meeuse) wel dat ‘de “vrijplaats” degene die haar betreedt [bevrijdt] van zijn vertrouwde eigenschappen’, maar ook dat ‘de ruimte van de “vrijplaats” geen bijzondere identiteit [schept], noch een relatie, maar slechts eenzaamheid en gelijkvormigheid.’ Ook dat, vooral die eenzaamheid, is goed te herkennen op de schilderijen van Hopper.

 

Vlakbij het fragment van Augé over niet-plaatsen staat in de bloemlezing Dat is architectuur een fragment van Rem Koolhaas. Dat is aardig, het gaat mijns inziens over ongeveer hetzelfde onderwerp, maar dan totaal anders gezien. Die bloemlezing is chronologisch samengesteld en de tekst van Koolhaas is een fragment uit het monsterdikke boek S,M,L,XL uit 1995.

Koolhaas was toen al lang geen Nederlander meer, laat staan een Nederlandse architect. Hij was toen zelfs al geen ‘New Yorker’ meer, ook die stad was hij ontgroeid. Sindsdien is hij niet zozeer wereldburger, dat zou te burgerlijk klinken, maar bezoeker, passagier … een van die vele wereldwijd opererende ‘vliegtuigmensen’, zoals journalisten, schrijvers, beeldend kunstenaars, architecten, dj’s, muzikanten, die min of meer wonen in vliegtuigen.

De sombere, of althans bezorgde, visie van Augé vindt zijn spiegelbeeld in het overdreven en eigenlijk cynische optimisme van Koolhaas. In zijn eerdere boek Delirious New York vierde Koolhaas als het ware de stad New York – in S,M,L, XL, viert hij het einde van de stad in het algemeen. Hij danst op het graf van de stad, van de idee stad. Koolhaas’ enthousiasme werkt aanstekelijk. Als een standwerker, of beter gezegd: als zo’n hysterische verkoper in shopping-tv programma’s, brengt hij zijn ‘teflon-architectuur’ aan de man. Hij stelt even retorische als gedurfde vragen:

‘Wat zijn de nadelen van identiteit en, omgekeerd, wat de voordelen van een blanco-conditie/wezenloosheid? Wat indien deze schijnbaar toevallige – en meestal betreurde – homogenisering een gewild proces was, een bewuste beweging: weg van het verschillende, op weg naar het gelijke? Misschien zijn we getuigen van een wereldwijde bevrijdingsbeweging onder het motto ‘weg met karakter’!’.

 

Zoals mensen zich zullen bevrijden van hun karakter en identiteit, zo zullen hele steden zich volgens Koolhaas bevrijden van alles wat hun identiteit of karakter bepaalt: hun geschiedenis, hun centrum, enzovoorts. De ‘generieke stad’ is overal en nergens. Nergens zijn nog plekken te vinden, onze hele leefwereld is een grote niet-plek geworden. Mensen zijn wel op reis, maar niet meer ergens naar toe … ze zijn gewoon op reis. Koolhaas concludeert dan ook dat planning dood is: de generieke stad is niet te plannen, ze groeit niet eens, ze woekert. Het hele idee stad is ingehaald en achterhaald door de praktijk van de alsmaar voortwoekerende stad. Het probleem stad is opgelost, als een klontje suiker in de thee: even roeren … en foetsie!

 

Perecs roman Het leven een gebruiksaanwijzing is geen roman in de zin van een samenhangende vertelling. Het is het tegendeel daarvan: een collage van talloze verhalen en verhaaltjes. Het boek beschrijft een huis, een Parijs’ pand met vele appartementen. Perec beschrijft al die appartementen en alle vertrekken en ruimtes in het pand, van het portaal en de lift en het trappenhuis tot de kelder en de zolder. Daarom, vanwege dat fragmentarische karakter, zou het een postmoderne roman zijn. Ik lees het eerder als één lange poging tot defragmentatie, tot ontkenning van het bestaan van niet-plaatsen.

Perec beschrijft alle ruimtes zonder onderscheid in hiërarchie, een zolder of opslagruimte kan net zo belangrijk zijn als een slaapkamer. Omdat hij de vertrekken bovendien vaak nogal neutraal, afstandelijk beschrijft, lijkt het misschien alsof het hele pand één grote, onpersoonlijke niet-ruimte wordt. Ik wil echter benadrukken dat wat hij doet toch vaak bestaat uit het laten zien hoe de bewoners overal hun onzichtbare sporen hebben achtergelaten. Perec laat die sporen als het ware als een CSI-detective met een speciale lamp oplichten. Ondanks alles vertelt Perec ‘gewoon’ verhalen, verhalen die op een of andere manier verbonden zijn met het betreffende vertrek en hoe neutraler (on-romantischer) hij dat doet, hoe sterker ze worden.

Perec beschrijft nauwkeurig wat er in de verschillende vertrekken te vinden is, wat er gebeurd is, wat voor sporen er nog te vinden zijn en welke zijn gewist. Al doende beschrijft hij niets meer of minder dan de betekenis die een gebouw of vertrek, soms toevallig en soms doelbewust, soms gewild en soms ongewild, krijgt. Hij beschrijft volgens mij zodoende hoe een ruimte onvermijdelijk een plek wordt.

De niet-plaats is een utopie, letterlijk; Thomas More schijnt althans de naam van zijn fantasie-eiland Utopia te hebben gevormd naar de Oud-Griekse samenstelling ‘ou-topos’, niet-plaats. Een niet-plaats is misschien wel denkbaar maar niet realiseerbaar. Geen materiaal is zo slijtvast dat het het gebruik door mensen kan ondergaan zonder dat dat sporen of herinneringen achterlaat, laat staan dat het onze verbeelding kan weerstaan. Gebruikers zullen sporen achterlaten en ze weer opsporen; ze zullen er betekenis aan toekennen en zodoende een plek maken. Zoals de Franse klimmer Alain Robert (‘spiderman’) de allerhoogste gebouwen met schijnbaar ongenaakbare gevels beklimt en zodoende bedwingt, zo weten mensen zich te hechten aan hun omgeving en er zodoende zowel betekenis aan te geven als aan te ontlenen.

Al met al lijkt me er dan ook noch grond te zijn voor het optimisme van Koolhaas, noch voor het pessimisme van Augé. De Botton kijkt terecht anders tegen de architectuur van ‘zijn’ vertrekhal aan, op een manier die helaas maar al te zeldzaam is. Menigeen zal zelfs niet willen spreken van architectuur. Maar de constructie van het dak is voor De Botton aanleiding voor een hem typerende overweging:

‘Het dak van het gebouw weegt achttienduizend ton, maar de stalen pilaren die het schragen doen nauwelijks vermoeden onder hoeveel druk ze staan. Ze zijn toegerust met een ondercategorie van schoonheid die we elegantie zouden kunnen noemen en die zich telkens voordoet wanneer architectuur zo bescheiden is niet de aandacht te vestigen op de moeilijkheden die ze heeft overwonnen. Op hun spitse nek dragen de pilaren het vierhonderd meter lange dak alsof ze een linnen baldakijn omhooghouden, waarmee ze ons een metafoor aanreiken voor de manier waarop ook wij ons tot onze lasten willen verhouden.’

 

Met een beetje goede wil kunnen dus zelfs aan vertrekhallen karaktervormende levenslessen onttrokken worden. De Bottons essay zou kunnen dienen als eigentijds encheiridion, een zakboekje of handleiding voor het postmoderne leven – een soort bijlage bij Perecs Het leven een gebruiksaanwijzing. De strekking is trouwens niet echt verschillend van het klassieke werkje van Epictetus: we moeten leren onze lasten te dragen zonder er al te zeer onder gebukt te gaan.

 

Link: Marc Augé Vrijplaatsen (fragment)

Over de auteur: