thema:

Paki half-cooked. Nieuwzeelandse notities

Vertaling:

Op 6 juni 2012 stonden de aarde, de zon en Venus precies in één lijn, een zeldzaam gebeuren want de volgende Venusovergang zal plaatsvinden in december 2117. Venus schuift dan als een klein zwart schijfje over de zon. Voor de Māori in Nieuw-Zeeland heeft het verschijnsel een rituele betekenis. Drie Duitse dichters reisden in juni naar het land dat de Māori Aotearoa noemen. Een van hen, Brigitte Oleschinski, schreef er de volgende paki (Māori voor verhalen, anekdotes, praatjes, verzinsels)..

 

 

Voortdurend ben ik geruchten

op het spoor, of mijn geheugen beschouwt als geruchten wat ik toch al beleefd heb, aanwezig of, of tenminste opgezocht, maar voortdurend verdwijnt het beleefde, het besefte, alsof het me ontgaan is. Volgens een gerucht het Zuiderkruis gezien; in welke sterrenklare nacht dan. Blauwgroen. Groenblauw. Een Venus met groene lippen. Wat ze zei: dat de inkt zwart is waarmee ze hun moko´s geprikt krijgen. Maar in het Maori-DNA zit dus een enzym dat de huidtekens later groen kleurt. Groenblauw. Blauwgroen. Vervolgens donkerblauw water langs de kuststrook, van boven zien de zacht geplooide hellingen van de heuvels er lichtgroen uit, smaragdkleurig, we vliegen in een twaalfzitskano.

 

 

Alleen het wit van de ruimte

boven ons, buiten en binnen, op een vroege winterdag zie ik, misschien, de morgenster boven de glazen ribben waaronder het donkere zwembadwater klotst. Het bassin plakt op het have hoogte tegen de hotelmuur als een hangbuikzwijn. Zeer warm water onder reuzenvarens en cabbage trees, rondom ruist de regen, het kiwi-Engels ruist in je oor. Alleen dat Alien, alsof hij vandaag doof is, niet met me praat. Of ik hoor hem niet. Een ander gerucht was nog helemaal niet klaar; de kunstenares liet me zien wat ze aan het uitpakken was: japonnen, kostuums. Gemodelleerd naar de vroege ontdekkers en kolonisten, doorkruist met Māori-stoffen en Māori-patronen. Veerkleuren. Vlaskleuren. Rode bloesem, geborduurd, aan hun bomen zat ik ze trillen als pelsdiertjes. Dan loopt over de vloer een ingelegd lint van paua-schelppen, het scheidt tijdlagen en informatieborden. Een tafelmes, een papiermes en een schelpenlemmet kammen in een halve cirkel strengen vlas uit. Het spoor van de toverspreuken gaat in het video-gemurmel verloren. Alien, fluister ik. Geen antwoord.

 

 

De eerste planeet

al geruïneerd!, hoor ik me buiten zeggen, een vage melatoninewaarde onder het witte, witte licht. Voor het geval het de eerste planeet was. Bij de receptie werkt weer de lange zwarte jas; er wordt niet verwarmd. We zien een houtsnijman met hoofd en hals in een vulva verdwijnen. My mum rolled two beer bottles together for a pillow, vertelt de artefacten-expert . Als geen passende steen te vinden was als kussen. Vulva. Venus. Nee, ook de gloedrode zonneschijf niet met eigen ogen gezien. Die ene, dwalende pupil. Zweert een bril in Berlijn, dat toch. Fatale poging van de houtgesnedene om van de dodengodin de onsterfelijkheid te stelen. Dat weet de mythen-expert. Māui, die ooit Aotearoa uit zee viste en de zon opving. Maar verder gaan we niet!, op z’n ergst dit ene zonnesysteem. Zweer me, Alien, verder niet.

 

 

Wegen tenminste doet hij

niets, niet in de vrachtbuik,  niet in de handbagage, hij vloog onder of boven ons, de volledige twintigduizend kilometer in een enkele gedachte. Binnen zaten we, lang gestrekt zilveren lijf dat de datumgrenzen overschrijdt, lettergrepen proestend lange-afstandslijf, en bewoog zich richting lange witte wolk, Ao-tea-roa, maar dat dacht ik nog niet, ik dacht alleen, met mijn kinderstem, -zeeland …, -zeeland … – De Plejaden niet gezien, wide asleep, waarmee het jaar hier begint. Daarvoor in de plaats bij het naderen het geruis van de Venuswinden. Daar reed ik de toegangssluis mee in, een doorzichtige hemelbol van galactisch vel. Hoe lang ze daarop hebben zitten rekenen. Alleen het culturenverbruik, en steeds weer nieuwe oersoeptabletten. De Venuswinden dragen me verder dan elk ander gerucht. Aan de rand prairiegras dat zijn naam tjilpt, achter de verlopen termietenheuvel. De blauwgroene kustlijn, nog geen fractie van een lichtseconde oud. En in parsec nog wat jonger.

 

 

Ook de kleren

vliegen, ze blaffen een beetje van binnen en waaien, fladderen, zeilen. Lang zijn de twee eilanden zonder zoogdieren gebleven, alleen een stel vleermuizen waren in deze eenzame streken beland. Alles had veren of schubben, of pantsers, schaal, schild. Toen legden de kano´s aan, honden en ratten gingen mee aan land. Dierenzielen. Boomzielen. Vreemde godenfamilies installeerden zich. Met hen vermenigvuldigen zich afstammelingen, namen en gezangen, dingzielen. De inheemse vogels bevielen de mensen niet. Vaak ook bevielen de mensen de mensen niet. – Maar nu op naar het wit van de kosmis!, zegt mijn alien. Ter afleiding, want juist daarnet stootte ik met mij  tenen tegen een  handjevol dode veren, een zo te zien slapende mus waarop een stoet mieren overheen trekt. We struikelen in de Tolaga-baai al over elkaar, lettergrepen en stekgoed, blind achter zwarte brillen. Ook de brillen blaffen, binnen.


 ________________________

Brigitte Oleschinski (1955). Recente publicaties: Reizstrom in Aspik. Wie Gedichte denken (2002), Argo Cargo (essay, 2003), Geisterströmung (poëzie, 2004).

Ton Naaijkens (1953), vertaler en essayist. Hoogleraar Universiteit Utrecht Duitse literatuur en vertalen. Redacteur Armada en Filter. Binnenkort verschijnt Ernst Meister, Alle schepen kenteren.

 

Over de auteur:

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.