thema:

Pensée de midi

Ik was acht en Camus op Samos. Een ongrammaticale samentrekking die alles omvat.

Toen ik vroeg in de middag uit school kwam scheen de zon. De vochtige noordenwind van de voorafgaande dagen had, zoals ik het nu zou formuleren, eindelijk ruimte gemaakt voor een milde zuid-zuid-westelijke stroming. De linden in onze straat stonden weer zoet zoemend te geuren. Het zou niet heel lang meer duren voordat de zomervakantie aanbrak. Ik was braaf en vlijtig geweest met taal- en rekenwerk, om zo ongestoord mogelijk mijn gang te kunnen gaan, dat wil zeggen, om me zonder vragen en verwijten voor- of achteraf te kunnen onttrekken aan het toezicht van mijn oma en mijn moeder. Want dat was mijn opperste genot: verdwenen zijn uit de ogen van volwassenen, en ook uit die van leeftijdgenootjes, en daarbij eigenlijk alleen zelf te weten dat ik voor hen niet meer bestond. Dan kon ik echt opgaan in de gewaarwordingen waar ik nu, vijfenvijftig jaar later, nog altijd uit kan putten.

Ach, wat kon er ook met een achtjarig jongetje gebeuren in zo’n rustige kleine plaats als die waar wij woonden? Vaak was ik gewoon al achter het bakstenen hondenhok op mijn hurken gaan zitten. Bij de ingangsdrukte van een onderaards mierenverblijf. Of om de gekartelde blaadjes en zowel de kleine, nog geelgroene als de forse rode schijnvruchten van de aardbeiplanten van dichtbij te bekijken. Of om te volgen hoe een springspin zich schoksgewijs in een dahliabloem posteerde. Natuurlijk wist, want zag ik toen ook al dat de natuur leeft van het doden van het leven in de natuur. Rode mieren konden zwarte de kop afbijten. De springspin besprong onnozele vliegjes om die uit te zuigen. Vanuit onze achtertuin kon je toen nog helemaal doorkijken tot de muur van de begraafplaats. Mijn opa lag sinds twee jaar tussen de bomen in de aarde erachter.

Ik kon achter de begraafplaats door het hoge gras gaan lopen om veldsprinkhanen te zien wegtjoepen of een grote groene sabelsprinkhaan te ontdekken en wel uit te kijken om hem niet met mijn handen te pakken omdat hij me met zijn scherpe vleugels zou kunnen snijden.

Op die donderdagmiddag van 19 juni 1958 trok de zee me echter, omdat die dagen achtereen onstuimig was geweest en me nu in de zon zou laten zien wat ze zoal aan land had gebracht.

Bovendien was de zeekant het domein waar men mij het minst zou vermoeden. In het geheel niet zelfs. Het zou nog vier jaar duren voordat het mijn vader lukte om zijn fabrieksoverall voor eens en altijd ten behoeve van wat tuinwerk op zaterdagen in het schuurtje te laten hangen, en in pak, met een stropdas om, per auto winkels te bezoeken om er bestellingen voor tabaks- en zoetwaren op te nemen. Met die Ford Consul van de firma zijn we toen op een zondag twee honderd kilometer heen gereden om voor het eerst de zee te zien. De bruine Noordzee wel te verstaan.

Ik had er niets mee. Ik had al jaren mijn Middellandse, preciezer, mijn Egeïsche Zee. Dat mag vreemd overkomen, maar zoals er mensen zijn die, zoals zij dat zelf plegen te zeggen, in een verkeerd lichaam zijn geboren, ben ik op een verkeerde plek geboren en getogen. Als kind besef je dat uiteraard nog niet. Pas als je volwassen wordt, dat wil zeggen, wanneer anderen je vorm bepalen, je de vorm die hun goeddunkt opleggen om je erin vast te gespen als in een dwangbuis, merk je dat je altijd al anders bent geweest dan degene voor wie men wil dat je doorgaat.

Ik benijd de mensen niet die in een verkeerd lichaam zijn geboren. Ik moet er niet aan denken wat voor ingrepen zij moeten ondergaan om zich psychisch weer enigszins op hun plaats te kunnen voelen.

Als persoon die op de verkeerde plek is geboren, heb je het heel wat makkelijker. Nergens voor nodig om een snor af te scheren of juist te laten staan, om op hoge hakken te moeten leren lopen alsof het de normaalste zaak ter wereld is of in het vervolg te willen worden aangesproken als Chris in plaats van Tina. Niemand die het je aanziet, je erop aanspreekt of je er zelfs om schoffeert.

Het was pas vrij laat dat ik besefte waar ik dan eigenlijk geboren moest zijn. Ik was vijfenveertig toen ik voor het eerst het eiland Samos bezocht. Toen ik daar in het kustplaatsje Ireon kwam, wist ik het op slag. Beter: ik herkende het ogenblikkelijk. Wat niet wil zeggen dat ik er werd herkend door deze of gene van de plaatselijke bevolking. Zo werkt dat uiteraard niet. Bovendien sprak ik de taal niet eens.

 

In elk geval slenterde ik er op donderdagmiddag 19 juni 1958 over het strand. Ik vond enkele mooie schelpjes, blauwe, groene, die ik aandachtig bekeek en weer in het zand liet vallen. Ik zag de wazige silhouetten van enkele andere eilanden van onze archipel. De tamarisken bloeiden stoffig roze. Een krabbetje was tussen de blauwe zeedistels aan de rand van een haverveldje terechtgekomen. Het bleek nog te leven. Ik zette het voorzichtig terug in het water waar het met enkele kleine kabbelhalen door werd opgenomen. Verderop, dichter bij het kuststraatje met de twee taveernes, liep een fraai glanzend krielhaantje. Ik liep er voorzichtig op af. Het beestje liet zich zelfs even over zijn ruggetje strelen. Toen ik het wilde oppakken fladderde het luid protesterend weg. Parmantig liep het daarna voor me uit, als om me voor te gaan naar iets.

Ik verloor het beestje uit het oog toen ik dorpskinderen bij elkaar zag staan voor een van de terrasjes. Ze waren een en al aandacht voor een gezelschap dat zich te goed deed aan salades, geroosterde kip en gestoofd vlees, zoals wij dat hoogstens op zondag kregen. Drie mannen en drie vrouwen zaten bij elkaar aan een tafel, terwijl twee andere mannen aan een apart tafeltje zaten. Die twee hoorden wel en niet bij het zestal, ze waren duidelijk van het eiland. Wat de anderen lachend met elkaar bespraken kon niemand begrijpen. Af en toe werd er een woord naar ons geroepen. Meestal een woord dat weliswaar leek op iets van hoe wij spraken, maar dat heel raar klonk. Dan moesten wij zelf ook lachen.

Er werden foto’s over en weer gemaakt, en ook de restauranteigenaar kwam even met zijn toestel voor de dag.

Een van de vreemdelingen scheen bijzonder gecharmeerd door Stamatia. Maar wie was dat niet? Als ik ooit verliefd zou worden, had ik me voorgenomen, dan zou dat op Stamatia zijn, al was de kans klein dat de verliefdheid wederzijds zou worden, alleen al door het feit dat ze een paar jaartjes ouder was dan ik.

De vreemdeling met het meest zuiderse gezicht wenkte haar met een gebaar dat we niet kenden, dus waarop Stamatia reageerde met slechts verlegenheid, wat haar nog bekoorlijker maakte. Toen liet hij de chef van de taveerne vertalen wat hij van haar wilde weten: haar naam.

Ik weet niet hoe lang we daar zo gebiologeerd hebben gestaan, maar toen men in twee auto’s was gestapt, liep Stamatia nog naar een van de wagens, met uitgestoken hand, en een uitdrukking op haar gezicht alsof ze iets ging verliezen wat ze ooit nog echt zou moeten gaan krijgen en bezitten.

Toen de auto’s waren weggereden zei de taveernechef met een gewichtige stem en een extra vooruitgeschoven buik, dat een van de vreemdelingen een zeer bijzondere man was. Die met het zuiderse gezicht vanzelfsprekend. En Stamatia bekeek en draaide haar rechterhand.

‘Matina!’ klonk het galmend uit een gebiedend zijstraatje.

Toen zij was weggehold, naar haar moeder, heb ik me ook naar huis begeven. Nee, ik heb thuis niets over het voorval verteld. Mijn ouders en oma wisten niet eens dat ik eigenlijk op een eiland woonde.

 

Wie weet had ik me het voorval nooit meer herinnerd, als ik me een jaar geleden niet zo in het werk van Albert Camus was gaan verdiepen, dat ik na zijn romans en beschouwingen, zelfs zijn dagboeken wilde lezen.

Sinds mijn ontdekking van mijn ware geboortegrond, bezoek ik het eiland Samos zeker twee keer per jaar voor een paar weken. Ondanks het sterk toegenomen toerisme, voel ik me er meer thuis dan in de plaats waar ik volgens mijn paspoort het levenslicht zag, want wat daar aan concreet verleden is geruïneerd is godgeklaagd.

Zo zit ik hier ook dit jaar in juni dus op het terrasje van mijn appartement aan de zuidkust – als je goed kijkt, kun je daar, in zuidwestelijke richting, de witte, enige nog overgebleven zuil van het Heraion boven de olijfbomen zien uitsteken, en verder daarachter, die bebouwing aan de kust, dat is Ireon. Wat ik lees is een uitgave van de Carnets van maart 1951 tot december 1959.

Dat Camus het Griekse idealiseerde, was me al bekend. De Grieken waren volgens hem een gelukkig volk ‘omdat ze geen geschiedenis hadden’. ‘Het Griekse denken,’ schrijft hij in ‘L’exile de Hélène’, ‘heeft zichzelf steeds teruggevoerd tot het idee van de begrenzing. Het heeft niets op de spits gedreven, het sacrale noch de rede, omdat het nooit iets heeft geloochend, het sacrale noch de rede. Het heeft alles in zich mee opgenomen, de schaduw in balans brengend met het licht.’

En dan wordt het 9 juni 1958. Een half jaar tevoren heeft koning Gustaaf VI hem in Stockholm de Nobelprijsoorkonde overhandigd.

‘Weer naar Griekenland,’ noteert hij die dag slechts. Hij bezoekt even de Acropolis en vliegt spoedig door naar Rhodos. In de vroege middag van 11 juni is hij al op Lindos, in gezelschap van de actrice Maria Casarès, en met zijn uitgever Michel Gallimard en de schilder Mario Prassinos met hun vrouw. Terug via Rhodos gaat het in de erop volgende dagen naar Simi, Kos, Leros, Patmos.

Op dinsdag 17 juni vaart de boot van Patmos richting Agathonisi, door Camus Gaidaros, ezelseiland, genoemd. Maar de zee is vreselijk ruw, iedereen aan boord wordt zeeziek. Er wordt derhalve koers gezet naar Fourni. Daar wordt beschutting gezocht in een kleine eenzame baai. Wanneer de storm eindelijk afneemt is het te donker om nog te gaan varen. ’s Nachts begint het opnieuw te spoken, en bijna de gehele volgende dag moet er verder worden gewacht. Tegen zes uur besluit men het erop te wagen. Om halfnegen ‘komen dan de lichtbakens van Tigani (het oude Samos) in zicht. De rustige kleine haven is een weldaad, na de woelige zee,’ lees ik.

Die avond en nacht zijn ze dus in het huidige Pythagorio, zoals Tigani toen pas enkele jaren werd genoemd.

De volgende ochtend neemt hij in zijn eentje een duik in de gekalmeerde zee. Daarna gaat het kleine gezelschap met een paar auto’s toeren. ‘Een van de mooiste eilanden,’ vindt Camus, ‘vanwege de weelde aan olijfbomen en lintvormige cipressen waarmee de deels naar zee aflopende hellingen van de heuvels en bergen zijn getooid.’

’s Middags gaan ze eerst samen zwemmen, om vervolgens te eten. In een dorpje aan de zuidkust.

Ireon!

Het kan niet anders. Want wanneer ze daarvandaan in de namiddag zijn vertrokken, bezoeken ze het Heraion, ‘de tempel die als door de bliksem is getroffen, waarvan de enorme brokstukken aan de kust tussen riet en haver verstrooid liggen in een prachtig landschap van bergen en zee, en waar ze door latere aardbevingen nogmaals werden geteisterd. In een café niet ver ervandaan,’ schrijft Camus, ‘trakteren onze chauffeurs ons op een drankje, en ze beginnen te dansen op muziek uit een radio, tot hun eigen en onze pret.’ Maar voordat het zover is, voordat er wordt gedanst en voordat de ruïnes worden bezocht, zijn wij er, is Stamatia er, ben ik er…!

Hij noteert eerst dat ze aan een tafel buiten eten. En dan: ‘Om ons heen spelen allerlei mooie kinderen, die dan naar ons komen staan kijken. Een van de meisjes, Matina, met goudkleurige ogen, raakt mijn hart. Wanneer we weggaan, komt ze naar onze auto, en ik pak haar kleine hand.’

 

Anderhalf jaar later, op maandag 4 januari, wordt het hele noordwesten van Europa bedekt door een grijze deken van zware, laaghangende bewolking. Tegen twee uur ’s middags, zit ik in het lokaal van klas vijf onder toezicht van meester Godfried over een opengeslagen atlas gebogen. Koud is het niet, voor de tijd van het jaar, maar er is nog geen zon te zien geweest. Geen wonder dat bij het zo intens bekijken van een kaart met talrijke in een lichtblauw verstrooide grillige, bruin-met-groene vlekjes, het schoolgebouw, door niemand opgemerkt behalve door mij, verschoven is tot aan een strand van die strakke zee, zodat ik als in gepeins over onze opdracht, door het raam kan kijken om enkele zonbeschenen eilanden verderop te zien. ‘Sporaden,’ schrijf ik als antwoord op vraag twee.

Bij Villeblevin, op de weg van Sens naar Parijs, motregent het op dat moment. Michel Gallimard verliest van het ene moment op het andere de macht over het stuur van zijn Facel Vega. De wagen knalt frontaal tegen een van de bladloze oude platanen die die weg omzomen. Albert Camus is op slag dood. Michel Gallimard zal enkele dagen later overlijden. De twee vrouwen achterin de auto, Gallimards echtgenote en dochter, zijn lichamelijk ongedeerd. Floc, de hond die ook in de auto zat, zal nooit meer worden teruggevonden.

In gedachten verzonken leg ik het dagboek op tafel. Nog geen minuut later sta ik op. Ik gris het boek mee, doe het in mijn tas. Beneden, aan de doorgaande weg, houd ik een taxi aan.

 

Ik blijk me niet te hebben vergist met de keuze van het etablissement. De patroon schat ik van mijn leeftijd. Bij het opnemen van mijn bestelling knoop ik een obligaat gesprekje met hem aan over het fraaie weer en de economische crisis, om vervolgens te kunnen vragen hoe lang hij dit restaurant al heeft. Aha, overgenomen van zijn vader. Overleden die vader. Ach, dat is spijtig. Maar ik heb het boek niet voor niets bij me gestoken.

‘Ik las,’ zeg ik – alles in het Engels uiteraard – ‘dat er lang geleden, in 1958, een heel beroemde man Ireon heeft bezocht, een winnaar van de Nobelprijs, en ik vroeg me af waar hij toen heeft gegeten. Misschien wel hier!’

Ik sla mijn boek open en wil al de betreffende dagboeknotitie hardop in het Engels gaan vertalen, wanneer de chef met een veelbetekenende grijns in het donker van zijn zaak verdwijnt.

Even later komt hij nog breder grijnzend terug met een oude zwart-wit foto, met zo’n witte kartelrand.

‘Kamou,’ zegt hij onverholen trots en hij overhandigt me de afdruk.

Inderdaad, Albert Camus! Nog geen vijfenveertig. Innemend glimlachend aan een beschaduwde restauranttafel. De mouwen van zijn, naar ik aanneem kakikleurige hemd opgerold. Met zijn rechterarm vriendschappelijk om de schouders van de man naast hem, Michel Gallimard. En daar, links op de achtergrond, kinderen… En achteraan tussen die kinderen…

‘Dat ben ik,’ zegt de restaurantbaas. Hij wijst op een kleuter.

‘En dat?’ vraag ik, met mijn wijsvinger naar het meisje naast de kleuter – want ik hoed me er wel voor mezelf aan te wijzen en bekend te maken, ik wil blijven wat ik hier was, waarvoor ik hier kwam: onvindbaar.

‘Stamatia,’ zegt hij. En op een toon die nog ietsje meer in mineur klinkt: ‘Matina…’

Of hij alle kinderen op de foto kent, vraag ik nog aarzelend.

‘Nee, niet allemaal.’

Hij pakt de foto van me terug en loopt ermee naar binnen.

Pas nadat ik gegeten heb, laat hij zich weer zien. Terwijl zijn serveerster mijn bord en de kommetjes afruimt, schuift hij een stoel aan tegenover me, draait hem met de blauw geverfde rugleuning naar de tafel en gaat er schrijlings op zitten.

‘Matina,’ zegt hij, ‘was het mooiste meisje van het dorp en verder. Zes jaar ouder dan ik. Had Kamou haar toen maar meegenomen…, weg van dit onheilseiland. Ooit stond er een portretfoto van haar in de fotozaak in Tigani. Ik was tien toen ze werd gevonden, maar het is als de dag van gisteren. Er was een man met een dure camera hier verschenen. Hij vertelde haar ouders dat hij foto’s van haar wilde maken voor een bekend damesblad. Vervolgens kocht hij eerst een sjaaltje voor haar. Het sjaaltje… Ach, wat waren de mensen nog naïef.’

Het klopt.

Ik weet nog dat mijn vader zei dat zijn hond haar ongetwijfeld bij het revieren had gevonden als hij toen nog honden zou hebben afgericht. Inderdaad was het oefenterrein vlakbij waar ze werd gevonden. Maar doordat hij de hele dag met de auto onderweg was, had hij geen tijd meer voor zo’n grote zwarte hond. Bovendien gaf het geen pas voor een reiziger in tabaks- en zoetwaren om in zijn vrije tijd in een bos commando’s te lopen schreeuwen en ook anderszins zwetend met zich hees blaffende honden in de weer te zijn, aldus mijn moeder die zich geen kans meer wilde laten ontnemen om op zondagmiddagen als een koningin te worden rondgechauffeerd door de provincie en over de grens.

Ik was vaak genoeg met mijn vader meegeweest naar het oefenterrein om het gebied heel goed te kennen. Ik wist waar je de meeste kans had om hagedissen te vangen, ik kende de bomen waaronder uilenballen met muizenbotjes erin te vinden waren. In de groeve had ik eens een versteend stukje kaakbot met een forse kies gevonden. Dat had ik niet aan mijn vader laten zien, omdat het me verboden was die kuil in te gaan. Ik kon me er dus ook niet bij hem over beklagen dat meester Godfried het fossiel had ingepikt, omdat ik er volgens hem zelf toch niets aan had. Ik had het hem laten zien met de oprecht geïnteresseerde vraag wat het was. Achteraf denk ik dat het wel eens een kaakfragment van een drietenig paardje kan zijn geweest.

Maar ik kon me dus en ik kan me nog steeds precies het bosje met die lage eiken en berken voorstellen waar de restauranteigenaar het over heeft.
Daarom knik ik ongewild instemmend.

‘U kent de plek?’

‘Ja,’ zeg ik, ‘de groeve, enkele tientallen meters ervandaan, is de vindplaats van gefossiliseerde resten van drietenige paardjes, hyena’s, neushoorns, mastodonten, allemaal uit de tijd dat het eiland nog verbonden was met het vasteland. Die fossielen zijn te zien in het museumpje hier midden op het eiland, zoals u zult weten, neem ik aan.’

‘In Mitilini,’ antwoordt hij. Het klinkt een beetje kregel.

Om het zich aandienende peinzende zwijgen voor te zijn en me met goed fatsoen te kunnen achterlaten, laat hij de serveerster een glaasje souma ‘van het huis’ brengen.

‘Jamas. Op Kamou!’

Zal hij weten dat Albert Camus nog eerder dan Matina het leven verloor? Ik waag het niet hem ernaar te vragen, hij vindt me waarschijnlijk nu al pedant. Zoals ik hem ook niet kan vertellen wat hij ongetwijfeld verwacht had dat ik nog van hem had willen horen: dat de vierentwintigjarige wurger spoedig werd ingerekend.

Die was vijf dagen voor de aanranding en wurging ontsnapt uit de Sint Willibrordusstichting in Heiloo. Voordat hij contact zocht met de jonge schoonheid die zijn slachtoffer zou worden, had hij bij de fotograaf, bij wie hij haar portret in de etalage had gezien, een filmrolletje ter ontwikkeling afgegeven. Op een van de foto’s bleek hij zelf te staan, in de spiegel van een kamer in een hotel in Hilvarenbeek, dat hij zonder te betalen en met geld en spullen van andere gasten had verlaten.

Zelf ben ik, op de avond in mei dat de akelige vondst bekend was gemaakt en mijn oma en moeder er aldoor fluisterend met elkaar over zaten te praten, nog naar zee geslenterd, om er zomaar wat steentjes in het water te gooien, want niets is zo stom als aan de rand van een zee tranen te staan laten.

 

Ik besluit de weg van Ireon terug te voet af te leggen. Niet langs de asfaltweg, maar binnendoor, tussen de sinaasappelplantages en olijfboomvelden.

Halverwege komt een nog jonge hond vanachter bramenstruiken te voorschijn. Een halfhoge bastaard reu met een mooie honingbruine, kortharige vacht. Enthousiast loopt hij onmiddellijk met me mee. Nu eens een stukje vooruit, dan blijft hij weer ergens achter me snuffelen, om me even later opnieuw vrolijk springend, bijna huppelend in te halen.

Ik geef hem een naam en het lukt me binnen tien minuten hem ernaar te laten luisteren. Hij kan zelfs al apporteren voordat we in het plaatsje Chora zijn. Geleerd van mijn vader, hè.

Om een zonnig geel kamilleveldje extra te laten geuren, gooi ik er een tak voor Floc in.

Och, hij kan zich elk moment bedenken en een zijpad inlopen of zich omkeren om terug te sjokken. Maar in een winkeltje in Chora koop ik een blikje natvoer en een pak brokken.

Ik geef hem alvast een paar brokjes, omdat hij zo braaf buiten heeft staan wachten. Dat maakt het onderhouden van onze prille vriendschap natuurlijk ook lonender voor hem.

 

Eerst is het schrokken uit de glazen fruitschaal die ik op de grond in het keukentje heb gezet, dan pas komt het lessen van een kennelijk grote dorst. En nu ligt hij hier buiten naast mijn terrasstoel in de schaduw, alsof hij nooit anders heeft gedaan.

Na de tweede dag op Samos – ik lees dus weer verder in Camus’ dagboek – nemen ze er de hele dag voor om naar Chios te varen.

‘In de voormiddag,’ schrijft Camus over die vrijdag 20 juni 1958, ‘een lamantijn voor de boeg. Hij rolt, zwemt ons vooruit, zwabbert met een spottend air en duikt dan de diepte in. Korte tijd later, op enkele mijlen uit de kust, voert de wind een geur van oleanders aan. ’s Middags zon en zwemmen in een kleine inham, waar het water zo doorzichtig is dat het wel lucht lijkt; in een mooie, rustige avond lopen we Chios binnen.’

‘Een lamantijn?’ vraag ik in mijn verwondering hardop.

Ook Floc kijkt er verbaasd van op.

Un lamantin’. Het staat er wel degelijk. Maar hier komen helemaal geen lamantijnen of zeekoeien voor! Die leven in de ondiepe, zeegrasrijke kustwateren van Florida, Centraal-Amerika, de Caraïben, tot in het noordoosten van Brazilië, en aan de Westkust van Afrika…

Albert Camus en zijn metgezellen moeten vast iets anders hebben gezien. Een solitaire dolfijn misschien of, nog waarschijnlijker, een bruinvis, un marsouin , ook wel zeevarken genaamd, pourceau de mer. Hoe kwam deze Franse noch Algerijnse Franse Algerijn die de Middelandse zee toch zou moeten kennen, in hemelsnaam bij de naam lamantijn? Hij groeide op aan de zuidelijke rand van diezelfde zee, in Algiers, waar ‘de zee op elke straathoek zichtbaar is.’

Ik moet nu denken aan wat hij tijdens een tumultueus verlopen optreden voor studenten op de universiteit van Stockholm over dat Algiers had gezegd, twee dagen na het in ontvangst nemen van de Nobelprijs:

‘Op dit moment gooien ze bommen op de trams van Algiers. Wie weet zit mijn moeder in zo’n tram. Als dat gerechtigheid is, geef ik de voorkeur aan mijn moeder.’

Woorden die vrijwel meteen door zijn opponenten op de Parijse linker oever werden verdraaid tot de apodictische uitspraak: ‘Wanneer ik moet kiezen tussen de gerechtigheid en mijn moeder, kies ik voor mijn moeder.’

Op 17 oktober 1957, de dag nadat hij te horen had gekregen dat hij de prijs kreeg, noteerde Camus:

‘Nobel. Eigenaardig gevoel van neerslachtigheid en melancholie. Toen ik 20 was, arm, en naakt, heb ik de echte luister gekend. Mijn moeder.’

Albert heeft zijn vader nooit echt gekend; die verloor het leven in de Marneslag, nog voordat zijn tweede zoon een jaar oud was. Zijn moeder, die nooit hertrouwde, was een uiterst zwijgzame analfabete, en ze heeft haar zoon nooit geknuffeld of omarmd. Catherine Sintès was een Spaanse van het eiland Menorca.

Maar ook rond en tussen de Balearen zwemmen geen zeekoeien!

Of zou Albert Camus eveneens op een verkeerde plaats zijn geboren en getogen, maar te vroeg zijn overleden om zijn ware plek te hebben kunnen vinden?

Onmiddellijk zie ik al pequeño Alberto voor me, in een gehucht in Yucatán, bij een lagune waarin lamantijnen in het heldere water grazen. Tussen de bloeiende ikakopruimen aan de kust staat een bar die Mexico City heet en waar een leguaan onbeweeglijk op de balustrade van de houten veranda ligt. Zijn moeder zit er in een makkelijke stoel, met een glas ananassap in de hand. Ze lacht uitgelaten en kwebbelt honderduit in een smakelijk Spaans. Dan neemt ze haar zoontje op schoot en krauwt door zijn korte zwarte haren.

Onzin natuurlijk. Hoe kom ik erbij? Omdat ikzelf op de verkeerde plaats ben geboren en getogen, hoeft dat nog niet voor iedereen te gelden die ik hoog acht vanwege zijn of haar sensibiliteit. Als je Camus over de zomer in Algiers hebt gelezen, weet je hoe hij in zijn jongensjaren van de stad en het leven daar gehouden heeft. En waarom zou iemand die je bewondert geen foutje kunnen maken?

Laat ik liever nadenken over wat ik met Floc aan moet.

Ik zal morgenochtend terugwandelen, in de veronderstelling dat hij me weer zal volgen, en in de hoop dat hij zonder bedankje of gedag achter de bramen wegschiet waar hij vandaan is gekomen.

Maar wat als hij bij me blijft, als niets hem nog van mijn zijde doet wijken? Dan moet ik een halsband en een riem voor hem aanschaffen. Want ik kan hem toch niet als een schooier laten wegjagen wanneer ik een bar of eetgelegenheid in Pythagorio binnenga? Net zo min kan ik hem over een kleine twee weken gewoon maar hier achterlaten terwijl ik in een vliegtuig stap.

Hij ligt nu op een zij. Sst, hij droomt. Hij trekt wat met zijn bovenlip. Schart wat met zijn voorpoten.

Ik vind dat even fascinerend als aandoenlijk. Wat zou ik graag willen weten wat hij nu meemaakt, wat hij ruikt en ziet. Vast het een en ander in Ireon en de omgeving, want iets anders kan hij zich onmogelijk voorstellen, neem ik aan, ook al lijkt het dat je bij wijze van spreken met hem kunt lezen en schrijven. Een hond kan net zomin in het verkeerde lijf als in het verkeerde nest geboren zijn.

Maar stel je voor dat hij straks in Amsterdam op de vloer ligt, op tweehoog, en hij droomt van Ireon?

Hé, Floc! Ja, jongen! Waar ben je dan, hè? Waar was je dan?

Over de auteur:

Huub Beurskens (1950) is prozaschrijver, essayist en dichter, studeerde aan de kunstacademie. Hij was redacteur van De Gids, vertaalde werk van Gottfried Benn, Georg Trakl, Nelly Sachs, William Carlos Williams en W.H. Auden. Recente publicaties: De hemelse kamer (roman, 2012), Hotel Eden (poëzie, 2013), Hoe deed Han Shan dat dan (poëzie, 2014).