thema:

Poppen bespelen in een rivier

Een van de meest intrigerende personen die ik op reis tegen ben gekomen, is Robin R. Het zou aanlokkelijk zijn een ander karakter als onderwerp te nemen, zoals de Albanees die toen hij voor het eerst zijn hermetisch gesloten land uit mocht naar Rome ging, en aan een taxichauffeur over ieder monument waar ze langs reden vertelde wanneer het gebouwd was en door wie, net zolang tot de chauffeur de meter uitzette. Het zou aantrekkelijk zijn een van de kleurrijke dichters te noemen die je zoal op festivals tegen komt, zoals de dichter R., een kruising van een Argentijnse en een Roemeen die zich in Barcelona uit liefde van een dak heeft laten vallen om door zijn vriend, een Catalaan, gezien te worden. Afdakjes braken zijn val, planten, waslijnen en wasgoed, en daarom leeft hij nog en toen zijn maar niet uit de kast komende minnaar hem op kwam zoeken in het ziekenhuis, mopperde die alleen maar dat de Castiliaanse huisbaas de schade nog niet had gerepareerd. R. heeft zoveel breuken en kneuzingen als een mens maar kan hebben, en nog hinkt hij even elegant van festival naar festival. Een prachtige figuur, een van de meest innemende mensen die er bestaan. Het zou een idee zijn S. te noemen, vernoemd naar een andere Scandinavische hoofdstad dan waar hij zelf woont, die een merkwaardige tic heeft: hij kan niet ophouden met versieren. Op een beurs in het ijselijk kouwelijke Quebec Ville wist hij zowat ieder meisje van de boekenstand los te weken en achter hem aan te laten lopen, naar zijn voordracht, naar de bar, naar het restaurant en de dancing, naar zijn hotelkamer, als een rattenvanger van Hamelen, om vervolgens zelf buiten op een bankje uiterst melancholisch Dylan op zijn mondharmonica te spelen. Maar ergens is dat vals spelen, die dichterskarakters als voorbeeld te stellen. Het prettige van geen jonge dichter meer zijn die nerveus is voor zo’n festival en ook geen grote bard die de hele tijd door de organisatie op sleeptouw wordt genomen, is dat er tijd is voor vriendschap, gesprekken, samen de heuvels intrekken, grappen maken, drinken, de stad verkennen. En zo leer je mensen in andere landen kennen die je je hele leven al meent te kennen en ook nooit meer uit het oog denkt te zullen verliezen, met wie je even verder correspondeert, tot het verwatert.

R. is een ander geval. R. is een Nederlander, een Nederlander in den vreemde. De fascinatie die ik met R. heb, is mogelijk de fascinatie voor de vraag wat er gebeurt als je op reis gaat en nooit meer terugkomt. Verander je, fysiek en wat je taal betreft, beïnvloedt het je karakter? De eerste twee keer dat ik R. zag, leek hij een beetje op een detective in een stripboek, zo herinner ik me hem althans, regenjas, slappe vilthoed, in de mondhoek een stompje van een sigaar. Eenmaal aten we wat bij een stalletje op een markt in Taipei, hij wist precies aan te wijzen wie bij de andere tafeltjes van de Chinese maffia was. Hij sprak voornamelijk met mijn vriendin, wat me des te meer kans gaf hem te observeren. Bij een officieel diner gaf R. mijn vriendin en mij aan de lopende band betelnoten. Die zijn niet schadelijk, wel licht verslavend. Als je op de noot kauwt en het sap eruit komt, krijg je even een explosie in je voorhoofd en denk je heel helder waar te nemen. Taxichauffeurs kauwen er altijd op in Taiwan. Ze houden de deur open om de noot uit te spugen. Na een minuutje kauwen is de noot uitgewerkt en wil je een nieuwe.

R. verliet Nederland aanvankelijk voor China. Hij behoorde tot het groepje sinologen in Leiden dat hetzij voor de literatuur uit Taiwan koos, hetzij voor die uit Mainland China. China was niet altijd even gastvrij jegens blanken. Op een gegeven moment woonde R. in Xiamen in een benedenwoning onder een fabriek voor wegwerpaanstekers. Over de fabriek was bekend dat die van tijd tot tijd ontplofte. Omdat R. niet werd vertrouwd, werd voor hem een avondklok ingesteld: als het donker werd, moest hij onder de fabriek binnen blijven. Later belandde hij op een eiland in de Zuid-Chinese zee. R. is niet veel ouder dan ik, hij is van de generatie van de krakers. Er stond een oud en bouwvallig consulaat, waarin hij zijn slaapzakje uitrolde. De Chinezen vonden dat heel gewoon: het was een Nederlands consulaat geweest en hij was Nederlander, dus het gebouw was van hem.

Ik leerde – voor zover het mogelijk is R. te kennen – hem kennen tijdens mijn eerste reis naar Taiwan. Taiwan heeft als bekend geen ambassade maar een NTIO, een Netherlands Trade and Investment Office. Terwijl Nederland meer handel met Taiwan heeft dan met China en Japan bij elkaar, worden de zaken door niet meer dan drie mensen waargenomen. Dat benadrukte de chef van het NTO, een vriendelijke man, Siebe genaamd. Het werk van een cultureel attaché in China bestond naar zijn zeggen uit niet meer dan een buslading medewerkers van de Rabobank bij een cabaret in Shanghai afleveren. Taipei was het moeilijkere en verfijndere werk. Het land was volgens Siebe in de jaren zeventig groot geworden dankzij Nederland, met name door Philips. Er liep tegenwoordig een Nederlandse zakenman in de stad rond die voor elkaar kreeg wat geen Westers land uit angst voor het machtige China aandurfde: een stedenband. Haast iedere stad heeft wel een stedenband, maar geen Westerse steden met Taipei. Dat was niet R., die man heette Aerts. Hij was echtgenoot van de wethouder van cultuur van Den Haag. Dezelfde vrouw die bij de uitreiking van de Campertprijzen altijd haar eigen gedichten begon voor te lezen. Cultuur stond bovenaan bij het zakendoen met Taiwan, zoveel was duidelijk.

De ontvangst van het NTO was in een lounge, vervolgens in een restaurant. Om de Nederlandse gasten niet te veel te vervelen met zakelijke verhalen, was een andere figuur uitgenodigd uit het culturele leven van Taipei, en dat was R. De Nederlander had het gepresteerd om artistiek directeur te worden van een museum, een functie die gewoonlijk louter aan Chinezen werd gegeven. R. verstond met andere woorden de kunst om zo ongeveer zo ver als denkbaar te integreren in een andere cultuur. Als Nederlander in een Chinese cultuur. R. schreef en regisseerde een aantal moderne en traditionele Taiwanese theaterstukken en was cultureel adviseur van de stad Taipei.

Een stuk in Taiwan speel je niet met mensen, maar met objecten: poppen. Er kan achter iedere pop een mens staan, meerdere zelfs, als er maar een pop in het spel is. Ik heb een uitvoering van een gedicht bijgewoond in de hal van het stadhuis van Taipei van de verenigde Indonesian Migrant Workers. Voor de uitvoering van het gedicht waren vijftig mensen nodig en een groot aantal Wajangpoppen. Bij een bepaald woord viel iedereen op de grond, wat een hels kabaal maakte. Bij het volgende woord stond iedereen weer op. In het stadhuis van Taipei kreeg het publiek glazen water toegereikt door de zwakzinnigen die er in het cafetaria werkten. Ze konden het niet laten de mensen te betasten alsof het ook poppen waren, met hun handen over hun gezicht te gaan. Zeker als ze een andere huidskleur hadden.

De beroemdste pop uit China heeft een wit gezicht. Het gezicht is hard, van steen of van hout. Hij heeft een grijze mantel, waar je je hand onder kan houden, en twee handen die je met stokjes bespeelt. De glimlach op zijn gezicht is beangstigend, hij kijkt vilein of lacht krankzinnig. Het is een icoon van de Chinese cultuur. Een poppenspeler in Taipei vertelde dat men het in China belangrijk vindt dat er meer exemplaren van deze pop worden verkocht dan Barbiepoppen in de Verenigde Staten.

Er bestaan ook Taiwanese poppen, de budaixi met houten handen, voeten en gezichten, en die lijken wel een kruising tussen Chinese poppen en barbies. Pas jaren later leerde ik dat ieder Aziatisch land een eigen pop heeft en ook een eigen poppenspel. De stedenband tussen Taipei en Den Haag duurde niet lang, niet langer in ieder geval dan de ambtsperiode van de betreffende Haagse wethouder. In het Haagse stadhuis liet de Taiwanese kunstenaar Michael Lin een gigantische tulpenvloer aanleggen, zodat het spierwitte gebouw voor een paar weken een paarsroze gloed kreeg. Ik wilde terug naar Taiwan, zes jaar na mijn eerste bezoek. Taipei is een lelijke stad, met veel te veel verkeer en rommelige architectuur. Maar het is ook een fascinerende stad waar alles dwars door elkaar gebeurt en van alles op straat wordt gemaakt en verhandeld. Ik miste de nachtmarkten van Taipei.

R. dreef inmiddels het Lin Liu-Hsin Puppet Theatre Museum in het enige oude stukje van de stad. Ik las in een interview met hem dat Taiwanezen nauwelijks naar het museum gaan, behalve misschien naar het grote museum buiten de stad waar de artefacten die de soldaten van Chiang Kai-Shek uit het Mainland hadden meegevoerd tentoongesteld lagen. In R.’s museum werden de objecten ook gemaakt of nagemaakt: poppenhoofden werden er uit hout gesneden. Ik herkende hem nauwelijks terug aan de werktafel met zes Chinezen en een Frans meisje. De flamboyante privédetective was veranderd in een man in pak. Hij liep met ons door de kamers en het theater in het museum. In iedere kamer bewaarde hij een ander poppenspel, iedere kamer was ingericht naar het land waar de pop vandaan kwam. Poppen van gezelschappen die niet meer speelden, vonden moeizaam hun weg naar het museum. Als een antropoloog kamde R. Azië uit op zoek naar gebruikte poppen. Hij toonde het schaduwspel van de Khmer uit de Cambodjaanse historische stad Angkor. Poppen uit Japan, uit Korea.

Langzaam beklommen we het gebouw. Op het dak, the roof garden, stond een groot bassin. Aan lange spanen waren immens grote houten poppen bevestigd. Ze hadden vreemde rechte armen, zoals Playmobil-poppetjes. Deze poppen werden in de jaren vijftig in Vietnam bespeeld, door sterke mannen, samurai, die in een snel stromende rivier stonden en de houten gevaartes met de spanen boven hun hoofd bewogen. En daar stond R., met zijn broekspijpen van zijn pak in het bassin, de spelers na te doen. Naast het dak lag de Green Grass Alley met de stalletjes met Chinese kruiden, gedroogde zeepaardjes, maanachtige vormen. En verderop liep de Tamshui River, met het verkeer over de hoge bruggen.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.