thema:

Port Bou

Wat betekent het om de grens te weten tussen onthouden en vergeten, vraagt Breyten
Breytenbach in de reeks ‘Eine kleine Nachtmusik’. Hij stelt de vraag te midden van
rotsblokken die hij een inkapseling van beweging noemt en vindt daar de ‘afsluiting
van gedanste tijd’. Hij hurkt en kijkt op naar de bergen, onderzoekt de feitelijke
grens en de verbeelding, gangen, ravijnen, de grenzen van de verloren tijd. Het is
haast een retorische vraag: als er een grens is aan wat je kunt weten, kun je dan ook
die grens weten? In de reeks gedichten (die verschenen in de bundel Vyf-en-veertig
skemeraandsange uit die eenbeendanser se werkruimte) bezoekt hij niet Walter
Benjamins feitelijke graf maar cirkelt hij met zijn denken om de plek waar hij stierf. De
dichter is door de nacht gegaan, het donker doorgekomen dat de grens tussen twee
dagen vormt, door de tunnel gekropen die onder de berg doorloopt van het ene land
naar het andere.

De grens tussen Cerbère en Port Bou bestaat uit een klif, een weg die omhoog
slingert en aan de andere kant langs haarspeldbochten neerdaalt, langs het huis van
een verlaten douanepost, boven een rots die haast wegglijdt in de zee. Boven de baai
staat een bank te midden van zeven olijfbomen op de rotswand. Niets herinnert in juni
1993 aan de dood van een passant, Walter Benjamin, al ligt er een steen bovenop
de volgende klif op de kleine katholieke begraafplaats. Het plaatsje oogt vervallen,
een paar bejaarde Engelse toeristen lopen langs de kade. In het Hostal Commercial
eten weduwnaars hun soep. Aan de overkant van de Rambla Catalanya, waarvan
de bladeren van de platanen in het raamkozijn prikken, is het Hostal de Francia waar
Benjamin stierf. Ook daar geen enkel teken dat op Benjamins dood wijst.

Achttien maanden later is het stadje veranderd. Als je de haarspeldbochtweg
afrijdt, staat er een groot bord, in etalages hangen foto’s van de schrijver. Bovenop
de klif is bij de ingang van de begraafplaats een stuk uit de rots gehakt, er steekt een
verweerde trap in van roestend staal die eindigt boven de branding. De treden gaan
naar het niets, ze lopen naar de afgrond. Hoger op de klif staat op een plateau een
eenzame sokkel waar niets op staat. Plateau en sokkel zijn gemaakt van hetzelfde
roodbruine staal als de trap, dat meteen na oplevering verweerd lijkt. Wat zegt het
de bewoners dat iemand hier passeerde, inmiddels vierenvijftig jaar geleden en niet
vijftig, na allerlei geruzie in Duitse kranten of er wel een miljoen mark mocht naar een
beeld buiten Duitsland voor iemand die niet helemaal Duits was.

‘In de helderheid van de ochtend / zie je dat het tafelblad even scheef was / als je
betoog tegen de wormen in de monding,’ schrijft Breytenbach. September is geen
juni, dagjestoeristen uit de achterliggende provincies baden in de zee, de mensen
zijn nors, ze hebben al genoeg voorbijgangers gezien de laatste maanden. Vanaf
de klif is te zien hoe de tramontane, die koude wind die met hoge snelheid over de
bergen komt, op het wateroppervlakte slaat, kleine wervelwindjes maakt, het water
even optilt als een fontein. In de baai zijn duikers, de lucht is strakblauw ondanks de
harde, koude wind.

 

Wat betekent het om de grens te weten, die te kennen, te weten wat je vergeet?
Volgens een van Benjamins thesen ‘Over het begrip van de geschiedenis’, raadde
Fustel de Coulanges de historicus aan om, wilde hij een tijdperk opnieuw beleven, alles
uit zijn hoofd te zetten wat hij van het latere verloop van de geschiedenis wist. Het
is een moedwillig vergeten, een poging tot concentratie. Het is ook een methode van
inleving, waar Benjamin maar al te graag mee wil breken. Al is het maar om de droefgeestigheid
die gepaard gaat met het onvermogen het werkelijke historische beeld te
bemachtigen op te heffen. Droefgeestig ook door het besef dat men zich alleen maar
in de overwinnaars inleeft. Het is de wakkerende vlam die ons belet om scherp te zien.
Men kan niet tot in detail bepalen wat men onthoudt en wat men vergeet. Er is geen
document van de cultuur dat niet tegelijk een document van de barbaarsheid is, stelt
Benjamin. Het is zijn taak de geschiedenis tegen de haren in te strijken.

Terwijl Walter Benjamin de theologie vergelijkt met een dwerg die klein en lelijk
is, en die een schaakautomaat zou kunnen bedienen, vergelijkt Breyten Breytenbach
in een ander gedicht de Afrikaanse dichtkunst met een buikpop. Een die je op schoot
kan laten dansen en vrijheidsliederen kunt laten zingen voor Afrika, ‘want in Afrika
/ is het ’t voorrecht van een dichter / immers dat je niet hoeft in te staan / voor je
opinies.’ De betekenis staat op het punt van vertrekken en het gedicht blijft als ‘afgeworpen
vervelling’ achter. Maar de vlucht blijkt een spiraal en op het eind vertelt juist
het gedicht het verhaal van een vervelde betekenis. Breytenbach lijkt vastberaden,
er klinkt een bijna opgewekt pessimisme door zijn woorden. Want wie denkt te begrijpen
die pist naast de pot, en wie begrijpt doet dat tegen zichzelf aan.

Een gedicht is zoiets als een bergtocht. Met stramme benen moet je al klimmend
jezelf lenig zien te krijgen, de regels uiteen rekken. Je weet dat je straks in de
afdaling soepelheid hervindt, lyriek, dat je je moet hoeden niet te snel te gaan en
te struikelen. Bovenop de bergkam vind je pal naast de grens een uitgebrande hut
voor bergbeklimmers. De deur staat open en aan de achterkant ook een raam. In de
zwartgeblakerde ruimte zie je in de twee verkoolde kamers eeuwige sneeuw liggen,
in een perfecte z-vorm. De vlucht van Walter Benjamin lijkt een voorbode van een
exodus van zo velen.

Een bergwandeling is een ontknoping, boven op de top waaien complexere gedachtegangen
uiteen en komt er orde in je hoofd. En net als je het inzicht wilt opschrijven,
steekt er een storm op. Het is de tramontane die je heel even van de aarde haalt en je
meteen weer als een zak aardappelen op de grond teruggooit. Je bent iets kwijt, je
tast over rots op de helling nabij de afgrond en je handen vinden er een montuur met
maar een enkel glas. Daarmee zie je op de treden van het monument het tweede glas,
twee treden achter de glasplaat, twee treden voor de afgrond. De glasplaat loopt
niet tot op de trede, er is een opening waar je een hand doorheen kunt steken, maar
die haalt alleen de volgende trede. Naast de deur in de muur rond de begraafplaats
ligt een stuk hout, een schephout met een oplopend einde. Daarmee lukt het het brillenglas
een trede hoger te schuiven, waarop je het met je andere hand kunt pakken.
Maar het schephout valt op de tweede trede en is ongrijpbaar, het stuk hout zal het
monument blijven verminken tot het wegrot en vergaat

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.