thema:

Het publiek moet van ’t geluid afblijven

Componist Dick Raaijmakers, het zwarte gat van het Holland Festival

„Het publiek moet van ’t geluid afblijven”

Dick Raaijmakers had dit jaar (1982 red.) de centrale componist en commentator van het Holland Festival moeten worden, zoals vorig jaar Louis Andriessen het was. Tot op heden is nog niet bekend in welk jaar en op welke wijze hij zal toeslaan. Wèl komt hij volgend jaar in het festival met zijn Valmachine die de primaire geluiden van de laagste orde produceert. Johanneke van Slooten interviewde een toondichter die helemaal gek is van bewegen, vertragen, omkeren, tikken, tokken, kraken, wrijven, poetsen, strijken en blazen.

 „Het primaire geluid is tik. Dan is er contact gemaakt. Met een klankbodem eronder wordt die tik tot plok, en is het al muziek. Als daaroverheen een snaar gespan­nen wordt en die laat je trillen, dan begint de toon pas echt te komen.” De componist Dick Raaijmakers beweegt zich op het muzikale vlak vanaf de eerste kraakgeluiden tot aan de uiteindelijk vibrerende tonen. En in het akoestisch laborato­rium van het Koninklijk Conser­vatorium in Den Haag, waar hij docent is, verricht hij uiterst minutieuze “operaties” om het resultaat van de waarneming los te koppelen van de handeling. Zo kan klank op zich gescheiden worden van de klankproduktie. De klank die een musicus met zijn instrument vormt, kan door middel van een mechanische reproduktie losgekoppeld worden van zijn oorspronkelijke producent. De klank wordt dan, omdat hij als het ware afgenomen wordt van zijn uitvoerder en het lichaam dat hem voort­gebracht heeft, verzelfstandigd tot een wetenschappelijk object dat verder geanalyseerd kan worden.

Zoals in de goed geïsoleerde, zo­genaamd geluid-dode studio de ge­luiden uitsterven direct nadat zij geklonken hebben, zo zijn de com­posities van Raaijmakers over het algemeen ook een kort maar in­tensief leven beschoren. „Mijn werk komt meestal niet tot ’leven’ en is niet in staat zich voort te planten. Iets wat bedoeld is om al­leen afleesbaar te zijn, mag zich niet verder kunnen ontwikkelen. Ik verklein de werkelijkheid zo ver tot het uiterste, dat ik tenslot­te bij dat unieke punt uitkom, waar alles in verdwijnt.

„Mijn muzikale theaterstukken worden altijd maar enkele keren uitgevoerd. Vaak zijn ze zelfs één­malig en daar moet je dan toevallig bij geweest zijn, want na één keer zijn ze weer weg. Het zijn tot klin­ken gebrachte produktieprocessen die na het gedane werk moeten worden vernietigd. Ik ben er als de dood voor dat mijn werk wordt herhaald en daardoor ingelijfd in de traditionele kunstvormen. Dat verdraagt het niet. Het is te idee-matig, te abstract en te kwetsbaar om te worden ingekast. In het al­gemeen geldt dat alles wat her­haalbaar is, doordrenkt blijkt te zijn van disciplines, codes en tradi­ties. Als je gedisciplineerd bent, dan herhaal je de code. Ik let er enorm op hoe mijn werk uitge­voerd en gecelebreerd wordt en waar het gebracht wordt, zodat het niet in de vorm van de Grote Kunsten kan worden gegoten. Het mag niet met zichzelf in tegen­spraak zijn. Het moet je op een bepaalde manier sprakeloos maken.”

Een geliefkoosde uitdrukking van Raaijmakers is dat hij „opzij staat”, haaks op de muzikale ont­wikkelingen, en dat hij zo de con­frontatie tussen muziek en tech­niek als het ware van terzijde be­kijkt. Hij voelt zich beschouwer, een analyticus, uiteindelijk een soort „buitenstaander”. „Door aan de rand te gaan staan en buiten de tradities te stappen, kan ik com­mentaar leveren. Mijn wezenlijke plek ligt tegelijk binnen en aan de zijkant van de Kunst.”

Begin 1980 heeft het Holland Festival Raaijmakers gevraagd als de centrale componist en commentator te willen optreden. Maar omdat de onderhandelingen over de komende jaren nog altijd voortduren en er van verzadiging geen sprake is, concentreert zich in hem veel energie. En omdat zijn atomaire gedachtenreeksen wegstromen in hun verdwijnpunt en zijn produkties aan het oog van het publiek worden onttrokken, wordt hij wel het „Zwarte Gat” van het Holland Festival genoemd.

Festival-directeur Frans de Rui­ter zegt in een gesprek: „Ik heb Dick Raaijmakers inderdaad ge­vraagd de centrale componist en commentator te worden zoals Louis Andriessen verleden jaar. Maar ik weet niet in welk jaar en op welke wijze hij zal toeslaan. Hü heeft nog geen besluit genomen. Het kan 1984 worden, of mis­schien dat we over een jaar beslui­ten dat het in ’85 moet gebeuren. Het blijft een continu proces van steeds plannen maken en die dan weer verwerpen. We werken steeds weer aan iets anders, in een continue beweging. Maar het is heel boeiend om met hem in ge­sprek te blijven. Hij benadert de dingen meestal vanuit een invals­hoek waar ik zelf nooit op geko­men zou zijn. Er zijn dan altijd wolken die voor de zon wegtrek­ken, of nieuwe deuren die geopend worden in Blauwbaards burcht. Het prikkelt de nieuwsgierigheid, want je valt van de ene verbazing in de andere.

Eén van de redenen waarom we hem graag willen als centrale com­ponist is, dat hij opereert op ver­schillende terreinen van de kun­sten. Door zijn ontregelende produkties en kunstopvattingen zou dat een zwenking binnen het Hol­land Festival naar een nieuwe koers kunnen betekenen. Hij is in­derdaad een soort zwart gat, omdat er zoveel stukken van hem zijn die niet meer bestaan, die weer ver­dwenen zijn. Ik vind dat heel span­nend, door de extra klem die het oplevert om er bij te zijn. Eéns maar nooit meer. Het is niet meer terug te halen en daardoor wordt het een mythe, leeft het alleen voort in de herinnering van hen die er geweest zijn en het hebben meegemaakt. Daarin zit het unieke van een gebeurtenis. Het is een interessante meerwaarde, die meer is dan het produkt zelf.”

Toch heeft Dick Raaijmakers nu wel een document gemaakt dat blijft bestaan: een boek met als titel „De Methode”, waarvan het tijd­schrift in boekvorm, Raster, in au­gustus een voorpublikatie van 50 pagina’s zal uitbrengen. Het biedt een poëtische analyse van het fe­nomeen bewegen, en de waarne­ming van wat die beweging in de wereld teweeg brengt en vervolgens het plan dat die beweging een tendens geeft. Raaijmakers: “Wij zijn bewegers die volgens een plan te werk gaan. Dat plan heeft een bepaalde beeldstructuur die wij in de functie van waarnemers zien en onderkennen, want wij slaan die beelden op in ons hoofd. We slijpen ze bij en gebruiken ze vervolgens weer als be­weegredenen. Ons hoofd is als een fototoestel, een apparaat dat waar­neemt: even later druk je op een knopje en rolt er een beeldplaatje uit waarmee je dingen kunt gaan ondernemen en maak je een plan wat je in beweging zet. Iedere beweging die je in de wereld uitvoert is steeds weer opnieuw een gewel­dig avontuur… Het kan ook ver­schrikkelijk eindigen… je stapt op van je bureau, loopt naar het bal­kon, je stapt omlaag, je kunt niet meer terug, God, wat jammer, pech gehad, éénmaal andermaal en daar ga je, daar helpt geen moedertjelief aan. Zo’n beweging is on­omkeerbaar.”

„In mijn werk zitten altijd dit soort samenhangende verbanden, en om die te tonen verricht ik ver­schillende soorten operaties: Het vertragen van het beeld, en het zelfs tot stilstand brengen, het omkeren of het vergroten en opbla­zen tot theatervorm.”

Eén van die theaterstukken is het elektrische strijkkwartet. Daarvoor heeft hij het muzikale materiaal van het strijkkwartet van Beethoven, Opus 132, uitge­beend, gereduceerd tot op het bot, tot „losse tonen”. Vervolgens heeft hij een enorme machinerie geconstrueerd met kabels, snoe­ren, aftasters en luidsprekers om de uiterst langzame strijktonen van de met staaldraad behaarde stokken op de metalen snaren te kunnen laten horen. „Een speler strijkt tot hij gehoord wordt, en die tijd is tijdloos want die toon heeft even veel kans om wél als om niét te klinken, vanwege de enor­me traagheid van de stok Het is aan-uit. De momenten van overgang van de ene functie: spelen en gehoord worden, naar de andere functie: niet spelen, manifesteren zich in een versplintering van de oorspronkelijke gave muzikale to­nen, omlijst door statistisch, onre­gelmatig verdeelde schakel- en stoorgeluiden. Gekraak is hier een metafoor van contact maken en breken.”

„Als de toon, die niet meer de atletische kracht en glans bezit van de klassieke strijktoon, maar toch opgepakt en voortgezet wordt door een andere speler, denkt hü vermoedelijk ha, ik wordt gehoord, dat is pas musiceren! Jij bent de beweger en jij geeft die toon af, hup, daar gaat ’ie en jij kunt hem ook niet meer inslikken. Hij komt weer tot leven in jouw hoofd van waarnemer en je wordt dan ook weer beweger. Er vindt dan in jou een merkwaardige transformatie plaats van waarne­mer in weergever.”

Raaijmakers wordt gefascineerd door het ontleden en abstraheren van de waarneming en de waarge­nomen objecten tot elementaire segmenten. Die belangstelling komt voort uit een zeer sterke be­hoefte om de taakopsplitsing van het denken over en het produce­ren van kunst maar ook techniek, aan het licht te brengen. Om de indeling van de muziekproduktie in een slagorde zichtbaar en hoor­baar te maken heeft hij zijn zoge­naamde Ideofonen ontwikkeld.

„Dat zijn kortgesloten luidspre­kers, in een gigantisch formaat ge­maakt voor het Stedelijk Museum. Ik heb bewust deze constructies, in de vorm van tastbare, beeldende objecten gemaakt om mijn ideeën over muzikale gedragingen op een heel elementair niveau aan de orde te stellen. Met materiële attribu­ten kun je bepaalde mechanismen die anders voor het oor en oog verborgen blijven, beter laten zien dan met weer een nieuwe elektro­nische compositie. Mijn ideeën werden letterlijk en figuurlijk hard gemaakt, het werden tastba­re denkbeelden. De suppoost in het museum waar ze opgesteld ston­den zei tegen een bezoeker me­neer, wilt u dat niet aanraken. Ik vind ook dat het publiek met de handen van het geluid af moet blij­ven. Die ideofonen staan model voor de kortsluiting in de muziek­produktie, ze zijn op zichzelf aan­gewezen.”

„Ik heb die luidsprekers terug­gekoppeld, opnieuw geconstrueerd, zodanig dat ze de signalen die ze normaal ontvangen van ingewikkelde hifi-apparatuur, nu door zichzelf krijgen toegediend. En dat bereik je door de luidspre­ker te frusteren door hem — toch al het doorgeefluik bij uitstek — te voeden met wat hij zo net heeft afgegeven. Je sluit zo’n medium kort, door de ingang met de uit­gang te verbinden. Elektriciteit is normaal niet zichtbaar of hoor­baar, maar als je zo’n abstract mo­del in een plastische vorm giet, kun je het produktieproces van het geluid ontleden en demonstre­ren. En wat is er nou gruwelijker voor een medium dan wanneer de ingang en de uitgang met elkaar verbonden zijn?

„Stel je voor dat bij een blaasin­strument het uiteinde weer terug­gevoerd wordt in de longen van de bespeler: dan zou hij zichzelf opbla­zen. Iemand die zich verschrikke­lijk kwaad maakt, is teruggekoppeld. Een samenleving die is teruggekoppeld functioneert niet goed meer. En door zo’n elementaire handeling van een terugkoppelverbinding toe te passen op een luidspreker heb ik iets zeer belang­wekkends gedemonstreerd, wat een hoog rendement oplevert. Het geeft inzicht in de manier waarop een medium op het gebied van de communicatie zich in onze samen­leving gedraagt.”

„Deze luidspreker doet rare din­gen. Hij komt voortdurend naar voren gestulpt in zijn conus, schopt een metalen plaatje dat er voor hangt weg en valt weer op zichzelf terug. Hij produceert geen toon meer, hij kraakt. Dat is een signaal dat er een grote druk op hem wordt uitgeoefend waar hij zich niet harmonieus mee ver­houdt. Kraken staat voor gevaar. Liever gezegd: het gevaar zit hier­in dat het gave lichaam gemoles­teerd gaat worden. Interessant is, dat een belangrijke groep in onze samenleving zich krakers noemt. Ze hebben een naam gekozen om een situatie aan de orde te stellen, die het tegenovergestelde inhoudt van harmonieus wonen. Ze bedoe­len ook: wij kunnen niet wonen, en daarom kraken wij.”

Dick Raaijmakers woont in een oud, alleenstaand, onbewoonbaar verklaard pand op een parkeerter­rein in Den Haag. In zijn kamer hangt een 19e eeuwse sfeer. Veel van de boeken zijn voor hem „bij­beltjes”, bronnen van wetenschappelijke en kunstzinnige kennis uit de vorige eeuw. In twee vitrines staan tegenover elkaar oudheid­kundige, gestileerde beeldjes uit het Verre Oosten en Zuid-Ameri­ka, en voor het merendeel glazen apparaatjes die wezenlijk zijn voor de voorsprong van de moderne techniek. Geflankeerd door twee primitieve Indiase beelden hangt tussen de ramen een Ideofoon te­gen zijn gematerialiseerde inner­lijk aan te schoppen. Daarbij wordt het apparaat in dat niet meer te stuiten arbeidsproces voortdurend geconfronteerd met zijn tegenhan­ger: een driedimensionale, in een lijstje gevatte verschijningsvorm van de Maagd Maria-als-medium.

In al zijn bezigheden die zich afspelen op de gebieden van de mu­ziek, beeldende kunst, theater en in zijn literaire activiteiten, pro­beert Raaijmakers tot „een goede confrontatie met primaire vor­men” te komen, zij die het eerste begin van een levensontwikkeling vertegenwoordigen. Archetypi­sche vormen met een sterke plasti­sche kwaliteit die zowel in techni­sche als artistieke constructies ge­bruikt worden zijn bijvoorbeeld: platen, bollen, spoelen, punten, lij­nen en draden.

„Wanneer ik me bij mijn projec­ten opstel als theaterman, zie ik het verband waarin de dingen plaatsvinden als theater, en als machinebouwer zie ik de theatrale opvoering als een grote machine­rie. Je moet daarom de goede mo­dellen vinden die je idee onder­steunen, waarbij de structuur van de samenhang van de onderdelen congruent en overzetbaar is door ze te presenteren als machi­ne. Wat me dan fascineert is te ontdekken welke ingrediënten no­dig zijn om een perfecte celebratie te verrichten. Dat lijkt dan de vrucht van moeizaam denkwerk, toch komt het voort uit mijn intuï­tie. Karakteristiek voor mijn werk is dat het vrijwel niet leent van anderen, niet aanhaakt. Niet om­dat ik dat per se niet wil en ver­schrikkelijk graag origineel wil zijn. Nee, ik wens de zaken primair aan de orde te stellen. Het is mijn pretentie om de verbindingen van het technische en muzische, die ik allebei in mij heb, op elementaire wijze, éénmalig, ondubbelzinnig tot stand te brengen.

Een volledig „kloppend” model is De Fiets, De grafische methode 2. De ondertitel luidt: Een fysio- kinematische proefneming voor fiets, fietser, trekinstallatie, audiofysiologische apparatuur, licht en luidsprekers. Hier past Raaijmakers de methoden van de omkering en vertraging toe. Ter­gend langzaam stapt een naakte man van zijn glanzend, zwart-metalen herenfiets die van links naar rechts met een kabel over het po­dium wordt getrokken. In 30 minuten wordt in een handeling die normaal 2 seconden zou vergen het been over het zadel geslagen. Tegen het einde van de rit stroomt het zweet tappelings over zijn li­chaam. De spieren van zijn armen en vooral die van zijn standbeen trillen door de opgevoerde inspan­ning tijdens de eindeloos lijkende, bijna tot stilstand komende afstapbeweging.

In de zaal klinkt het kloppen, bonken en pompen van de mecha­nisch versterkte hartslag, ademha­ling en bloedsomloop. Een schake­ling tussen lichaam en luidspreker maakt van de fietser een machine­kamer en maakt het inwendige hoorbaar. De titel van deze proef­neming, „De grafische methode”, verwijst naar het boek „La metho­de graphique” van Etienne-Jules Marey (uit 1878) waarin hij zijn fotografische technieken publi­ceerde nog voor de eerste filmbeelden in beweging kwamen. Wat Raaijmakers laat zien is de omke­ring van de beroemde reeks foto’s van Marey: De met een soort fotogeweer tot stilstand gebrachte ge­fotografeerde beelden van een af­stappende fietser, omgezet in een tot het uiterste vertraagde levende beweging van 30 minuten.

Raaijmakers: „Ik keer het regi­stratieproces van Marey om en maak op die manier zichtbaar wat verontachtzaamd wordt wanneer je het beeld van een bepaalde be­weging accepteert als die bewe­ging zelf. Marey heeft de fietser zo’n 12 beelden afgenomen en hij zit nu in gelei, in dat dunne laagje glad chemisch spul van het foto- oppervlak gevangen. Als een insekt in het barnsteen zit hij vast in het glimmende fotobeeld. Wat ik doe is hem er weer uittrekken. Mijn fietser zit ook bloot in het zadel, en beiden zijn glad. Hij is als het ware die foto. Het is een na­bootsing én tegelijkertijd een in elkaar overgaan van het levende model en de foto. De fietser wordt door die kabel met een enorme energie uit die foto losgetrokken en met veel zweet en lawaai uit het barnsteen bevrijd. Zo komt het beeld in een perfecte omkering voor de eerste keer letterlijk weer tot leven.

“Je zou bijna kunnen zeggen dat ik koortsachtig op zoek ben naar het beste en artistiek meest bevre­digende model. Marey was met iets heel sterks bezig, namelijk de oer- verschijningsvormen. Nu ben ik voor het komende Holland Festi­val bezig een merkwaardig appa­raat te ontwikkelen dat een zoda­nige theatrale operatie kan uitvoeren dat hij de primaire geluiden van de laagste orde produceert: de valgeluiden. Het wordt dan ook mijn Valmachine met een structuur waarbinnen de geluiden gemaakt worden vanwege hun onomkeerbaarheid.

„Toen Laurel en Hardy in 1930 de eerste echte geluidsfilm maak­ten, ‘Night Owls’, zochten zij naar humoristische geluiden en zo kwa­men ze uiteindelijk terecht bij ’val­len’ in de stilte van de nacht. Want daarbij wordt met een zeer geringe inspanning een enorme energie vrijgemaakt en veel kabaal ontke­tend, en dat werkt op de lachspie­ren. Ter illustratie van die film maak ik als omkering van de op­waarts gerichte technologie een immense middeleeuwse geluidmachinerie waarin alles via kabels, rader- en tandwerk naar beneden stort. Valgeluiden zijn zeer onmu­zikaal omdat ze niet repeteerbaar zijn. Muziek is een edele variant van wrijven, poetsen, strijken en blazen. Dat zijn herhaalbare bewe­gingen die je kunt onthouden.

„Tonen zijn mini-processies die een verhaal kunnen vertellen en die, als er een structuur in aange­bracht wordt, boven de klanken uitstijgen en in de vorm van taal- composities een geprofileerde boodschap meekrijgen. Een strak­ke toon heeft als het ware een vast patroon en is dan eigenlijk een stil­staande klank, die doet pijn aan je oor. Maar een toon die beweegt, vibreert, glibbert als het ware langs je oor en geeft je informatie, dat is een beweging die leeft, hij pendelt op en neer en kan om veel meer hoekjes kijken dan wanneer je die toon stabiel houdt.

„Statische bewegingen zijn één­malig en hebben ook met de dood te maken. Het zijn dodelijke bewe­gingen zoals van kogels en raketten. De angst voor een raket is ook juist dat éénmalige strakke karak­ter dat je niet kunt ombuigen. Het cynische is dat nu juist de omhoog strevende technologie het opper­ste plan heeft bedacht om te bewe­gen; en dat is vallen. Een bom is geconstrueerd om naar beneden te storten. Dat is een onomkeerbare beweging die tenslotte met een gi­gantische ontlading van energie het laatste en definitieve valgeluid zal produceren.”

 

Vraaggesprek van Johanneke van Slooten met Dick Raaijmakers uit De Volkskrant van vrijdag 25 juni 1982

Over de auteur: