thema:

Berlijn, de hemel is altijd zó…

Unreal city
Under the brown fog of a winter noon

-T.S. Eliot

1.

Drie seizoenen en een aarzelende lentemaand lang heb ik in Berlijn voornamelijk naar de lucht gestaard. Het begin van een werkdag: vroeg of laat verplaatst zich er een wolkje op zus of zo’n manier, of kletst er een mollige druppel tegen het raam die meer dan de andere druppels de aandacht opeist, een teken dat er nu woorden op papier geordend kunnen worden. Dit alles, uiteraard, in eenzame opsluiting – de kat, hoewel troostrijk in haar kleine dierlijke aanwezigheid, niet meegerekend – en met een uiterst eentonige routine. Havermoutpap, uiensoep. ‘Wat doe je daar eigenlijk in Berlijn?’ ‘Naar de lucht kijken.’

2.

Op Valentijnsdag 2015 las ik Giovanni’s Room, van James Baldwin (1924-1987), stiekem in een boekhandel, betaalde voor het goede fatsoen toch maar één cappuccino (wat is een boekhandel zonder koffiehoek) en zat vier uur op een Danish design stoel in een hoekje aan een tafeltje met daarop een sticker: ‘No laptops here! Reading only’. Het was net na schemering toen ik me weer aan de knisperende winterlucht waagde. Warschauerstrasse, de brug over richting Schlesisches Tor. De kleur van de hemel om 18.30, noteerde ik plichtsgetrouw, viel samen met de kleur die de maand februari in mijn hoofd heeft: ijlpaars. Wat een toeval, een kleur in je hoofd ineens daarbuiten in dat schaarse stukje natuur in een stad aan te treffen, de hemel. Later vond ik in een gedicht van J. H. Leopold: dunpurperen. ‘Die had verkoren / en was ter wone / in een dunpurperen / anemone’. Ook al gaat het over bloemen (gaat het daarover?), de dichter heeft vast ook een keer zo’n vroege februari avondhemel goed bekeken.
   Baldwin was schrijver, Afro-Amerikaans en homoseksueel. Zijn afkomst en geaardheid vermeld ik omdat het thema’s zijn in al zijn werk, zowel in zijn romans als in zijn essays. Hij groeide op in Harlem, New York, waar hij misdienaar was alvorens naar Parijs te vluchten zonder geld. Dit opdat hij niet van de George Washington-brug zou springen, zoals hij het personage Rufus in zijn roman another Country liet doen. Het grootste gedeelte van zijn leven bracht hij door in zelfverkozen ballingschap. Giovanni’s Room is Baldwins tweede (na Go Tell It On The Mountain) en bekendste roman. De Amerikaan David, ‘ex-patriate’ in Parijs, weet eigenlijk niet wat hij doet daar, in Europa, in Frankrijk, in Parijs. Hij wordt verliefd op de jonge Italiaanse barman Giovanni, maar staat zichzelf tegelijkertijd niet toe zich daaraan over te geven. David leeft in een tussentijd, met een voortdurend gevoel ‘zich in te houden’, geen ‘ja’ te zeggen tegen het leven. David belt zijn vader met de vraag om geld, maar die vindt dat zijn zoon nu maar eens moet terugkeren, met een leuk meisje moet trouwen.
   ‘Niets is onverdraaglijker, als men het eenmaal heeft, dan vrijheid,’ zegt David. De dingen lopen voor hem en voor Giovanni niet goed af. En Parijs? De stad is onverschillig.
David is een blanke Amerikaan. Het lag nog niet in zijn macht, zei Baldwin daarover, om naast homoseksualiteit het in hetzelfde boek ook over het ‘Negro-problem’ te hebben. Misschien is er het één en ander veranderd sinds Baldwin weliswaar New York ontvluchtte, maar tijdens zijn leven nooit van de classificatie ‘negro-writer’ afkwam. Op die Valentijnsdag las ik het namelijk vooral als een tragische liefdesgeschiedenis. Dolende twintigers, met een poëtische, ietwat melancholieke inborst, ver van huis, in een grote stad. Tot zover niets nieuws, behalve dan dat Parijs nu niet het romantische decor vormt, of het filosofische thema. Bij Baldwin is het een vreemde stad die niet maalt om de vogelvrije triesten die erin ronddolen. Het doet er wellicht niet zoveel toe dat David blank is, dacht ik aanvankelijk. Na de protesten en de rellen in Ferguson en Baltimore, na steeds nieuwe namen in het nieuws van dode zwarte jongens en mannen, na lezing van Baldwins essay ‘Notes Of A Native Son’, ben ik van gedachten veranderd. Voor het boek zelf maakt het inderdaad niet uit – maar de omstandigheden waren zodanig, dat Baldwin vanuit de periferie moest schrijven. Het was een te lange afstand om in één keer te kunnen overbruggen – het verhaal moest eerst iets naar ‘het midden’ om het in de eerste plaats een geschiedenis van een liefde te kunnen laten zijn.
De beelden van het politiegeweld in de V.S gingen de wereld over. Protest volgde, een hashtag volgde: ‘black lives matter’. Door sommigen werd deze protestkreet vervangen door ‘all lives matter’ en dat is nu precies de crux. De politie in de VS richtte zijn wapens immers niet evenredig op alle burgers.
Wat is racisme eigenlijk? Uitsluiting van de ander, maar op welke gronden? Angst voor het anderszijn van de ander? De schrijver Richard Powers, blanke landgenoot van James Baldwin, schreef zijn roman In the Time Of Our Singing vanuit het perspectief van een half zwart, half blank personage. Maar: ‘Als dat wat zo anders lijkt dan ik, eigenlijk helemaal niet zo anders is, wat doet dat voor mijn gevoel van uniciteit?’ zegt Powers over de racistische motieven van mensen.
   In ‘Notes Of A Native Son’ beschrijft Baldwin de dagen na de dood van zijn vader, hoe hij in New York herhaaldelijk te horen krijgt ‘we don’t serve negroes here’ en hoe hij net op tijd, voor zichzelf of iemand anders te doden, beseft dat hij zo verteerd wordt door haat dat zijn echte leven in gevaar is. Iemands echte leven: het individuele leven, wie je wil zijn.

3.

Wat als er nu geen periferie meer zou zijn? Wie zich verplaatst, is steeds het centrum en tegelijkertijd zie ik dan daar, en daar, en daar: nog meer middelpunten. Hoe kijk je op een landkaart? Vanuit de plaats waar je denkt te zijn.

4.

Lopend door Berlijn, onder een dikwijls grijs gedrapeerde hemel, dacht ik vaak aan beroepsstruiner Walter Benjamin (hoewel hij ook wel eens de tram genomen schijnt te hebben). Ik was voornemens iets over zijn werk te schrijven, over bijvoorbeeld zijn onderscheid tussen een belevenis en een ervaring, of iets over zijn Berlijnse kindertijd. Ik zou de plekken die van betekenis voor hem waren, kunnen gaan opzoeken – ook om een doel te hebben voor mijn wandeltochten, maar ik nam steeds een zijweg, of een omweg, en vergat al lopende waar ik eigenlijk naartoe op weg was.
   Ik kwam naar Berlijn om alleen te zijn, wat altijd makkelijker gaat in een onbekende menigte, en om het één en ander te schrijven, wat me makkelijker leek zonder loonarbeid en sociale verplichtingen.
   Voor vertrek had ik mijn backpack, zoals altijd, overhaast ingepakt en uit een meter voorgeselecteerde boeken er slechts een draagbaar aantal uitgekozen. Zo’n reizend huisdier weegt tenslotte ook wat. Ik nam mee naar Berlijn, overeenkomstig mijn voornemens: Benjamins verzamelbundels Angelus novus en Illuminationen. Het op de valreep mee gegriste boek was Dagboek uit Moskou, waarin Benjamin verslag doet van zijn verblijf in de stad, in de winter van 1926 op 1927. Het alleenzijn van de schrijver, zonder dat hij zich daar expliciet over beklaagt, dringt zich vanaf de bladzijdes onbehaaglijk op aan de lezer. Weinig reisverslagen zijn zo illusieloos als dit dagboek.
   Op de achterflap van mijn Nederlandse vertaling van Dagboek uit Moskou, uit de reeks Privé-domein van de Arbeiderspers, staat dat het boek ‘[…]een poging tot synthese van liefde en revolutie [genoemd]’ is. Een poging tot – wil het boek het één en ander bewerkstelligen buiten het boek zelf? Ik denk van niet en ik vraag me af wat dat betekent, een poging tot synthese van liefde en revolutie? Wellicht moet ik af van de veronderstelling dat wat er op een achterflap staat daadwerkelijk betrekking heeft op wat er tussen de kaften zit. Ik las het pas met aandacht nadat ik het boek uit had en vroeg me af wat ik over het hoofd had gezien en begon opnieuw. Op de Duitse editie, van Suhrkamp, overigens niets van dat alles, de achterkant is een leeg vel dik oranje papier.
   Ik schreef ‘mijn’, maar het boek is niet van mij, het is van mijn moeder, gekocht voordat ze in 1984 naar Moskou vertrok, voor een jaar aan de kunstacademie, waar ze mijn vader zou ontmoeten. In het boek zit een bonnetje van Albert Heijn, vermoedelijk gebruikt als boekenlegger. De datum, in paarse inkt: 14 februari 1980.
   Die boekenlegger heeft dus eerst nog vier jaar tussen allerlei andere bladzijdes gezeten.
   Benjamins dagboek begint met een notitie van 9 december 1926: ‘Op 6 december ben ik aangekomen. Voor het geval er niemand op het station zou zijn, had ik me in de trein de naam van een hotel en het adres in het hoofd geprent.’
   Een kwestie van het zekere voor het onzekere, maar waar het de schrijver-filosoof betreft, is er toch de neiging alles achteraf in een tragisch licht te beschouwen – zeker met de kennis van zijn zelfmoord in 1940. Even verderop: ‘Het was de generale repetitie van De Revisor [van Nikolaj Gogol]. Ik kon geen ticket krijgen, ondanks Asja’s inspanningen voor mij. Ik wandelde langs de Twerskaya richting het Kremlin gedurende een half uur, terwijl ik zorgvuldig de winkelopschriften ontcijferde, me voorzichtig bewegend over het ijs. Daarna, erg moe (en, zeer waarschijnlijk, erg droevig) keerde ik terug naar mijn kamer.’
   De rest van zijn verblijf wordt het er niet veel beter op. Benjamin, met zijn raadselachtige en gecompliceerde liefde voor de wispelturige Letse Asja Lacis, zit nu eens eenzaam op zijn kamertje, is dan weer juist in het ongewilde gezelschap van Reich (Asja’s echtgenoot), in een vreemde stad, tussen de revolutionaire communisten van wie hij zich afkeert. Moskou in de winter ook nog. En er was inderdaad niemand die hem op het perron stond op te wachten. Van liefde of revolutie niet veel te merken, althans, niet veel van wat je je daarvan zou voorstellen. Eerder dan een synthese van twee ideeën die zich a priori niet met elkaar laten verenigen, is Benjamins verslag van hoe het was in Moskou, een verslag van hoe het voor hem was in Moskou. En ja, op de achtergrond, al zijn ideeën, over taal, over verzamelen, over rondlopen in een grote stad.

‘He was what the French call un triste’, schrijft Susan Sontag in haar essay over Benjamin, ‘Under the Sign of Saturn’. De titel verwijst naar de astrologie. De tak van algemeen tijdverdrijf die zich bezighoudt met de stand van de hemel met betrekking tot een mensenleven: dat zou van alles bepalen over niet alleen je karakter, maar ook je toekomst. Het staat geschreven in de sterren. Benjamin zou zichzelf gezien hebben als melancholicus, geboren onder het teken Saturnus, een ‘destructief karakter’.
   ‘13 januari 1927. De dag was op de avond na verloren.’ Benjamin heeft kortsluiting veroorzaakt in zijn hotelkamer tijdens een poging zijn leeslamp te repareren en is nu, in de winterkou, op zoek naar kaarsen, waarvoor hij het Russische woord (svechki – letterlijk: lichtjes) niet weet. Per toeval komt hij een marktkraampje met kaarsen tegen, ‘maar daarmee was de gelukkige zijde van die dag dan ook uitgeput.’ Destructief, wellicht, maar dan toch niet zonder humor.
   ‘One cannot use the life to interpret the work. But one can use the work to interpret the life,’ licht Sontag haar motieven toe om de persoon Benjamin te benaderen aan de hand van terugkerende begrippen in zijn werk. Het destructieve karakter is bijvoorbeeld ook gericht op alleenzijn en op afzondering (wat niet per definitie hoeft samen te vallen met eenzaamheid). ‘The need to be solitary – along with bitterness over one’s loneliness – is characteristic of the melancholic.’
   In Moskou is Benjamin juist niet alleen wanneer hij moet werken, maar wel alleen als hij liever een conversatie had gevoerd.
   Wat biedt verlichting als je geboren bent ‘onder het teken van Saturnus’? Vast dat eeuwige gestruin. Nu is lopen sowieso heilzaam voor het ratelende brein, dat zal ik niet ontkennen. Een alleenloper valt ook altijd minder op dan bijvoorbeeld een eter aan een restauranttafel gedekt voor één. Als je niet leest, is wandelen de meest elegante vermomming voor het nog altijd in je eigen hoofd opgesloten zitten, zonder de verdenking van ledigheid, of eenzaamheid.
   ‘Ik heb het druk’, lieg ik vaak.
   Het antwoord: ‘Ja hier ook druk [in veelvoud].’
   Waar had ik het druk mee in Berlijn? Met proberen alleen te zijn en iets te schrijven over het verschil tussen een ervaring en belevenis. Zo af en toe mijmeringen over een telefoonloos bestaan, maar, o slappeling, het ging me te ver die iPhone in de Spree te gooien. Ik moest er ook nog foto’s van de kat mee maken bovendien, voor op Instagram.
   De korte notitie van Benjamin, ‘Het destructieve karakter’ eindigt aldus: ‘Het destructieve karakter leeft niet vanuit de overtuiging dat het leven de moeite waard is, maar dat de zelfmoord de moeite niet loont.’ Ik stel me voor dat Benjamin dit ook noteerde om een passende karakterbeschrijving rond te krijgen. En conclusies die je enkele malen na moet lezen om alsnog niet te begrijpen wat er eigenlijk staat, zijn Benjamin ook niet vreemd. Maar wat komen we te weten over het leven van Benjamin via zijn werk? Wat komt Sontag te weten? Dat alles wat Benjamin schreef met elkaar in verband stond. Zijn engel van de geschiedenis noemt Sontag niet, maar die hangt overal boven.

5.

Nu ik terug ben in de drukte van de eigen vertrouwde omgeving, wil ik alleen nog maar flessen wijn delen met oude en nieuwe vrienden en de schaarse sterren in de Hollandse lentelucht becommentariëren (‘kijk de sterren!’, ‘heb jij die 3d hemellichamen-app?’, ‘hoe heet de oksel van Orion?’, ‘Betelgeuze!’).
   ‘Wat deed je daar eigenlijk in Berlijn?’
   ‘…’

Nu houd ik niet meer op met praten, het geluid van mijn telefoon staat weer aan. Wat een vreugde, mensenstemmen in je eigen taal. Havermout komt me de neus uit, de mond niet meer in.
   Wie geeft er iets om druppels tegen ramen, wie geeft er iets om luchtkleur als die niet helblauw is.
   Nu is het zo dat ik eigenlijk alweer wil vertrekken, in een trein wil zitten, door een troebel venster wil kijken. Kilometers die verdwijnen voor mijn ogen (maar wat voor een soort afstand is dat eigenlijk?). Een boek te lezen, misschien, en als dat zo uit zou komen, ergens anders uit te stappen.

6.

De reis vanuit Nederland naar Moskou ging voor de val van de muur soms via Helsinki, vaker via Berlijn. In West-Berlijn woonde een neef van mijn moeder, bij wie ze soms verbleef voordat ze achter het ijzeren gordijn verdween (hoe schuif je dat open als het licht wordt? vroeg ik me ooit af) om zich – inmiddels met mij – bij mijn vader te voegen.
   De neef gaf rondleidingen in Berlijn, werd mij verteld. Zijn beroep was stadsgids. Later deed ik navraag over waarom hij naar Berlijn was verhuisd. Van de periferie van de provinciestad, via Amsterdam, naar Berlijn, het centrum van de gayscene. Het nachtleven van Schoeneberg in de jaren 1980 en wat daar nog meer bijhoort: clubs met veel ruimtes, excentrieke outfits met veel – of juist te weinig – leer, veel mensen in de menigte. Waar ik aan denk: Christopher Isherwood, David Bowie. Wat ik mij herinner: hij had een oorbel, hij had een uitzonderlijk vriendelijke lach.    Hij en zijn vrienden bewonderden de trouwjurk die mijn moeder had meegenomen voor haar huwelijk in Moskou. Ze bewonderden de foto’s waar mijn vader op stond.

‘Ben je niet bang voor HIV?’ had mijn moeder gevraagd, op weer een andere doorreis.
‘Ik let goed op mijn gezondheid,’ zoiets. Maar toen had hij het al.
HIV werd AIDS en hij keerde terug naar Amsterdam om daar te sterven.
‘Hij had kanker,’ werd er gezegd.
Ik erfde een knuffel van een nijlpaard – uit de Berliner Zoo?
De knuffel raakte ik kwijt tijdens het heen en weer reizen tussen oost en west.
‘Jammer dat (…) er niet meer is, hij had je zo goed kunnen rondleiden.’

7.

Topografisch gezien zou ik me in Berlijn precies thuis moeten voelen. Maar het is ook een geografische kwestie en welke relatie heeft geografie precies tot een mens die zich verplaatst over de aardbol? Topografie, geografie: het gaat over de aarde, niet over de lucht.

8.

Ik wist niet precies waar mijn moeders neef heeft gewoond. Wel wist ik waar David Bowie heeft gewoond en liep uit gebrek aan een ander concreet adres in Schoeneberg maar naar Hauptstrasse 155. Er was natuurlijk niet veel te zien behalve met wat verbeeldingskracht en herinneringen aan foto’s. Niemand die er nu stond, op die plek, kwam helaas bij benadering in de buurt van zo’n foto met daarop een rokende Bowie en zijn huisgenoot Iggy Pop.
Mijn eigen huisgenoot had overigens ergens een stickertje hangen met daarop: ‘Don’t die with your music still inside you.’
   Vaker keek hij series op de bank, viel daar in slaap, de afwas vergeten, de wekker niet gezet. Zijn gitaar stond in een hoekje. Op een energieke ochtend zette hij een keer Meatloaf op. Tijd voor weer een verhuizing, besloot ik.
   In hetzelfde pand aan de Hauptstrasse bevindt zich een grote boekhandel met tweedehands boeken. Ik ging naar binnen, keek rond, vond een boekje van Baldwin. Ik kocht het niet, ik moest ook nog koffie die dag.

Op een grote tentoonstelling gewijd aan David Bowie, op dat moment te zien in de Martin Gropius Bau, was er ook een afdeling over zijn Berlijnse jaren, van 1977 tot 1979. Christopher Isherwood, inwoner van Berlijn tussen 1930-1933, was nog in leven toen Bowie in Berlijn woonde en de popster, een bewonderaar van Isherwood, schreef hem een brief. Weimar, oorlog, muur.
   Tijdens een eerder verblijf in Berlijn wilde ik per se naar het huis van Isherwood lopen, ook al liep ik met krukken na een fietsongeval. Berlijn is een stad die zich te voet, en zeker te enkele voet, slecht laat bedwingen, snapte ik toen. Desondanks bereikte ik de gedenkplaquette op het huis aan de Nollendorfstrasse 17, was daarna natuurlijk teleurgesteld dat er van Isherwood geen spoor was. Hij schreef er zijn Berlin Stories. Wel waren er nu allerlei bars, waaronder één met de naam Sally Bowles.

In Berlijn worden er Bowie-wandelingen aangeboden, maar ook Isherwood-tours, een Walter Benjamin-kuiering. Voor ergens tussen de tien en twintig euro word je langs de plekken op de kaart van hun beroemde levens geleid.
   Sontag schrijft dat Benjamin graag zo’n kaart had willen maken, een grijze kaart, met daarop in verschillende kleuren alle plaatsen die voor hem belangrijk waren in zo’n stad, en groter nog, in Europa.
   Ik liep per toeval langs een café dat ik op mijn kaart had kunnen zetten. Ik zag mezelf en mijn gezelschap dat niet langer mijn gezelschap was in herinnering daar zitten. Welk tafeltje, welke stoelen, een nanoseconde. Er zaten anderen aan dat tafeltje, op die stoelen en die kaart was dus meteen al weer verouderd, niet meer bruikbaar. Het is makkelijker je voor te stellen dat Isherwood daar in die bar zat, of Bowie in zijn studio met uitzicht op de muur. Ook nanosecondes, maar vastgelegd. Berlin Stories ligt ergens tussen mijn andere boeken, Low, Heroes en Lodger staan op mijn iPod.

9.

Op weer een wandeling (het doel: een potlood kopen) van Neukoelln via Alt-Treptow naar Friedrichshain kwam ik op de brug over de Spree een rupsje tegen, dat ontzettend traag over de weg kroop. Zijn pluizige vacht leek net een zwartgeverfde helmknop en daarin was een wit vuiltje blijven steken. Een rupsje met roos. Meedogenloze fietsers en voetgangers en een woestijn van asfalt. Ik zag nog niet eens een struikje of zelfs maar een bloemig plukje onkruid waar ik hem even af zou kunnen zetten. Een duizendpoot, ook onderweg.

Nog wat regels Leopold:

En zoo groot ingebeeldheid was in dezen
hij mocht zelf zoo een plant wezen
zulk een bloem vredig staande op haren stengel
in halfwezen verloren, gewiegd
door windewil, windewil, die loom wiegt
de tengere met heiligheid, de gewijde
met het volle denkhoofd, het gebenedijde
in een enkel en hoog eenzijn in zich zelven geheel heenzijn
in zich pijnende, kwijnende, bloemmensch alleenzijn.

De kleur van de lucht om 14.25? Emaille, maar het tandglazuur is aangetast. Berlijn, de hemel hangt altijd zó, trekt zich van de stad niets aan.

Over de auteur:

Fabienne Rachmadiev (1985) woont en werkt in Antwerpen en Berlijn. Ze studeerde kunstgeschiedenis en filosofie aan de Universiteit Leiden en werkt aan een proefschrift over kunst en conflict. Volgt daarnaast de opleiding literair vertalen (Russisch, Engels). Werkt graag samen met kunstenaars en filmmakers voor projecten met tekst en beeld. Schrijft gedichten, essays, verhalen.