Blog | Laurens Ham, oktober 10, 2012

Reynaert (3)

Het is een bekende discussie onder neerlandici: hoe houden we onze klassiekers levend voor het grote publiek? Dat klassieke Nederlandstalige werken in eigen land nauwelijks nog gelezen worden, is een bekend probleem. Het heeft te maken met het Nederlandse uitgeefbeleid, maar beslist ook met het kopend publiek. Tekstseries (zoals de afgelopen twintig jaar in Nederland Delta, Griffioen, Alfa en zo nog een paar) doen het in de boekwinkel meestal matig, grote verzamelde werken (zoals die van W.F. Hermans) worden door het grote publiek vaak te duur gevonden, en het eindigt ermee dat de boeken helemaal niet meer verkrijgbaar zijn. Het is een situatie die voor Engelsen, Fransen en Duitsers absoluut onbegrijpelijk moet zijn. Wanneer zij een boekhandel binnenlopen, staan Shakespeare en Swift, Flaubert en Proust, Goethe en Mann in lange rijen klaar, vaak in speciale afdelingen met ‘classics’. Onder scholieren en studenten vinden ze nog altijd gretig aftrek. Vooral in de Engelstalige cultuur lijkt het lezen en onderwijzen van de eigen klassiekers niet meer dan een vanzelfsprekendheid – die overigens versterkt wordt doordat praktisch niemand een andere taal dan de eigen leest.

Daar hoort ook bij dat er voortdurend variaties op klassiekers worden gemaakt: filmbewerkingen, uiteraard, maar ook boekbewerkingen. Of Jane Austen nu tot zombieverhaal wordt herschapen of Robinson Crusoe vanuit vrouwelijk perspectief wordt herschreven, steeds opnieuw wordt het literaire erfgoed opnieuw relevant gemaakt voor nieuwe lezers. Ook in deze traditie lijkt Nederland wat achter te blijven, maar toch wordt ook hier klassieke literatuur herschreven en bewerkt. Zo schreef Kees ’t Hart met Ter navolging (2004) een hedendaagse variant op de briefroman à la Wolff en Deken, varieerde Kader Abdolah in De kraai (2011) op Max Havelaar en bewerkte Dick Matena boeken van onder meer Reve, Wolkers en Elsschot tot graphic novel.

Een van de weinige oudere Nederlandse teksten die echt vaak bewerkt is, is Van den vos Reynaerde. Dat gebeurde al volop in vroeger eeuwen, toen het verhaal keer op keer tot braaf verhaal voor kinderen werd herschapen. Nog niet zo lang geleden werd er een rapversie uitgebracht (door Charlie May, 2008) en een schitterende graphic novel-versie (door Marc Legendre en René Broens, 2010). Die laatste verbeeldt het verhaal in de duisterste vorm denkbaar, met donkere kleuren, fotografisch-realistische plaatjes en talloze verwijzingen naar de canonieke westerse schilderkunst. Broens herschreef de tekst in modern Nederlands, maar hield voor een deel de middeleeuwse woordvolgorde en zinsbouw intact, wat strak metrische zinnen oplevert als ‘Al heb ‘k de vitters niet gespaard en de doven en de blinden, ‘k hoop wel bij hen gehoor te vinden die vurig zorgen voor hun eer, zich erop richten telkens weer deugdzaam te zijn in de praktijk, zijn ze arm of zijn ze rijk, die ’t vatten in de juiste zin. Hoor nu hoe ik hier begin.’

Legendre en Broens schreven een boek dat de vreemdheid van de oorspronkelijke tekst intact houdt: de tekst wordt leesbaarder gemaakt, maar staat ver af van de hedendaagse spreektaal, en de plaatjes presenteren vaak een allegorische wereld vol symboliek. Dat is één manier om zo’n middeleeuwse tekst te bewerken. Maar ook het omgekeerde is mogelijk: een schrijver kan juist op de herkenbaarheid inspelen en het verhaal actualiseren. Dat ligt bij een satirisch verhaal als dat van Reynaert wel voor de hand.

De meest dubieuze satirische, ‘geactualiseerde’ versie van Van den vos Reynaerde werd in volle oorlogstijd gemaakt. Robert van Genechten, een Vlaming die in de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gevlucht was en daar carrière gemaakt had binnen nationaal-socialistische kringen, publiceerde in 1941 een antisemitische versie van de tekst. Daarin doet het ‘neushoornbeest’ Jodocus (zijn kromme neus doet al vermoeden welke bevolkingsgroep hij moet symboliseren) zijn intrede, een figuur die het dierenrijk ontwricht door ongebreidelde rasvermenging van de dieren te propageren en idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap te verspreiden. Reynaert is in deze versie een strijder voor het ‘goede’: hij schaart zich achter het leiderschap van de leeuw Lionel (een duidelijke verwijzing naar Van Genechtens steun aan de Duitse bezetting, zo heeft Frits van Oostrom laten zien) en draagt uiteindelijk bij aan de val van de intrigant Jodocus. Het Reynaertverhaal neemt hier wel een heel sinistere wending en van ontregelende rebellie is bij deze Reynaert weinig te merken. Van Genechtens bewerking werd overigens in 1943 bewerkt tot tekenfilm, maar is in die tijd niet openbaar gemaakt. Pas in 1990 werd een fragment ervan teruggevonden in de archieven van het Filmmuseum.

In 1998 verscheen dan weer een Reynaertbewerking met een heel andere politieke agenda. Paul Geerts bewerkte de stof toen tot het Suske en Wiske-album De Rebelse Reinaert. Dit verhaal is, zoals we van albums over het Vlaamse tweetal gewend zijn, vaak ronduit flauw van toon, maar de politieke boodschap die erin verscholen zit is cynisch. Suske, Wiske en Lambik, terechtgekomen in de Middeleeuwen, ontdekken dat niemand deugt; niet alleen Nobel en zijn gevolg zijn corrupt, ook Reinaert verandert in een regelrechte slechterik. Van de ontmaskerende rol die hij in de Middelnederlandse tekst lijkt te spelen, is hier niet veel over.

Veel explicieter dan in de Middeleeuwse tekst stelt Geerts politiek wanbeleid aan de kaak. Op een van de openingspagina’s, wanneer de dieren bijeenkomen om te klagen over Reinaerts streken, blijkt dat er eigenlijk veel diepere politieke grieven leven: ‘De regering heeft de schatkist geplunderd om in het buitenland aankopen te doen voor het leger! Er zijn kisten vol goud aan smeergeld betaald!’ roept een wolf, en een ander haalt de asielzoekersproblematiek erbij: ‘Arme dieren die hun land ontvluchten en hier bescherming zoeken mogen niet worden teruggestuurd! Er moet iets veranderen in dit land!’ Expliciet maken sommigen burgers – en de koning, die uiteraard aan zijn falend beleid niets wil veranderen – Reinaert tot zondebok die het dieperliggende probleem moet maskeren: ‘Al dat gesjoemel en corrupt gedoe is de schuld van Reinaert!’

Geerts grijpt elke gelegenheid aan om een vergelijking te maken tussen wantoestanden in het hedendaagse België en in het dierenrijk van Nobel. Als de intrigant Isegrim Suske en Wiske in een hol probeert te verdrinken, zegt hij: ‘We zullen de loop van deze beek eens verleggen! Ruimtelijke ordening noemt men dat! Nog wat grote keien om een dam te bouwen! Het Vlaamse Gewest investeert! Hahaha!’ Reinaerts misdaden tegen de kinderen van Coppe de Haan worden met de zaak-Dutroux in verband gebracht (‘We organiseren een Witte Mars! Dan zal er wel iets veranderen’, aldus een geit). Ook het proces tegen Reinaert wordt dat van Dutroux vergeleken. De angst in België dat de rechtszaak tegen de gehate Dutroux op niets zou uitlopen – een angst die oplaaide toen de gevangene in 1998 kortstondig wist te ontsnappen – vindt een pendant in Nobels vonnis in de zaak-Reinaert: ‘Reinaert, je trieste jeugd in aanmerking genomen, je gemis aan kansen en het falen van de maatschappij, die ik als verzachtende omstandigheden wil inroepen, veroordeel ik je tot… een boetetocht naar Rome!’ Aan De Rebelse Reinaert ligt dus een populistisch sentiment over falende overheden en blunderende rechters ten grondslag.

Dat is het gevaar dat op de loer ligt wanneer klassiekers geactualiseerd worden: dat er een platvloerse interpretatie ontstaat, waarbij het verleden slechts gebruikt wordt als spiegel voor het heden. Je zou wensen dat lezers in de omgang met klassiekers juist het vreemde zouden waarderen, maar men lijkt eerder op zoek naar herkenning. Natuurlijk is dat geen schande, maar zo’n actualisering kan een fascinerende tekst als Van den vos Reynaerde wel onnodig simplificeren. Daarom geef ik de voorkeur aan de bevreemdende, gewelddadige, schurende versie van Legendre en Broens.

Laurens Ham (1985) is literatuurwetenschapper en publicist. Hij werkt aan de Universiteit Utrecht aan een proefschrift over autonoom auteurschap in de Nederlandse literatuur vanaf de negentiende eeuw. Daarnaast doceert hij aan de UU en aan de Koningstheateracademie in Den Bosch. Zijn kritieken en essays gaan vooral over hedendaagse Nederlandstalige poëzie en literatuur van de historische avant-garde; ze verschenen onder meer in DW B, De Groene Amsterdammer, NRC Handelsblad, nY, Ons Erfdeel en Parmentier. Daarnaast publiceert hij blogberichten en poëzie bij Terras. In 2011 werd zijn essay ‘Multatuli, een zelfcreatie’ bekroond met de Vrij Nederland/Academische Boekengidsprijs.