thema:

Shang Ch’in (1930-2010)

Op 27 juni 2010 sterft Shang Ch’in in Taipei, Taiwan. Hij is dan tachtig jaar. Shang Ch’in, een pseudoniem, betekent zoveel als ‘Gewonde vogel’. Zijn echte naam was Luo Yan. Zijn biografie, zoals hij die optekende in het voorwoord van een herdruk van zijn eerste bundel Tussen droom en dageraad,  is opmerkelijk. Geboren in de provincie Szichuan, wordt hij op zijn 15e opgepakt op straat door plaatselijke troepen en opgesloten in een schuur. Opvallend genoeg ligt er in die schuur literatuur, die hij eerst links laat liggen, maar waar hij later alsnog naar grijpt. Het is werk dat tot de zogeheten nieuwe literatuur wordt gerekend, die niet meer de klassieke schrijftaal hanteert maar aansluit bij de spreektaal en het toenmalige sociale leven. De troepen nemen hem mee op weg en hij ontsnapt: ‘nog altijd herinner ik me de visserslichten op de Jialing en het klokkende water.’ Het is een eerste van een reeks ontsnappingspogingen, hij ontsnapt en wordt door andere troepen gevangen genomen. De nationalisten nemen hem in 1950 mee naar Taiwan. Daar ontsnappen heeft voor hem geen zin. Steden liggen er te dicht bij elkaar en hij kent geen van de lokale talen. Hij ontsnapt voortaan van de ene nom de plume in de andere.

Tuinier. Dokwerker. Venter van nylonkousen en Westerse sigaretten. Verkoper van noodlesoep. Restauranteigenaar. Journalist. Redacteur. Hoofdredacteur van de China Times. Zijn eerste publicatie is een vertaling in een Frans tijdschrift. Hij schrijft al vanaf 1955 blokvormige gedichten, ook wel het prozagedicht genoemd. Behalve de literatuur in de schuur waren er volksliedjes die hij in verschillende provincies hoorde en ook in handschrift ergens oppikte toen hij gedwongen werd eindeloos door Zuid-China te marcheren.

Publiceren doet hij weinig, in heel zijn leven niet meer dan vier bundels. Hij schrijft dat hij aan een gelukverbeeldingsgebrek zou leiden, maar dat het hem troost dat er geen haat in zijn werk zit.

Ik las Shang Ch’in voor het eerst in een hotelkamer in een onder water gelopen gedeelte van Taipei. In Engelse vertaling las ik het gedicht Giraffe, waarbij een jonge cipier bij zijn superieur meldt dat de ramen van de gevangenis te hoog zitten, omdat hij bemerkt dat de gevangenen alleen maar in de nek groeien. Dat is volgens de hogere niet waar, ze kijken alleen maar op naar de Tijd. Wie of wat Tijd is dat weet de jonge cipier niet. Hij patrouilleert in de dierentuin, bij de giraffenkooi. En daar hup amper begonnen stopt het gedicht.

Ik kwam in dat hotel terecht omdat ik geëvacueerd werd vanuit de Taipei Artist Village downtown, waar ik met een aantal Oosterse dichters verbleef. Ik was daar in het kader van een uitwisseling tussen Taipei en Den Haag. In het United Hotel verbleven Westerse dichters, waaronder leden van de  Zweedse Academie. Ik kan me hun blikken herinneren toen de liftdeur openging en wij als een stel drenkelingen de eetzaal binnen kwamen. De tyfoon Nari, een paar dagen na 11 september 2001, had veel overhoop gehaald. Het geplande poëziefestival ging niet door. Toch waren er voordrachten in het hotel. Drie Taiwanezen waagden de overtocht door de ravage om ons toe te spreken. Een van hen was Shang Ch’in. Een kleine goedlachse man. Hij maakte direct indruk. Sinoloog Göran Malmqvist schreef het onlangs, de eerste keer dat hij de Taiwanees ergens zag staan stootte hij zijn vrouw aan: die man daar moet een dichter zijn en die wil ik vertalen.

De indruk die hij op mij maakte was niet alleen een fysieke indruk. In de bloemlezing Frontier Taiwan die ik op mijn kamer had doorgebladerd was het Shang Ch’in die me het meest aansprak. Ik vroeg hem weer werk voor te lezen. Zijn Engelse vertalers Malmqvist en Michele Yeh waren beiden aanwezig en wisselden elkaar af bij het voorlezen.

In het gedicht ‘Duiven’ balt de spreker een hand en slaat die in de palm van de andere hand: ‘ach, jij onschuldige hand die heeft gewerkt en nog moet werken, die heeft gedood en uiteindelijk ook zelf zal worden gedood, je lijkt wel een gewonde vogel.’ Soms zijn de gedichten die hij schreef cartoonesk. Een taxichauffeur licht hem bij als hij is thuisgekomen in de wijk waar de stroom is uitgevallen, hij steekt de sleutel in zijn eigen hart. Iemand die ’s nachts honger heeft en de koelkast opent heeft een diepgevroren toorts in de hand om de ijskast bij te lichten als opnieuw de stroom uitvalt. Het kan helemaal niet, maar dat wil niet zeggen dat het plaatje als vanzelf oprijst. Op een spooroverweg klinkt een bel, even later overstemt door het gedender van de trein. De blik van de dochter van de spreker wordt meegevoerd door de trein terwijl zijn eigen blik bevriest omdat de trein de stad doormidden klieft.

Als het water is teruggelopen en de straten worden schoongeveegd, glip ik naar buiten. Ik vind een markt in een van de zijstraten van het hotel. Macaber is het beeld van een tafel met rottend vlees, vliegen erboven, dat niet meer kan worden verkocht en ook nog nergens kan afgevoerd. Op veel stoepen zie je huisgerei, de orkaan heeft de binnenkant van woningen naar buiten gekeerd, mensen drogen hun spullen in de wind. In de winkelstraat zijn handelaars weer vliegensvlug begonnen met op kleine formica tafeltjes de nog waardevolle spullen uit hun winkels aan te bieden. Op een straathoek zie ik een torenhoge stapel gesealde videobanden van de  Dalai Lama. Er zijn alsnog wat activiteiten. Alle dichters worden uitgenodigd naar een concert in het DàĀn Forest park. Het is donker en het openluchttheater is stampvol. De dichters worden uitgenodigd het podium op te gaan. De Oosterse dichters aan de ene kant en de Westerse dichters aan de andere kant. We krijgen allemaal een bloem aangereikt. Naast me staat de Estlander Jaan Kaplinski. Hij wil iets zeggen, voelt zich genoodzaakt iets over te brengen aan de mensen hier, dat ze zo moedig een ramp hebben doorstaan, maar hij wordt toegesnauwd door een van de vele lieftallig glimlachende meisjes op het podium: You not read poem now!

Een jaar later is Shang Ch’in in Rotterdam. Bij de openingsgala kiest hij een heel kort gedicht om voor te lezen. Hij gaat het podium op en leest:

 

HOESTEN

 

Zittend in

een hoek

van

een zaal

van

de bibliotheek

 

houd ik me in

 

totdat

iemand een boek

(geschiedenis!)

op de grond laat vallen

 

dan pas

hoest ik

een keer

 

 

Nadat hij het heeft voorgelezen loopt hij direct het podium weer af. Na afloop vraagt iemand in het publiek zich af of deze oude Chinees helemaal naar Rotterdam is gevlogen om dit even voor te lezen en dan weer terug vliegt. Gelukkig is dat niet het geval. De hele week zetten we ons onder leiding van zijn vertaler Silvia Marijnissen aan het bestuderen en vertalen zijn werk. De dichter zit erbij en beantwoordt vragen. Ik ervaar hem als zeer gespannen. De ene keer dat ik hem een compliment maak over een gedicht kijkt hij me streng aan. Shang Ch’in dicht in twee vormen, verzen en proza. Een kind ziet dat een kalkoen het lelletje boven zijn snavel samentrekt als hij eet. Als hij zijn staart uitspreidt, doet hij dat niet zoals de pauw uit schoonheid, maar uit machtsvertoon.

 

Een kalkoen met zijn machtsvertoon tegenover de leegte begrijpt niets van metafysica.

Houdt van het loof van lente-ui, dat rijk is aan bladgroen.

Praat over liefde, maar gaat zelden met zijn geliefde uit wandelen.

Denkt ook, vaak zelfs, maar niets wat voor ons begrijpelijk is.

 

Het duurt vijf jaar voor ik Shang Ch’in terug zie. Nu weer in Taipei. Hij buldert mijn achternaam over de stenen gang van de Taipei Artist Village. Hij komt luisteren, kennismaken, is ontspannen. Hij  spendeert zijn tijd met het bestuderen van oude prenten en stempels. In  meer dan  vijftig jaar schreef hij niet meer dan 167 gedichten. In een interview zegt hij dat hij als vanzelf afstemde op het gedicht in prozavorm omdat hij van nature tegen elke formele beperking ingaat. “Poetry is not a mirror of life, but a way to get inside it,” zegt hij tegen zijn laatste vertaler, Steve Bradbury. Die dagen in januari 2007 zijn de laatste dat ik Shang Ch’in zie.

In een gedicht genaamd ‘The gloves’ trekt de spreker na zijn werk een van zijn handschoenen uit, gooit die op het bed, trekt een sigaret uit het pakje en strijkt een lucifer aan. Dan staart hij door de zwarte rook boven de vlam naar de ooit witte handschoen, die gekleurd is door rode en zwarte aarde. De handschoen ligt plat op het bed, de wijsvinger is gevouwen en maakt een hoek van dertig graden. De pink van de handschoen ligt verstopt onder de ringvinger en de middelste vinger. Het leek net of de handschoen een vinger kwijt was. Snel schudt de spreker de lucifer uit en trekt de andere handschoen uit en gooit die naast de ander op het bed. Die komt op zijn rug terecht met wijduitaande vingers. De vingertoppen wijzen naar de andere handschoen, maken er een hoek mee., op een afstand van tien centimeter. Stil liggen ze niet, ze lagen eigenlijk te trillen, het stel ruwe, roodbruine handschoenen die ooit wit waren. De spreker noemt ze triester dan een weduwe die een langzame wals danst met haar overjas.

Als Shang Ch’in in meer dan vijftig jaar zo weinig gedichten schreef, moet hij hebben gewacht tot iets opnieuw zo eenvoudig werd. Er bestaat een foto van hem waarop hij over straat loopt. Hij buigt een beetje naar voren, als een ober in de startblokken om toe te schieten. En alleen zijn schaduw heeft op het hoofd een hoge hoed.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010) en Naar Whitebridge (roman, 2013). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013). www.eriklindner.nl