Blog | , februari 1, 2016

(slapend gedicht) voorpublicatie

Lauwereyns? Van Adrichem? In de verdwijning ligt de verschijning besloten. Geen alchemie, vergiftiging of andere tovenarij, maar de lyrische plasticiteit en rijke vertakkingen van driftig corresponderende neuronen. Alles begint met het stellen van vragen, met twijfelzucht: ‘Wat blijft in een open bloem / en gaat ons zoogdierverstand / te boven?’ In de hoogste (of laagste) registers van deze samenzang echoot iets wat op een antwoord lijkt. ‘Lokt het je, dan begrijp je het.’

Het riool verschijnt eind februari bij uitgeverij IJzer.

 
 

(slapend gedicht)

Wat blijft in een open bloem
en gaat ons zoogdierverstand
te boven?

Geheimzinniger, evenwichtiger
dan slaap,

de stille verwikkeling
van wat zich kwijtspeelt.

Het wereldse, het waanzinnige,
het droge grimlachen.
Een soort ijle lucht misschien?

Soms geeft het een schorre stem,
oude geluiden
die nieuwe rozen bereiken.

Wegstervend? Verwelkend.

Iedereen en niemand heeft
alle wolken gezien

zonder een rode afwezigheid
waar te nemen.

De spookwitte stem
die ons een echo geeft,
een vergiftiging.

Een dood om graag te sterven,
een magistrale zon,

direct inzicht
in ons daderprofiel.

Ontkennend? Verwekkend.

Een grenzeloos boek
waaruit bladeren opwaaien,
met beelden, lichte huiver

waar zich een wredere koelte onthult
in een afgeworpen designjurk.

Een lieflijkheid
van middelpuntvliedende
schaamte, haar naakte feiten.

Een steile opbouw, een spierverslapping,
wat het ook moge zijn.

Deze sleepversnelling
bij het monsteren
van hysterische levensvormen.

Een omvergeblazen lezing

van de altijd veranderlijke hermafrodiet
met geringe maar meetbare
stofwisseling.

Zo mogen wij de daad verrichten,
de handeling die zichzelf gebiedt,

de zuurvaste gang van zaken
in onze bleke handen.
Zoveel blinde verschuivingen,

te zoet, te blank zijn haar schouders.

Zoveel dove traagheidskracht,
gelegen in wilde grassen, in riet
dat voor niemand en iedereen fluit.

Geheel ademloos zijn wij
gebiologeerd
door twijfelzucht.

Zoveel landschappen met ijverige
onverzadigbare mieren,

een lyrisch mensenleven
met variaties van gemak,
dwars door de wet van behoud,

de eenparig rechtlijnige beweging
van haar etgroene japon.

Soms geeft het
een hees geheel aan holten,
tussen verweerde stemplooien

al dan niet in trilling gebracht
door de waarheid.

De moorddadige fictie,
een verrassende verstaanbaarheid
van zang in de hoogste registers.

Lokt het je, dan begrijp je het.

Versta je?

De lange serenade, een kleine nachtmerrie
van duizend nachten plus die ene.

Wat plakt die nectar!

Wij noemen het moedergesteente,
de horizontale doorlatendheid
van kwelgebieden,

vierkant door de regelmaat,
de razernij van de zoete inval,

het kruisproduct van
grondslagenstrijd en zwaarteveld,

de linke voerstraal.

De procedure die ons in leven houdt,
de vreemde reis ermee afgelegd,
kunnen wij dit allemaal vergeten?

De barbarij van raven die zich wijs achten
in hun onbegrip, we zien duiven
in hun onderwerping, zwart van angst.

De immer opflakkerende onredelijkheid
in almaar engere ruimten
met wijn.

Met bilzekruid, kaneelstokjes,
kruidnagelen, een hypnagoge schok
uit de nachtschadefamilie.

Zachte porno van een bloemkelk,
vlugger ontloken dan ons lief is.

Naar het gewisse,
waar de kromming, gesneden
door de raaklijn, van teken verandert.

De kleverige stengel,
het onvernietigbare gedicht.

Langwerpige bladeren, grof golvend,
de getande wortel, spoelvormig,
de trechterachtige bloem in de bladoksel.

Vuilgeel van kleur en violet geaderd,
een oneindig aantal gladde structuren

dat ons ophitst.

Zoveel stillevens met vlijtige
onverzadigbare mieren.

Zo hard als lippen willen kussen,
dubbel geveerde, sikkelvormige,
dichtgevouwen, winterhard.

Vaak is snoeien overbodig.

De woorden zoals ze stromen,
diepe golven, een nieuwe watermuur,
dan weer snelle oogbewegingen.

Aan de rand van het bad
het geduldige zeewier.

Waar het om gaat
als er geen verhaal is,
alleen een reeks coördinaten.

Zakdoekje?

Een soort virtuele verdovingsvloeistof,
soms geeft het een kalmere adem.

Ondanks of dankzij
het complexe vlak,
het schedelbot,

het moedwillig ongrijpbare.

Op bed in de nacht van Keats,
bij de Spaanse trappen,
gemarteld door Severn.

Hoe het ook in zijn werk gaat
en of het onafwendbaar is.

Tot zingt wat zoemt,
voorbij alle wetenschap en blijft

in een opengevouwen
bloem.

Over de auteur:

Arnoud van Adrichem (1978) is dichter, redacteur van DW B en hoofdredacteur van De Reactor. Hij publiceerde de bundels Vis (2008), Een veelvoud ervan (2010) en Geld (2015).                                                                                                                                                                                                                              Jan Lauwereyns (1969) is dichter, essayist en neurowetenschapper. Hij publiceerde artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, de monografieën The Anatomy of Bias (2010), Brain and the Gaze (2012), de roman Monkey business (2003) en de dichtbundels Buigzaamheden (2003) en Hemelsblauw (2011).