thema:

Speelgoed

Vertaling:

Ze hadden een heleboel speelgoed: tinnen soldaatjes, een teddybeer, een doosje dat kon zingen en een motorbootje. In het park haalden ze hun speelgoed tevoorschijn en legden het in het gras. De speelgoedbeer en het doosje dat kon zingen zetten ze op een parkbank, het motorbootje zetten ze in de vijver.

– Neem je speelgoed mee.

– Dan kunnen we samen spelen.

Dat zeiden ze. Dus ik bracht de bellenstok mee die je me gegeven had. Hij was gemaakt van een heleboel ijsblokjes aan koordjes, die tegen elkaar tinkelden als ik liep. Ik nam ook ijsvis mee die ik zelf had gemaakt. Ik vertelde hen dat mijn speelgoed een beetje wonderlijk was, dat ik het zorgvuldig met mijn eigen handen had uitgekerfd en dat het er elke keer anders uitzag. Maar ze konden het niet zien en ze geloofden het trouwens ook niet.

Onderweg naar het park was de ijsvis stukje bij beetje gesmolten, het water drupte tussen mijn vingers door op de grond. Eerst was zijn staart niet meer te zien, daarna werd zijn hele lichaam steeds kleiner en dunner. Langzaamaan bleef er alleen een onduidelijke langwerpige vorm over, tot hij uiteindelijk helemaal verdwenen was. Met de belletjes van de ijsbellenstok ging het net zo: ik hield alleen kale touwtjes over, aan een stok gebonden. Dat is toch geen speelgoed, zeiden ze.

In het park wisselden ze allerlei soorten speelgoed uit. Ze hielden meer van concrete dingen. Ik deed de touwtjes die ik in mijn hand had dus maar in mijn zak en rende in mijn eentje over het gras. De wind blies mijn nog nadruppende handen droog.

Daarna groeide ik op. In galeries zag ik allerlei tentoonstellingen. Ik zag concreet koper en ijzer, glasvezel en graniet, boomstammen en beton, in allerlei vormen gewrocht, stuk voor stuk stonden ze daar tastbaar en werkelijk. Je kon de vorm van de beeldhouwwerken zien, ze met je hand aanraken. Het was kleur, textuur, vorm, het was abstract of figuratief, helder en duidelijk. Onder de werken stond een naam. Daarom moest ik aan jou denken.

Hoe had jij je ijsbeelden tentoon kunnen stellen? Als je een enorme fles of die wonderlijke maskers in een galerie zou zetten, zouden de mensen niets kunnen zien. Dit zijn toch geen beeldhouwwerken, zouden ze zeggen. Ze zouden zich omkeren en weglopen, op zoek naar concretere dingen. Maar jij werkte niet voor het concrete, niet voor een grote tentoonstellingsruimte, niet voor het publiek dat kwam kijken, en ook niet voor de mensen die je daar met een pen in hun hand stonden te analyseren. Daarom was je juist gelukkig, zei je, daarom had je geen zorgen.

 

Hij woonde destijds op de verdieping onder de hare. Als ze naar beneden liep, kon ze een iets openstaande deur zien, kon ze zien hoe hij bij het raam in een hoek van de kamer stond te beeldhouwen, met een mes en een beiteltje in de hand.

Van de markt bracht hij grote, zware blokken ijs hierheen. Hij legde het ijs op een duwkar met vier wieltjes dat hij ratelend terugreed langs de weg. Er lagen een paar jutezakken over het ijs, en als het water erdoorheen sijpelde veranderden de zakken van rijstkleurig in walnootkleurig. Ze stond altijd bij de poort te kijken hoe hij het ijs optilde en naar binnen bracht. Ze liep achter hem aan de kamer in.

In de kamer was het meestal koud. Als ze binnenkwam, zag ze soms alleen een houten krukje en een lange tafel met vier poten en was de kamer donker. Maar soms ook schitterden de ijsbeelden haar tegemoet als ze de deur binnen stapte: hier een enorme fles, daar een muur vol maskers, elk stuk ijs doorzichtig als glas. Ze stralen echt, zei ze. Hij gaf haar een bellenstok van ijs: een heleboel ijsblokjes aan een heleboel touwtjes. Als de touwtjes heen en weer zwaaiden, tinkelden de ijsblokjes zachtjes tegen elkaar.

Soms gaf hij haar een klein blokje ijs en een spijker of een sleutel, zodat zij ook een visje van ijs kon maken, of een handvormig boomblad van ijs. Als ze met haar handen de blokjes ijs aanraakte, voelde ze hoe prachtig koud ze waren. Het ijs was altijd de volgende dag al gesmolten. Het visje en het blad dat ze gemaakt had, waren langzaam veranderd in water, en de grote fles en al die interessante, wonderlijke maskers waren ook beetje bij beetje gesmolten. Terwijl ze smolten veranderden ze geleidelijk aan van vorm. De mond van de fles zakte langzaam scheef, onder de kinnen van de maskers groeiden vanzelf lange baarden. Voor haar bood dat allemaal weer iets heel nieuws om te bekijken.

Als al het ijs gesmolten was, werd het weer donker in de kamer. Wat is er morgen? vroeg ze. Vliegende vissen, zei hij, zeepaardjes, een xylofoon met toetsen van ijs waar je allerlei noten op kunt spelen. Kan ik later als ik groot ben ook zó’n grote fles maken? vroeg ze, en ze maakte een grote cirkel met haar armen. Haha, zei hij, natuurlijk, nog groter dan zo’n grote fles, en mooi ook.

 

Je was visboer. Je was een visverkoper die ijsbeelden kon maken. Ik weet niet of je eerst vis verkocht en daarna beelden bent gaan maken, of eerst beelden maakte en daarna vis bent gaan verkopen, dat is vast een interessante geschiedenis. Maar jij zei dat het verschil niet belangrijk was.

Ik zag je graag beeldhouwen en ik zag je ook graag vis verkopen. ’s Ochtends vroeg op de markt lag er overal water op de grond en voor de viskraam was het nog natter dan op andere plekken. Mensen liepen in drommen voorbij. Soms bleef een boodschappenmand haken aan een draad van mijn gebreide trui en werd ik zelf bijna meegenomen. Soms streek er een steel waterkers langs mijn gezicht, scherp als een mes. Maar ik wilde per se voor die houten ton blijven kijken hoe je vis verkocht. Je hebt allemaal modder op je schoenen, zei jij.

Ik keek graag hoe de vissen zwommen in de ton, terwijl er water uit een slang op hun lijf spatte. De waterdruppels hadden dezelfde kleur als ijs, maar als de druppels in het water vielen, glinsterden ze niet meer. Als er grote witte bellen in de ton naar boven dreven, waren dat vissen die met hun buik naar boven lagen. Soms zat er een scheef zwemmende garnaal in de ton met een bijna doorzichtig lijfje. Die leek ook wel uit ijs gehouwen, en vaak verdween hij opeens in het water, alsof hij ook maar een ijsbeeldje van een garnaal was geweest dat langzaam was gesmolten.

Vissen die niet meer zwommen lagen op hun zij op de viskraam. Naast hen lagen ijsschilfers. Daardoor was de hele viskraam één zilveren schittering. De mensen die vis kwamen kopen pakten de vissen op om ze te bekijken, vouwden hun kieuwen open, duwden op hun buik en bekeken hun ogen. Sommige mensen hielden een vis voor hun neus om eraan te ruiken, alsof hij een witte magnoliabloem was. De vissen die ze hadden uitgekozen woog je een voor een af. Met een getande rasp schraapte je de schubben eraf en met een mes sneed je de stukjes eruit die weggegooid moesten worden. Daarna pakte je de vissen in een krant die je dichtbond met een streng waterplant.

Als de schubben in het rond vlogen, was het precies alsof je aan het beeldhouwen was. De fijne ijssplinters sprongen net zo alle kanten op en waren even glimmend, even vervuld van een idee van water, even koud, en dat was de reden dat ik graag keek hoe je vis verkocht. Maar eigenlijk was je geen vis aan het verkopen, hè? Je was gewoon nog steeds aan het beeldhouwen, alleen had je nu een vis in je hand in plaats van ijs. Nee hoor, zei je, ik ben vis aan het verkopen.

Die keer vroeg iemand van de volkstelling: Wat doet die man die hier beneden woont? Die is visboer, zeiden ze. Ik zei ook iets:

– Hij is beeldhouwer.

– Hij maakt beelden van ijs.

De onderzoeker van de volkstelling schreef ‘verkoper vis’ op zijn papier, omdat je op dat moment net terugkwam, en toen ze het je vroegen zei je dat je visboer was. Dus toen je daarna een masker aan het uithakken was, ging ik nog met je in discussie. Maar je gaf je me een stuk ijs en terwijl je zachtjes op mijn hoofd klopte, zei je: Waarom mag ik geen vis verkopen? Mijn ogen werden rood. Nee hoor, zei ik, ik vind het fijn dat je vis verkoopt. Als ik later groot ben, zei ik ook nog, dan wil ik net als jij vis verkopen.

 

Maart 1976

Over de auteur:

Xi Xi, pseudoniem van Zhang Yan, werd in 1938 geboren in Shanghai en verhuisde op twaalfjarige leeftijd naar Hongkong. Haar eerste publicaties dateren al uit de jaren vijftig, maar ze werkte lange tijd als lerares op een basisschool. In 1979 ging ze met vervroegd pensioen en besloot ze zich geheel aan het schrijven te wijden. Ze heeft onder andere een roman en vele korte verhalen, gedichten en essays op haar naam staan en is een van Hongkongs bekendste schrijvers.

Over de vertaler:

Annelous Stiggelbout (1981) studeerde sinologie in Leiden. Na enige omzwervingen werkt ze sinds 2013 voltijds als literair vertaler. Ze heeft werk vertaald van onder anderen Yin Lichuan, Xu Zechen en Liu Zhenyun.