thema:

Ik sta overeind (2)

Vertaling:

Vlaggevel

 

Ik schreeuw rood.

Ik hoor geel.

Ik voel blauw.

 

Bloedige zon in de nevel van het ploegen.

Ochtendlijk keelgekir van de Turkse tortel.

Kronkels van aders in het ellebooggewricht.

 

Het stroomt en is blauw in het vermiljoenen zand.

De Rode zee splijt open in een cadmium dageraad.

Vergeelde yoghurt traant uit het ultramarijnen kalfsoog.

 

Oor van Vincent op de planken vloer van de kamer.

Dichtgeklemde kaken in de aarde van de loopgraaf.

Fluiten van de leren riem op het kindervlees.

 

Ik krab rood.

Ik bijt blauw.

Ik raak geel.

 

Spatten licht op de snavel van de merel.

Blauw verkleurde glimlach verzonken in het romige van de kaas.

De malse weide verbergt het gebeente van de afgeslachten.

 

De blauwe inkt kringelt tussen het borsthaar.

De behaarde hand komt neer op de rug van het aasetend insect.

De wind glijdt tussen de wolken.

 

Het stro kleurt de naakte huid zwart.

De gele hond hapt naar de muilezel.

De kleuren versmelten met de loodkleurige nacht.

 

Ik spuug rood.

Ik adem geel.

Ik eet blauw.

 

 

D341, de Chaussée Brunehaut

 

Van hier ga ik naar ja van hier naar daal ik af

vlieg van mijn heuvels naar daarginds veraf. Van hier

kijk ik naar de bergen. Van hier stuiter ik over

de molshopen Kassel Katsberg en Zwarteberg.

Richting Belgische grens in Abeele koop ik

mijn bier op de hoeve bij mijnheer Cuvelier

aan de kant van de hoofdweg naar Poperinge.

Een groen krat met Hommel Bier en een zwart krat met

Westmalle Tripel. Ik kom terug uit ik rij

alsof ik achterin zit. Komend uit het noorden

zie ik de Artesische heuvels zoals vroeger

vanuit de Aronde. Verschuif de hinkelsteen

steek de Brunehaut heerweg over oost-west-as

van Atrecht naar Bonen over de uitstekende

wervelkolom van de heuvels. Het bloedspoor van

de gescheurde spieren van de koningin wordt

door de wielen uitgewist. Duizenden auto’s

schieten voorbij en spuien gas. Zuidwestenwind

die waait vanaf het Kanaal vanaf Stella-Plage

blaast ook dat alles weg de resten yperiet

de resten mijngas naar het noorden in het doek

vol gaten op de molens en in de zilveren

abelen die bevend langs de weg staan. Het snoeien

heeft ze vervormd; de boom die mij het liefste is

reikt naar de hemel maar zijn stekelbaarsjeshaar

verspreidt de zilveren visjes naar alweer het

noorden. Zo niet de wortelkluit die zuidwaarts groeit

naar de warmte van de aarde toe. Eén graad meer

per drieëndertig meter; de kompels in hun

terrils-mausolea met de witte beenderen

van jonge mannen uit Diksmuide uit Vimy

uit Kemmel weten dat. De wolken drijven over

naar het noorden als ijzervijlsel aangetrokken

door de magnetische pool, als een tweede tuin

voor de minnaars van Virginie waar Boreas

alles doet wervelen in de zeven windstreken

van de Navajokosmologie: noord zuid oost

west onder boven in het hart. De schaduw staat

altijd in het noorden als ik van Liegesboort

afdaal naar Gent. Liegesboort met zijn kleine schoof

van Leieriet, een zwart gat vol zwart water dat

naar Gent stroomt, naar Sint-Martens-Latem en door naar de

grazige weide van het lam gods van de broers

Van Eyck. We zien een visser aan de waterkant,

hij lijkt wel wat op die in wit linnen gewaad

van het schilderij. Hij heeft dikke boerenvingers

kneedt daarmee kleine rode balletjes uit het

mystiek gehakt; het bloed van het lam gaat naar de

snoeken de baarzen en de zeelten in de Leie.

Van links komt de Schelde aangestroomd trillend onder

een sleep aken uit Doornik, golvend op weg naar

Zeeland naar het eiland van Johan en van Tien,

onder de eindeloze brug bij Zierikzee.

 

Sinds het begin der tijden bestaat al het Noorden

zo niet het Westen, uitvinding van de drakar

van Erik de Rode, wereldonthuller, of

van de karvelen, van de duif. De zon laat zich

in zee storten, roodgloeiende stromen gietijzer

aan de horizon, een nachtmerrie met airco.

De verrijzenis vlamt in de rijp in het oosten.

Zelfs in het uiterste noorden kijk ik op om

dat andere noorden van de sterren te zien.

Ik zie dat alles hier vanuit mijn kalkgrot hier

onder de regen die doorsijpelt drup voor drup

om op te wellen als artesische bron – rots

die tot de verbeelding van dokter Faustroll spreekt.

Die dag was de hel in Artesië. Het ruwe

linnen zwepend, bespugend met het speeksel van

de driekoppige cobra, Brussel Amsterdam

Kopenhagen, terwijl Christian Dotremont

van het laagland gekomen verdwaalt in het noorden

in de sneeuwbestoven Laplandse logogrammen,

de wilde aardbeivisioenen van Knut Hamsun,

en de kristallen kathedralen van Tarjei

Vesaas. O Mattis en o Matisse het doek,

met de kracht die voortkomt uit de hoogste nood.

een Inuït die een lapje spek gebruikt als

sledeschaats; het bloed van de ijsbeer bruist onder

een dikke witte bontjas. Het noorden zit in de

stalen hemel. De adem wordt gezuiverd door

sneeuw verzadigd met lood dat poeierig is als

de doodskist van de beer die getransporteerd wordt

in de wind; per ipsum cum ipso in ipso;

de scheur in het uitspansel doet ectoplasma’s

klonteren. Ginder wachten mijn doden mij op.

 

 

 

Uit: Je suis debout (éd. La Table Ronde, 2014).

Over de auteur:

Lucien Suel (1948) is een dichter/schrijver/vertaler/tekenaar uit Frans Vlaanderen. Punk, dada en Beat Generation beïnvloeden zijn werk, onder meer in poëtische performances met muzikale begeleiding. In zijn poëzie experimenteert hij veel met vormbeperkingen. Lucien Suel heeft ook drie prozaboeken gepubliceerd, waaronder Mort d’un jardinier (La table ronde, 2008), waaruit Terras #1 een fragment publiceerde, en La patience de Mauricette (La table ronde, 2009). In 2014 verscheen bij dezelfde uitgeverij de verzamelbundel Je suis debout.

Over de vertaler:

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.