thema:

Strip en de verovering van vrijheid

The Art of the Possible, Kenneth Kochs boek met wat je het beste stripgedichten zou kunnen noemen, verscheen pas in 2004, twee jaar na zijn dood. Toch was strip altijd al onderdeel van zijn werk. In heel veel aspecten van zijn poëzie, proza en toneelstukken, kun je strip ontwaren als bepalende invloed.
Bijvoorbeeld in de groteske overdrijving van Variations on a theme by William Carlos Williams, waarin hij Williams’ ‘This is just to say’ in het absurde doordrijft (‘I chopped down the house that you had been saving to live in next summer./ I am sorry, but it was morning, and I had nothing to do/ and its wooden beams were so inviting.’)
Of in het animisme dat in zoveel van zijn werk opduikt, als levenloze objecten beginnen te praten. Schepen schrijven bijvoorbeeld gedichten in ‘Poems by ships at sea’. En in ‘Permanently’ dansen verschillende woordsoorten een taalkundige paringsdans om de dichter uiteindelijk zijn liefde te kunnen laten verklaren.
Maar ook omdat stripfiguren soms letterlijk in zijn werk figureren. Zoals wanneer Olijfje Popeye doodsteekt en samen met Wimpy in een kanonneerboot ten strijde trekt tegen Rusland in een van de ultrakorte toneelstukjes uit One Thousand Avant-Garde Plays. Die plays, zo vol met cartooneske figuren, pratende dingen en groteske gebeurtenissen, zouden overigens stuk voor stuk kunnen dienen als scenario’s voor stripverhalen.

Men vraagt zich wel eens af of Kenneth Koch ‘slechts’ een grappige en lichtvoetige dichter was, of dat hij met zijn werk ook ‘meer’ en ‘iets serieuzers’ bedoelde. Die vraag veronderstelt een scheiding die bij Koch niet alleen niet bestaat, maar waar hij zich ook tegen verzette. Koch gaf naar eigen zeggen “net zoveel om Hekabe als om Olijfje.” In een van zijn poëzieschrijfklassen gaf Koch – een grensverlegger op het gebied van poëzieonderwijs – zijn studenten de opdracht een stripalbum te kopen, en zonder ze te lezen de tekstballonnen met wit papier af te plakken en je eigen dialoog erin te schrijven.
Dat is niet voor niets. Zoals David Lehmann in zijn introductie op The Art of the Possible schrijft, werd Koch volwassen in de bloeitijd van New Criticism, de Amerikaanse poëzieschool in de jaren 1940 en 1950 die formalisme, precisie, close reading en hermetisme voorstond. Hoge Verantwoorde Literatuur waarnaast in die tijd geen ruimte was voor stripliefde. En ook niet voor alles wat de strip volgens Koch kon zijn: schreeuwerig, wild, fris, uitbundig, vrolijk en Amerikaans.
In ‘Fresh Air’ laat Koch ‘The Strangler’ afrekenen met studieuze dichters uit ‘the kingdom/ of dullness’: ‘Here on the railroad train, one more time, is the Strangler./ He is going to get that one there, who is on his way to a poetry reading./ Agh! Biff! A body falls to the moving floor.’ Dat gebruik van de lichtvoetigheid van de striptaal creëert bij Koch de ruimte om met klem – met geweld zelfs – iets uiterst serieus te zeggen.

Aan het begin van ‘Fresh Air’ laat Koch iemand zeggen: ‘You make me sick with all your talk about restraint and mature talent!’ Kochs herovering van het lichtvoetige, het spelende, het expressieve, is uiteindelijk een verovering van vrijheid. Niet in de laatste plaats de vrijheid om te handelen, om te maken, ook al heb je bijvoorbeeld ‘geen talent’. De stripgedichten uit The Art of the Possible zijn daarvan perfecte voorbeelden.

 


Naar ‘Kenia strips’ door Kenneth Koch.

Over de auteur:

Joost Baars (1975) is dichter, essayist, programmamaker en boekverkoper. Zijn chapbook iemand anders verscheen als onderdeel van zijn reeks Halverwege Chapbooks. Daarnaast werden zijn gedichten gepubliceerd in onder andere Het Liegend Konijn, blue-turns-grey en Revolver. Hij schrijft stukken over poëzie voor Poëziekrant en Awater en maakt programma's met literatuurfestival Read My World en poëziepodcast VersSpreken. Eerder verschenen zijn vertalingen van Dorothea Lasky, Kenneth Koch en Robert Creeley, en momenteel werkt hij aan vertalingen van werk van Lauren Shufran en Kazim Ali.