thema:

Thalja

Vertaling:

en staarden elkaar aan ! Mijn mond viel open; mijn linkerduim was slimmer dan ik en drukte op het knopje, mijn rechterhand richtte de speerpunt …..

: ‘Oh=no’ zei ze slaperig (zo langzaam had ik haast nog nooit iemand horen spreken !). En kauwde verder haar grasaren. – : Mensenlief, waarom ligt hier een naakt meisje ? En dan nog op een (gevelde ?) ree ? !

Ze trok een verse halm uit het grofgreinen tasje naast haar; inspecteerde die kritisch; nam ten proeve een beet. Zei dan (nog altijd in slow motion; sommige medeklinkers kwamen opvallend stroef; ook was haar stem bijzonder krachtig; eigenaardig): ‘Jij bent geen opzichter.’[1] besloot ze. Nog een paar beten. Stond op : – ! :

En de gevelde ree samen met haar ! ! ! : ik moest mijn hand tegen mijn voorhoofd drukken (en mijn vingers gaapten wijd, totaal perplex; to say nothing of my mouth) : dus dit. : Was een centaurin ? ? – –

Dus dit was een centaurin ! : en ik mocht meermaals om haar heen wandelen, terwijl ze me doodleuk geamuseerd opnam. – :

Prachtige vlasblonde maantop, boven het voorhoofd in een kekke kuif, à volonté naar voren of naar achteren te dragen : de manen verder tussen de zachte glooiing van haar nek, tussen de schouderbladen naar beneden; handhoog langs de ruggengraat; tot ze ten slotte overgingen in de zwart-gekwaste staart.

Van achteren ongeveer zoals een Grantgazelle : overal een korte, strakke vacht; rug en buitenkant van de dijen een vossig lichtbruin; koffer en binnenkant van de 4 slanke benen wit.

En van voren, daaraan vast, een naakt meisje; met armen ! – Ik stond nu voor haar, en ze hield haar ranke hoge hoofd schuin, en lachte me toe : ? / Haar neus : met een brede rug stevig aan het voorhoofd bevestigd. Een lange rode mond. Hals. Ivoren schouders, volmaakt glad. Bakvisborstjes. Smal heupwerk. Lange meisjesbenen (wel met hoeven : als was er onderaan een moderne harde damesschoen aan vastgegroeid).

Terug naar het gezicht (halt : grote, spitse, bruinzijden oren had ze ook nog; beweeglijk, tegen de wind draaibaar). (Ongeveer 5,5 lang[2] : precies goed). / Ze glimlachte geduldig; schalks. Likte ook één keer met haar tong langs haar lippen : die was aanzienlijk groter dan de mijne; vandaar wellicht de wat zware stembuiging !).

‘Hoe heet jij ?’ schoot me te binnen. : ‘Thalja’[3] zei haar gezicht. En, volhardend : ‘Jij bent geen opzichter.’ / Nee; was ik niet. Stond echter nog altijd als betoverd. (Wat ik zonder twijfel ook was ! : Eén keer sloeg haar staart tegen haar zij).

Betoverd : ‘Ben jij mooi !’ – En ik meende het oprecht. (De aanblik van haar peervormige borsten bezorgde me ook een erectie die je in mijn losse broek makkelijk kon zien; ze bloosde kinderlijk blij.) / Meteen oefenden we onze namen ! Zodra ze zich koket afwendde – : ‘Thalja !’ – en gelijk maakte ze keert op haar achterhand, sprong met een verrukkelijke courbette naar me toe; zo dicht dat haar tepels haast de mijne raakten. (Daarna moest ik me op mijn beurt bokkig wegdraaien; waarop zij onmiddellijk ‘Char-ley’ uitbracht – en toen ik terugkwam, stond ze al verwachtingsvol klaar, de staartkwast maagdelijk timide in haar linkerhand.)

‘Kom je een eindje mee ?’. (En ik vroeg het willens en wetens, me terdege bewust van het hoe en waarom : in haar gezelschap zou ik – tenminste tegenover alle centauren – aanzienlijk veiliger zijn ! Bovendien verwachtte ik dat ons gesprek zeer kostbare informatie zou opleveren over de gevaren hier in de hominidensector.)

Meteen knikte ze ijverig en lang : ‘Oh; graag.’ Ze wilde al door haar voorbenen gaan en haar vlasblonde kuif graswaarts dippen – maar ik was haar galant voor en gaf de spullen aan : een speer als de mijne. Een leren bandelier, overdwars omgehangen, van de ene schouder naar de andere heup (daaraan vast een veldfles en het voerzakje). Dan nog een zonnehoed met een brede, slappe rand (die zette ze à la morbleu, op zijn ouderwets Florentijns, naar achteren – : ‘Chic !’). –

Naast elkaar : onze 6 voeten ruisten in het vlakke, rulle zand. Heel zachtjes. Het mezza voce van ons gekout. Boven ons stil het loofwerk. (Als je je speer omhoogstak, kon je d’r makkelijk bij.) / We staken een brede open plek over met bosjes kruidjes-roer-mij-niet : toen we, opnieuw onder een paar spillebenen bomen, omkeken, herkenden we aan het eindeloze kielwater van nog steeds ingeklapte geveerde blaadjes moeiteloos ons pad. (Waarop we elkaar aanstraalden. – Ik legde ook eens als bij toeval mijn hand op de plaats waar meisje gazelle werd – je kon je vingers heerlijk diep in de wat harde rechtopstaande manenkam woelen : ! – en ze liet me betijen.).

Hoe voer je een gesprek met een jonge centaurin ? – Springen en zwemmen, zeker ? / : ‘Hoe oud ben je ?’. – ‘O’, zei ze, ‘ik ben vandaag jarig : al 24 gow-chrómms.’ – ‘“Gow=chrómms’”?’; ze moest eerst omschrijven wat dat zijn : wat ’s nachts krom schijnt ; steeds anders rond. (Vast en zeker de maan dus !). / En verdere uitleg : met 20 maanden krijgen ze hun uitrusting (ze tikte op het voerzakje), inclusief wapens. Met 40 moeten ze moeder worden. / Drinkwater ? : alle rivieren mondden uit in zoutmoerassen; een paar heetwaterbronnen kenden ze ook.

De cactusvelden ? ! : Meteen trok er een frons over haar voorhoofd, en woedend blekte haar sterke gebit : ‘In sommige zitten toch never=nevers !’ / Mijn fantasie ging al met me op de loop : huizenhoge bidsprinkhanen, geleedpotig, groen pantser ? – Ze zag aan mijn handen dat ik werkelijk geen idee had; en verschafte me uitleg over wat die schoft van een kolonel mij had toegedacht :

Never=nevers ! : De mutatiesprong door de overmatige radioactieve bestraling had, heel algemeen gesproken, vooral tot hexapodie geleid.[4] Of preciezer : er waren combinaties opgetreden, verschillende zelfs, van mensvormen enerzijds en  insecten en hoefdieren anderzijds. Van dat hele efemere zootje waren alleen de centauren vrij stabiel gebleken, net als die never=nevers. (En dan had je ook nog een derde soort, waarvan ik me echter, afgaande op haar verwarde beschrijving, geen goed beeld kon vormen; blijkbaar wel relatief ongevaarlijk. Als ik het goed begreep eveneens met een menselijk gelaat ?).

De never=nevers dus : dat waren reuzenspinnen ! Het weke, giftig-grijze lijf ongeveer een halve yard in doorsnede. Vooraan een mensenkop (met allerlei nieuwe knobbelorganen : puntogen bijvoorbeeld, terwijl de oren weggevallen waren); met een zuigsnuit. Aan twee voorpoten gifklauwen; en zo’n dubbele dosis was zo sterk dat twee ervan  al volstonden om zelfs de sterkste centaur te verdoven. Vier waren fataal !

Daarom ook de ‘spinnenspeer’ met een dwarsstuk; en ze demonstreerde hem : daarmee werd het ongedierte gespiest; in het zand geramd; en dan met knuppels definitief doodgeslagen. / Ze verlieten echter nooit vrijwillig hun cactusstruwelen, de vochtige schaduw. Waar ze hun netten spannen, van bijna niet stuk te scheuren, kabeldik rag. Zo vingen ze onvoorzichtige jonge centies (of oudere, zieke ook, of door plantengif verdoofde). – En ook die ‘derde soort’; die, zoals ik stilaan begon te begrijpen, in 2 verschillende vormen voorkwam. / In elk geval was dat voldoende grond voor doodsvijandschap. (En ook ik huiverde enigszins toen ik me voorstelde : hoe ik me van geen kwaad bewust de koele schaduw had opgezocht. Misschien zelfs een uiltje zou hebben geknapt aan de voet van een van de harige pijlers – : wat een smeerlap, die commandant ! ! / En de hele militaire politie evenzeer : wilden dus niet dat er iets zou uitlekken, en hadden me in werkelijkheid de permit alleen maar verstrekt in de perfide veronderstelling dat ik toch niet zou terugkeren !)

(Wat betekende dat ik, ook in de toekomst, ui-terst voorzichtig moest zijn ! Een publicatieverbod ware nog het minste. Gesteld dat ik het er levend van afbracht. (En om dat te bereiken eerst hier mijn Thalja zien te lijmen; en wel tot het gaatje !)).

‘Thalja ? !’: Ze stak haar onderkaak naar voren en produceerde een diep, genietend ‘Mmmm ?’. Ik ging voor haar staan. Nam haar bij beide gladde schouders; (die zij maar een ienemiene stukje achteruit trok; net zo veel, dat haar borst daardoor verder naar voren bolde : slim gezien !). Ze trok de uiteinden van haar geprononceerde wenkbrauwen schuin omhoog. Begon sterker te ademen. Haar witte flank, hoef tot schouder, kwam schuin naderbij. Haar staart zwiepte opgewonden rechtslinksrechts : Linksrechtslinks. / (En toen de eerste geslaagde kus !).

Ze betastte met onhandig razende vingers mijn ruwe vesthuid : ? – die speelde ik dus uit. Waagde ook in elke greep een borst te nemen : (enorm stevig; als witleren peren. Het hele voorste derde een rozeruwe tepel zonder hof). / Ze hield het niet langer uit. Reutelde bekoorlijk gooide haar pezige armen over mijn schouders en drukte stiet haar borst tegen de mijne. Ogendicht. Stak een reuzenportie tong in mijn mond (en smaakte goed en warm; naar graszaden; spelt & kafnaald viel me in, graanmond, combine … ? – : ! – :

want onder de grond weerklonk een fijn hoog geblaf ? ! – Maar ze loste onze touch niet; alleen haar oren spitsten zich even waakzaam (tot ook mij daagde dat het gewoon prairiehonden konden wezen. En ik weer krachtiger toegreep).). –

Op een dichter begroeid stuk toelopen (en ondanks alles kreeg ik grote en talrijke scrupules !). / Maar de schaduw van de hoedrand, gelobd en citroengeel, hing zo vlot over haar wang. En ze hield me zo vlijtig bij de hand. En bekende :

‘Shilbit – mijn vriendin – is ook eens 14 dagen met een opzichter geweest. En heeft me alles verteld : waaaaauw !’ Ze snoof en wierp verrukt haar bovenlichaam naar achteren : ‘Kun jij dat ook ? Bij ons mag dat, zodra je 20 bent : alles bedoel ik !’

In de bosjes dus (en zij ernaartoe gewend; haar eerste keer; snorkend van geluk.) / Ik deed dan ook mijn uiterste best (en toch een verdomd vreemde situatie : ik moest steeds weer mijn ogen sluiten ! Tenzij ze allergevaarlijkst haar gezicht naar achteren boog; het volstond niet, maar we kusten tenminste de lucht voor onze gezichten. En zo kon je je een meisje inbeelden.) / Tot ik zoetjesaan kruislam werd. Van haar smakkende Frans.[5]

Nahijgend van het liefdeslabeur; haar flanken klopten nog; lagen we naast elkaar. / Haar voorbenen onder zich. Al haar warmigheden. Haar blonde staart komeette af en toe nog boven ons : beiden. Haar hoge hoofd begon te knikken; te mompelen : ‘Dat smaakte goed van achteren !’ (vurig knikken : knikten haar borstjes mee; eentje nam ik steeds te grazen; met m’n lippen; tot ze slaperig lachte. En eindelijk het gele bosje gras op haar hoofd tegen het mijne vlijde. (En lui gekus. En grasadem.)).

(Hoeveel ‘maanden’ had ik er eigenlijk al op zitten ? Voor het geval ze ernaar zou vragen. : 30 keer 12 (‘gaat niet op; eentje onthouden’). Daarbij de rest van de 29,5 omloopdagen; en dan nog 4 of 5 … komt op afgerond ….. nou: 375. Dus laat ik 100 zeggen. (Of 80 ?). – Als ze ernaar vraagt ?) –. –.

Meteen ook wat geslapen ! (Maar nog altijd middag : eerst had ik gedacht, dat ik ‘alles’ gedroomd had. Tot ik haar meermaals goed bekeek; ze was al wakker).

Liet, in gedachten verzonken, haar hoofd zakken; trok hem naar zich toe, en knabbelde aan de tip. Omstrengelde hem met haar lange, gespierde tong (zo ruw dat ie wel behaard leek !); trok hem lang, en slikte hem naar binnen[6] : en dat heet dan siësta ! …..

Weer op weg, over ditjes & datjes : allemaal hadden ze een nikkelen tangetje in hun tas, om de stekels van vetplanten af te knippen en vervolgens op het diksappig vlees te kunnen zuigen. (Terwijl ik het roestvrije gereedschapje bekeek, dartelde ze opzij; vijgde daar discreet; veegde zich ook zorgvuldig schoon (met veel bladeren). En kwam in telgang weer aan mijn zij gedrenteld.) / Op mijn vraag ? : Ja. Dat konden ze naar believen afwisselen. Wat ze ook deden, vooral bij langere tochten, om de spiergroepen gelijkmatig te belasten : nu eens telgang, dan weer gewoon.

‘Bloedjeheet dit !’ Maar ze haalde slechts bedrukt haar schouders op : ‘Als je tegen morgen naar World’s End wil …’. (Ze noemen de grote muur dus het ‘einde van de wereld’. Volstrekt logisch eigenlijk : niemand weet wat er aan de andere kant is ! – Of toch wel ? Onwaarschijnlijk.)

Toen kwamen we op een uitgestrekte zandvlakte. Alleen om de 2, 3 mijl zo’n vervloekt cactuseiland : honderd passen diameter, hoog als een huis en strak van de stekels. (Nog afgezien van de doornroosjes die er misschien in woonden !) – (Ze steigerde ook regelmatig : zo werd ze drie handbreed langer dan ik ! – En keek uit ….. : ? …..

En begon opeens te trillen; haar neusgaten opengesperd, maar niet uit angst; haar onderkaak naar voren ….. : ‘Opschieten !’ commandeerde ze (met een ineens donker dreunende contr’alto, als uit een ton). Deed ook 50 verende sprongen op iets af, zodat ik achterop bleef (en knielde daar als de weerga in het zand ?) :

Een dood centaurenkalfje ! ! : ze voelde met haastige handen; hief de slappe beentjes – en wees me dan de rood gezwollen steken : ‘Never=nevers !’ hinnikte ze. Nam het nog eens vast : ? ‘Misschien nog net in leven ?’. Dacht na met een kwaad malende onderkaak; en sprong op als een stalen veer :

Een circuspirouette op de achterbenen, de horizon rond : daar was de zon, aha. Daar die steen; daar die ene boom ? : ‘Hier wachten !’ schreeuwde ze : ‘Geen zorgen, loopt wel los ! – En over 10 minuten steek je je hoed op de punt van je speer en hou je hem zo hoog je kunt : ik haal de rest !’. Boog haar bovenlichaam naar voren, de armen gekruist over de borst, zodat elke hand een andere schouder hield – en snelde weg, ventre à terre, dat het zand me om de neus stoof !

: Tering wat een tempo ! ! : daar raasde ze al tussen 2 bosschages; schoot met alle vier de benen de lucht in, maakte een sprong en vloog als een vogel over een groter obstakel; stormde over de verste glooi in het terrein – : en was verdwenen.

 

 

 

 

 

 

Uit: De geleerdenrepubliek. Korte roman uit de paardenbreedten (1957)

[1] ‘Ranger’ in het origineel; in wat volgt zult u de redenen begrijpen die mij de term ‘opzichter’ deden kiezen.

[2] Dit stemt overeen met 1,65 meter in de oude Duitse lengtemaat.

[3] Op zijn Amerikaans uit te spreken; in het Duits ongeveer te transcriberen als ‘Ssáldja’ met een halfscherp gelispelde ‘Ss’ aan het begin. – Zij later analoog : ‘Tsjaa-Lie’.

[4] Zesvoetigheid.

[5] Onbegrijpelijk. – Zoals uit het voorgaande – en ook infra – onmiskenbaar blijkt, is de taal van de in die regio voorkomende centaurensoorten een soort van, licht gecorrumpeerd, Amerikaans. Gezien de voor de auteur typische haast – vermoedelijk een beroepsziekte, zoals men zo vaak ziet bij reizende ambachtsgezellen – moet men dergelijke onnauwkeurigheden wellicht voor lief nemen.

[6] Als ik het bij het rechte eind heb, bedoelt de auteur een halm buffelgras, Buchloe dactyloides Engelm.

Over de auteur:

Arno Schmidt (1914–1979) publiceerde talloze verhalen, romans en radio-essays over literatuur, schreef twee eigenzinnige studies (over Friedrich de la Motte Fouqué en Karl May) en werkte als broodvertaler uit het Engels (o.a. Poe, Bulwer-Lytton en J.F. Cooper). Vanaf Zettels Traum (1970) verschenen zijn experimentele prozawerken als facsimile-typoscriptbanden op A3-formaat. Delen van zijn vroege proza zijn verschenen in het Nederlands (bij Perdu en IJzer), in vertaling van Jan H. Mysjkin.

Over de vertaler:

Iannis Goerlandt (1980) is literatuurwetenschapper, vertaler en redactiesecretaris van nY. Hij schreef een proefschrift over Arno Schmidt en vertaalde boeken van David Foster Wallace, Sheila Heti en Insa Meinen. Recent verscheen Schakelpauzes, een bundel met teksten van en over Thomas Meinecke die hij redigeerde samen met Arne De Winde, Michiel Rys en Dear Reader.