thema:

That person

Ik las een boek en at een salade op een terras aan een druk kruispunt in Parijs toen een man tussen de twee etappes van z’n oversteek op de vluchtheuvel bleef staan. Traag begon hij een dans uit te voeren tussen het doorgaande verkeer. Af en toe keek hij om zich heen, alsof hij inspecteren wilde of iemand hem bekeek. Niemand. Passanten hielden hun blik strak naar beneden of op de overkant gericht. Een kind probeerde stil te staan, maar z’n moeders sjorrende arm trok het haastig verder.

De man was geen clochard, daarvoor zag hij er te verzorgd uit, had ik in een paar vlugge blikken vastgesteld. Vlug vanwege mijn ongemakkelijkheid, dat ik als hij wist dat ik hem bekeek, dan de grens leek te bepalen, dat hij midden op straat ongewoon stond te doen en ik, ik was normaal. Was het kruispunt leeg geweest, dan was er niemand om deze grens te trekken. Dus wie anders dan ikzelf bepaalde dit onderscheid?

‘En wat is een echte krankzinnige? Dat is iemand die liever gek is geworden, in de maatschappelijke betekenis van het woord, dan verraad te plegen aan een verheven opvatting van menselijk eergevoel’ lees ik in Antonin Artaud’s essay Van Gogh, de zelfmoordenaar door de maatschappij. Het essay is een tirade over gekte en hoe die gekte door de samenleving tegelijk gemaakt en veroordeeld wordt. Artaud schreef de tekst in 1947 als reactie op het boek van een psychiater waarin Vincent van Gogh tot ‘ontaarde gek’ wordt verklaard. Fragmenten eruit werden in een kunsttijdschrift gepubliceerd precies op het moment dat er een grote overzichtstentoonstelling van de schilder in Parijs plaatsvond. Artauds weerwoord werd bekroond, in boekvorm uitgebracht en diende van maart tot juli 2014 als raamwerk voor de gelijknamige tentoonstelling in Musée d’Orsay .

 

Met tegenzin had ik in de lange rij gestaan. Een medewerker schoof een bordje langs ons heen waarop de resterende wachttijd aangegeven stond. Dat was een uur en bleef een uur: steeds als ik dacht het bordje voorbij te zijn, gebeurde er vooraan in de rij iets wat de medewerker ertoe noopte het uur weer voor me te plaatsen. Ik had veel tijd om me aan de bombastische titel van de tentoonstelling te ergeren, zó veel dat ik me moest inhouden niet onder het koord door te stappen, terug de stad in. Ik had helemaal geen zin om ergens naar binnen te gaan waar de grote woorden Zelfmoord en Maatschappij zo stellig tot elkaar veroordeeld waren.

Op de reusachtige poster liepen ze in elkaar over, de portretten van Artaud en Van Gogh. Het is geen vergezochte combinatie. Artauds leven bestond voor een groot deel uit ziekte. Hij raakte jong verslaafd aan opium, een gevolg van de opiumtinctuur die hem als geneesmiddel werd toegediend tegen zenuwpijnen. Depressies, manieën en psychosen zorgden ervoor dat hij negen jaar in psychiatrische inrichtingen doorbracht. Toen hij in 1946 door vrienden werd overgehaald weer in Parijs te komen wonen, was Artaud vijftig, maar zag eruit als een bejaarde man. Elektroshocks hadden zijn gezicht verwrongen. In de stad kampte hij de laatste twee jaren van zijn leven elke dag afwisselend met de rol van ‘excentriekeling’ en ‘onaangepaste gek’. Hij was waanzinnig productief, schreef dag en nacht; zijn explosieve manifesten over het lichaam, het theater en de kunst kwamen op zijn kamer, bij vrienden, in het café en in de metro tot stand.

Ook Van Gogh maakte het grootste deel van zijn schilderijen in zijn laatste jaren. Dit jaar is zijn zelfmoord 125 jaar geleden, maar de speculaties over zijn geestelijke gezondheid en het effect ervan op zijn werk hebben al die tijd onverzwakt aangehouden. De verschillende versies behelzen schizofrenie, psychosen en manische depressie, maar ook de ongezonde invloed van terpentijnolie in de zon wordt in overweging genomen. In sommige versies wordt de gekte afgezwakt tot koppigheid, een grimmige liefde voor de nacht of ‘terugkerende schemertoestanden’ . Zelf schrijft Van Gogh in een van zijn brieven aan zijn zus Wil: ‘Het zijn soms verschrikkelijke angsten zonder duidelijke oorzaak, het is een gevoel van leegte en vermoeidheid in het hoofd. Ik beschouw het geheel meer als een ongeval (…)’ .

 

In d’Orsay waren vijftig schilderijen samen met brieven, radio- en filmfragmenten van Artaud en delen uit het essay bijeengebracht. De hele tentoonstelling leek vooral te gaan over de persoon Van Gogh gefilterd door Artaud, en over Artaud zelf. Die man had ik niet nodig voor het bekijken van schilderijen. Toch brachten z’n teksten gaandeweg een gevoel van ongemak in me teweeg. Iets onbehagelijks dat ik moeilijk van me af kon schudden. Het ging mij aan, en al mijn ontmoetingen met dansende mannen op kruispunten, tierende zwervers en dorpsgekken, inclusief de plaatsvervangende schaamte die met dat soort situaties gepaard gaat. Het ging mij aan en mijn week met Frans, toen ik zestien was en op vakantie ging naar Limburg met een groepje geestelijk gehandicapte mensen. Frans lachte nooit, vloekte continu binnensmonds, maar had allerlei tics die zijn dagelijkse leven er in ieder geval aan de buitenkant heel vermakelijk uit deden zien. Zo smeerde hij voordat hij aan z’n vlaai begon eerst routineus een klodder slagroom op z’n veter, om die als z’n schoteltje leeg was, razendsnel als laatste hap op te halen. ‘Besteed er maar geen aandacht aan,’ had de andere begeleider, Joop, me gezegd. Samen met deze zojuist gepensioneerde zakenman, had ik een groep van zes mensen ‘gekregen’. We aten veel vlaai. Behalve Frans was er Astrid, een forse hoekige vrouw, die alles in het werk stelde om de aandacht van Joop te krijgen, staarden twee mensen onafgebroken glazig in de verte tot de taart een prikkel tot actie gaf, was er een man die geen zin voorbij liet gaan zonder Feyenoord te zeggen en een vrouw die toen ze me voor het eerst zag, haar vinger in mijn borst drukte om mij toe te fluisteren dat ik het op mijn geweten had, ik kon stoppen met ontkennen, ik was erbij, met al dat bloed, ik had het allemaal gezien. Soms liet Astrid plotseling haar poeslieve manoeuvres richting Joop varen, om HONGER GODVERDOMME te roepen, als de vlaai niet snel genoeg haar kant op kwam. Ik kende de verhalen van deze mensen niet. Ik wist alleen dat ze niet zo ‘waren geboren’. Het leven had hen dit aangedaan, had het reisbureau erover gezegd. Te veel ongeluk, te veel verdriet, een cocktail van trauma’s, psychosen en medicijngebruik plus van jongs af aan instelling in, instelling uit. Er was iets losgeschoten in hun hoofd, een elastiekje waar de spanning af was geraakt.

 

In Artauds versie van Van Gogh is de man niet gek, het is de maatschappij die hem dat maakte, hem geen andere keuze liet dan zelfdoding. ‘…er is een heel legertje boze geesten nodig,’ schrijft hij, ‘dat het lichaam dwingt tot de tegennatuurlijke daad die erin bestaat dat je je van je eigen leven berooft‘ . Nooit kwam iemand alleen ter wereld, en niemand ging ooit alleen dood, dus ook zelfmoord vindt altijd plaats te midden van en in relatie tot anderen.

Boze geesten zijn voor Artaud heel duidelijk Van Gogh’s psychiater en zijn familie, maar ook alle mensen die niet voor zichzelf willen denken, en dat is bijna iedereen. Een grijze massa, omdat we allemaal gewillig de waarheden volgen van een maatschappij die hoewel ze zelf bol staat van hypocrisie, regels formuleert over hoe te leven en hoe zich te gedragen. Artaud verwijt de menigte dat ze zich liever in het comfort van voorgesmede gedachten en patronen nestelt, dan dat ze zelf op zoek gaat naar wat voor haar waarachtig is. Naar een eigen interpretatie van zingeving, maar vooral ook: de zinloosheid van het bestaan. ‘Ze bestaat omdat de mens/ op een goede dag/ zijn denken over de wereld/ heeft stilgezet. Twee wegen lagen er voor hem open:/ die van de oneindigheid buiten/ die van de beperktheid binnen. En hij heeft gekozen voor de beperktheid binnen’.

En het lijkt waar, op die weg zijn er weinig geaccepteerde zijpaden voor de verkenning en doorleving van bijvoorbeeld angsten en somberte, zonder dat die meteen op de stoel bij de huisarts eindigen. We leven er liever omheen. Vragen als ‘alles goed?’ omzeilen behendig de mogelijkheid van afwijkende gemoedstoestanden, en op straat ontwijken we automatisch onregelmatigheden, bang dat het te dichtbij komt, bang dat het bij ons naar binnen kijkt. Ook ik ben eraan gewend geraakt mijn gezicht in de plooi te houden als ik naar buiten ga, of een opwelling tot schreeuwen te onderdrukken in de rij van de supermarkt. Op mindere dagen draag ik een grote capuchon, om hoewel mank van binnen toch gewoon mee te draaien. Het is de keuze voor de beperktheid die ons aanmoedigt al het onaangepaste, onredelijke, duistere en pijnlijke in onszelf – kortom: al het andere – te onderdrukken . Wanneer het iemand niet lukt, schrijft Artaud, om het ‘andere’ aan banden te leggen en zich dus openlijk onaangepast gedraagt, zijn daar het woord ‘ziek’ voor ontwikkeld en de psychiatrie om de orde te beschermen tegen mensen die zich erbuiten begeven. Deze overdrachtelijke betekenis ligt ook in het woord clochard besloten: clocher, mank lopen, hoeft niet alleen op de lichamelijke aandoening te slaan, maar ook op het figuurlijke, niet juist gaan.

Door ons te gedragen zoals het hoort, – nauwkeurig een bepaald evenwicht bewakend – trekken we volgens Artaud als schimmen van onszelf door het leven, vervreemd van ons eigen lichaam. Dit terwijl ons lichaam bij uitstek ons innerlijk kan weerspiegelen, waarin juist heel veel ongehoords, heel veel ‘anders’, kan worden toegelaten. Dat zou meer recht doen aan het menselijk bestaan dan alleen schaduwkanten in de beslotenheid van een huis, een kussen, of met een fles wijn toe te laten. Daarom beziet Artaud het maken van kunst en theater, of het schrijven van een tekst, niet alleen inhoudelijk als zoektochten naar waarachtigheid, maar ook als de ultieme handelingen van het lichaam waarin alles, dus ook dat ‘andere’ mag worden toegelaten. Artaud zag in Van Goghs schilderijen geen verstoorde geest, niet de uitkomst van hallucinaties of visioenen maar ‘de verzengende waarheid van de zon om twee uur ‘s middags’. 

 

In Limburg bleef de groep het liefst binnen. Een activiteitenprogramma moest ervoor zorgen dat we veel in de buitenlucht zouden komen. Buiten en lucht als variatie op de onveranderlijke muren van de slaapkamer, eetzaal en tv-ruimte, maar zelfs op vakantie bleken die muren moeilijk te verlaten. Het succesnummer, dat we op een gegeven moment twee keer per dag uitvoerden, werd daarom de koffie met vlaai.

Astrid ontkende van meet af aan mijn bestaan. Dat had ik in de bus op weg naar de groepsaccommodatie al begrepen, ze ssssjttte me weg toen ik vroeg of haar stilte misschien met heimwee te maken had. Veel mensen hadden namelijk bij de bushalte al aangegeven verschrikkelijk naar huis te verlangen. Maar Astrid wilde alleen met Joop praten, wat onmogelijk zou blijken, want hoewel ik nog nergens stevig in stond, kwam ik in deze situatie toch het dichtst in de buurt bij het concept van de ‘vrouwelijke begeleider’.

Ik vond het lastig mijn houding te bepalen. Tegenover Astrid, die ik geen ongelijk kon geven als ik ’s avonds op haar kamer kwam om haar in bed te helpen en ze me tussen onbedaarlijk snikken de gruwelijkste verwensingen toesmeet. Zij was vierenvijftig en ik zestien, zag ik dat dan niet, waarom zou ze überhaupt een woord van een kind aanhoren, laat staan dat kind iets uitleggen, het was ronduit belachelijk. Ik liet haar dagen ongewassen naar bed gaan. Maar behalve de verantwoordelijkheid, vond ik het vooral lastig mezelf steeds te midden van het groepje te zien. Op straat kon ik na de vlugge blikken van voorbijgangers het plaatje in hun hoofden tot stand zien komen. Ik zag mezelf mijn groepje over het zebrapad loodsen, een hele geconcentreerde operatie, een konvooi tussen twee stoepranden. Op een bomvol terras werd ik me bewust op hoeveel punten het fout kan gaan met het drinken van een glas water, en ook hoe onze stille tafel in afwachting van de vlaai een gat sloeg in de uitgelaten zomerdag. Fel afstekend tegen de grijze massa maakten we haarscherp zichtbaar hoe iedereen om ons heen georganiseerd voor de dag kwam. Er waren vloeiende gesprekken, te bereiken bestemmingen, te volgen routes, en vooral bewegingen die geen aandacht trokken. Mondenafvegend, kruispuntenhoedend, boerenafwijzend en gesprekkenoppokend begreep ik heel goed dat voorbijgangers hun gezichten van ons afwendden. Ik zag de stellige verdeling tussen mijn groepje, de menigte en ergens in het midden mijzelf. Lijnen die scherp waren getrokken. Gedurende de week drong zich de vraag steeds sterker op, hoe hard die grenzen eigenlijk waren, en hoe verwisselbaar onze posities misschien.

 

Artauds essay siste na de tentoonstelling een poosje in mijn achterhoofd na en zakte weg, tot ik een videoregistratie zag waarin de kunstenaar Matt Mullican onder hypnose een performance uitvoert. Hij doet dat al sinds de jaren ’70 en elke performance weer komen dezelfde handelingen bovendrijven. In een met tape gemarkeerd gebied staat hij voor zijn toeschouwers te vloeken, te tellen en te huilen, trekt hij zijn broekspijpen op om manisch z’n benen te krabben, zingt, tekent en schreeuwt zichzelf toe: YOU FUCKING SHIT YOU DON’T KNOW WHAT YOU ARE DOING YOU FUCKING PIECE OF SHIT als een afgaand alarm, of met z’n hele lichaam schurkend over de vloer: MULTIPLY MULTIPLY MULTIPLY. Soms lijkt hij even bij zinnen, toerekeningsvatbaar, maar raakt dan de weg weer kwijt. Als kijker van de documentatie kan ik niet anders dan me afvragen waar ik naar kijk. Onvermijdelijk dringt het wantrouwen zich op: is dit echt? Is het geënsceneerd? Het is zo privé, mag ik dit wel zien? Ben ik getuige van Mullicans onderbewuste, een gespleten persoonlijkheid, een idioot, een oeuvre?

Mullican zelf praat over die zijnstoestand in de derde persoon, noemt het that person. That person is steeds de weg kwijt, om zichzelf in een handeling weer terug te vinden. Mullican is op zoek naar ‘the world unframed’, waar het gaat over pure ervaring, zonder tussenkomst van door mens gemaakte regels en wetten, zonder schaamte en zelfscensuur . Zonder de mentale kaarten, die ons allemaal op het rechte pad houden.

 

Kaarten die routes aangeven, die je niet met doorgelopen mascara in pyjama hoort te lopen en die geen vertakkingen bieden zoals je frustratie uitschreeuwen of op de grond gaan liggen in de rij voor de kassa in de supermarkt. Gesprekken verlopen via de legenda, die vriendelijk doch dwingend verzoekt tot het produceren van rechtlijnige, verstaanbare zinnen. Kaarten die zeggen dat ik de meeste dingen toch echt voor mezelf moet houden, in moet slikken. Kaarten met afgronden als somberte over een mogelijk zinloos bestaan, voorzien van allerlei vluchtwegen zoals het onderdompelen in tv-series, games, drugs en alcohol. Kaarten vol geaccepteerde vormen van omgaan met leegte. Kaarten die we heel dicht voor ons gezicht houden om ons van een tierende zwerver af te schermen, de dansende man op straat te ontkennen of een hobbelend groepje dat maar niet het einde van het zebrapad bereikt.

 

Het is volgens mij precies dat krampachtige wegkijken dat onze angstige houding verraadt. Zelf ervaar ik in dat wegkijken voor een seconde de angst ‘dat het hopelijk met mij nooit zo ver hoeft te komen’, waarna de geruststelling volgt dat ik er zelf zoveel beter voor sta. Maar die seconde is er een van grote angst, omdat ik het – hoe kort dan ook – als een realistisch scenario kan bevatten. Ergens leeft het bewustzijn dat ook ík dat punt kan bereiken, dat er misschien niet zoveel voor nodig is als het lijkt. Misschien ligt het wel om de hoek van dit evenwichtige leven. We willen gekte en onaangepast gedrag op een afstand houden, omdat we misschien wel weten dat het geen scherpe, maar een uitgegumde lijn is. Dat bewustzijn mag vooral niet aan de oppervlakte komen, dus kijk ik weg en ervaar de opluchting die je over je eigen leven kunt voelen als er bij een ander iets schokkends gebeurt. Een gevoel van veiligheid dat in het verhaal ‘City Employment’ van Lydia Davis zo mooi wordt omschreven: ‘People of all ages are hired by the city to act as lunatics so that the rest of us will feel sane. Some of the lunatics are beggars too, so that we can feel sane and rich at the same time. There are only a limited number of jobs available as lunatics. These jobs have all been filled’.

 

Het kwartier dat de man dansend op het kruispunt doorbracht, kon ik me moeilijk op mijn boek concentreren. Ik harkte wat om in mijn eten, bekeek met buitenproportionele aandacht hoe de verschillende stukken grof gehakte sla andere volgordes maakten. Bracht de ui, tonijn en sperziebonen elk naar een andere hoek van mijn bord. Dit om elke mogelijkheid van oogcontact te vermijden, omdat als de blik van de man de mijne zou kruisen, de uitgegumde lijn zichtbaar zou worden gemaakt. Precies voor dat moment koopt Mullicans publiek een kaartje. Want interessanter dan de performance vind ik eigenlijk de mensen die ernaar kijken. Binnen de veilige muren van een museum gaan ze het ongemak aan. Hoofden hoeven niet te worden weggedraaid, schaamteloos mag er worden gestaard, de confrontatie wordt vrijwillig aangegaan. Hoewel de grenzen veel duidelijker dan in de openbare ruimte aangegeven zijn met een tribune en tape op de vloer, zijn ze tegelijkertijd veel zachter, niet zo strikt, niet zo hard. Aan de ene kant omdat ze voor Mullican zelf na decennia ook niet meer zo duidelijk zijn: in ‘gewone’ lezingen en door zijn kinderen wordt hij af en toe op that person’s gedrag betrapt. Aan de andere kant omdat het publiek hun stelligheid ontkracht, omdat ze onder het mom van Kunst Die Vragen Stelt de mogelijkheid van het andere, het grillige, onaangepaste, de mogelijkheid van that person in zichzelf toelaten.

 

Uiteindelijk vonden ook Astrid en ik een manier om te communiceren. Een raakvlak. Behalve vlaai vond ze namelijk het invlechten van mijn haar heerlijk.

 

 

 

Alle citaten zijn, tenzij anders vermeld, afkomstig uit: Van Gogh, de zelfmoordenaar door de maatschappij – vertaald uit het Frans door Jules Dister, uitg. Plantage-Gerard & Scherus, 1987 en Dans om de anatomie, vertaling en nawoord Minne Buwalda, uitgeverij Perdu 1989.

Over de auteur: