Twee gedichten

Vertaling:

Het klassieke, gedragen werk van de Portugese dichter Rui Cóias is niet eenvoudig te vangen. Thematiek en focus verschuiven voortdurend van ruimte naar tijd en van persoonlijk naar algemeen. Reizen, of misschien liever verplaatsingen, gaan via prachtige beelden een verbinding aan met het landschap en het eigen en collectieve geheugen. Vandaar de aandacht voor bijvoorbeeld de Noord-Franse en Vlaamse ‘slachtvelden’ van de Eerste Wereldoorlog. Of een mistig turen in een haast mystieke omgeving, om iets te begrijpen van de dood, maar ook van vluchtig geluk en de schoonheid van de wereld. Zijn poëzie stelt vragen waarop moeilijk antwoord is te geven, maar die in wezen ook geen antwoord nodig hebben.

 

1.

Er is geen leven meer of nieuw begin ervan voor enig doel,

en de liefde zal geen zinspelende glimlach achterlaten,

en het verleden geen kieren die inspelen op het heden,

en ik zal niet zacht mijn tijd aanraken

en God zal ons niet aanraken in een niemandsland,

en daar zal ik niet als nieuw doorheen trekken, daar zal ik niet doorheen trekken.

Men liet ons beloften op een verre hoop na,

de waaierkrans rond schouders op een warm strand,

en elke glimlach was de laatste zonder dat we het wisten

– zo zwak dat we niet merkten dat hij verdween,

dat zijn aarzelende adem oploste,

dat de dunne rook optrok van nooit méér te zijn geweest

dan de afdruk van een wijkende gestalte.

Wat zal er van ons worden als maar één waarheid de waarheid is

waarin ons leven zich afspeelt, slechts wakende schijn

die het licht in zijn beweging stuit en de leegte van die beweging

terwijl ze elke naaste, nooit waargenomen, afgeslachte naam zucht,

wat zal er van ons worden – wat moet er van ons worden –

hoewel we terstond wegsluimeren in iets anders,

zoals het beeld van de zon op een hof van olijven

of de kortstondige lieftalligheid die toekijkt,

hoewel ze liefheeft en dichtbij, voor de spiegel, hoort roepen,

hoewel de kus de samengebalde kracht is, als een zoon

– wat zal er van ons worden?

En de wijnstokken dalen, ze dalen zo langzaam,

en we zwijgen omdat we denken aan het uur dat zal komen

– en mijn vader wijst naar de versluierde olijfbomen in brand en

zijn stem ontsnapt door een tunnel van de avond in de nacht

– mijn vader zegt, met op de achtergrond de honden, dat de weg hier eindigt,

mijn vader herhaalt dat de weg hier eindigt, met op de achtergrond de honden,

en we houden allemaal van de wereld en wat alles daarvan bevat,

en van ieders geboorte, bestaan en afscheid

we houden allemaal van de verloren wereld, de volle korenaar, het

geheim,

we zijn allemaal bang voor de onschadelijke adem, ons

eigen uur, het wazige wijken, de wierook,

het wijken dat verderop al opdoemt,

dat verderop rumoerig opdoemt.

 

 

 

2.

Niets van wat bloeit in het omgewoelde zand

van de mansardes in de gloed van de schemering

zal niet de drempel van dezelfde deur over gaan,

het lang gezoete graan op dezelfde deel;

zelfs in de verte, in het cruciale verlichte gedeelte,

boven de grondgebieden die geen einde kennen,

op stranden van zeeën die onbekend wegstromen,

in elk vreemd, naamloos maanlicht op zouteloze wandelingen

kijken we niet verder dan wat we al hebben gezien.

Als akkers in Picardië naar akkers in Mazurië leiden,

als mozaïeken het water van warme baden verzachten,

en verderop alleen maar kerkhof op kerkhof

en halverwege, in het verweerde Silezië, het berkenbos volgt,

als de zon de geelgroene geur in de ijzeren scharnieren is,

de verbleekte arm van het vaalwitte Helsingor,

als de dans van de dood overal eender is,

bij de schedels in Leuk en de doedelzakspeler in Tallin,

en in de pijnbomen langs wegen die verlaten eindigen,

dan is dat omdat we ons gezicht afstemmen op een plaats naast een andere.

Zelfs zonder het te willen, of als wegtrekkende schaduwen,

zelfs in wat de stappen verdeelt in het maïsveld,

in een terneergeslagen stad, in de eb van wat weg is,

weven we niet meer dan de draad die de boog verbindt

waarvan het fijne gebladerte zich aan onze voeten begraaft;

zelfs als we de plaatsen afzonderen naar hun functie,

en hun verschillen en tot waar ze gaan gedetailleerd omschrijven,

de overeenkomst tussen wat ze zijn en wat we denken dat ze zijn,

zelfs in het gebied dat doorgroefd wordt door lange treinen

waar de avond zal vallen over lavendelschilfers,

volgen we hetzelfde verhaal, de wrijving op dezelfde bodem,

de helling in dezelfde wind, dezelfde herhaalde schemering,

hetzelfde uitgegraven, zwartgeblakerde leven van alle plaatsen.

Bij datgene waardoor we herhaaldelijk worden meegevoerd,

hunkerend naar wat zich in de volgende bocht vertoont,

met onze hand op de kastanjebomen waar we

onze namen in kerven, onze verhinderde eenzaamheid,

keren we altijd om op het punt waar alles herhaald wordt en begint

en waarvan we slechts een minuut, een ogenblik bereiken,

het snijvlak van het jaar dat voorbij gaat en het jaar dat komt.

 

Uit de bundel Europa, Tinta-da-China, Lisboa 2015

Over de auteur:

Rui Cóias (1966 Lissabon) is jurist en filosoof. Hij publiceerde drie dichtbundels in Portugal, respectievelijk in 2000, 2005 en 2016. In België en Frankrijk verscheen een tweetalige uitgave van een keuze uit zijn werk. Verder zijn gedichten van hem opgenomen in diverse bloemlezingen en maakt hij deel uit van de digitale platforms Poetry International Web, Poems from the Portuguese en lyricline. Behalve in het Frans werden gedichten van hem o.a. vertaald in het Nederlands, Engels, Kroatisch en Slowaaks.

Over de vertaler:

Harrie Lemmens (1953) is vertaler van proza en poëzie uit het Engels, Duits en Portugees, o.a. van Pessoa, Saramago, Lobo Antunes, Clarice Lispector, Cormac McCarthy, Christoph Hein, Mia Couto, Agualusa en Dulce Maria Cardoso. In 2006 kreeg hij de vertaalprijs van het Nederlands Letterenfonds. Hij schreef een boek over Brazilië, God is een Braziliaan (2014), en is mede-oprichter van het digitale tijdschrift voor Portugeestalige literatuur zuca-magazine.